2. UBI: Een idee waar de tijd rijp voor is?

In het tweede hoofdstuk van ‘Stand van zaken rond het ubi in Groot-Brittannië’ staat de vraag centraal of de tijd rijp is voor het beleid.

haalbaarheid
Facebooktwitterlinkedinmail
tijd rijp
The Lake, University of Bath

 

Het tweede hoofdstuk van ‘Stand van zaken rond het universeel basisinkomen (ubi) in Groot-Brittannië’, de vertaling van ‘Assessing the Case for a Universal Basic Income in the UK‘ biedt een uitgebreide analyse van de stand van de verzorgingsstaat in Engeland en de vraag of het ubi een antwoord is op de gesignaleerde problemen. De opsteller van het originele rapport, Dr. Luke Martinelli, is onderzoeker bij het Institute for Policy Research (IPR, Instituut voor Beleidsonderzoek) aan de Universiteit van Bath. De komende dagen zal ik (FB) om de dag een hoofdstuk presenteren uit de vertaling van dit rapport. Een overzichtspagina met alle links naar de verschillende hoofdstukken en een voorwoord van Reyer Brons, hoofdredacteur van deze site, is hier te vinden. Een pdf van de vertaling kan hier gratis gedownload worden. Wil je een ePub voor je e-reader stuur dan een bericht via het contactformulier naar de redactie.

 

 
De belangstelling en steun is duidelijk toegenomen in het VK en daarbuiten

In de afgelopen decennia kwam de interesse voor het idee van een ubi in golfbewegingen: ze zwol aan en zwakte weer af. Je merkt echter dat de recente heropleving intenser is en breder gedragen wordt, gepassioneerd, solide. Wat is de basis voor een dergelijke claim?

Verhoogde media-aandacht en de kritische blik van het publiek vormen een element. In 2013 was er een succesvol Zwitsers ‘volksinitiatief’ voor het houden van een referendum over het al dan niet verlenen van een onvoorwaardelijke maandelijkse betaling aan iedere burger. In het kielzog van dit nieuws nam de mediaverslaggeving over het idee voor een basisinkomen exponentieel toe, met (onverbloemd) gunstige reportages in publicaties als The Guardian en The Independent in het Verenigd Koninkrijk en The New York Times en The Wall Street Journal in de VS. Hoewel de Zwitserse volksraadpleging over het idee met een ruime meerderheid werd afgewezen in juni 2016, droeg ze in belangrijke mate bij aan de toename van media-aandacht en verhoging van het publieke bewustzijn.

Een andere belangrijke reeks gebeurtenissen, die de grotere belangstelling van het publiek en de media voor het basisinkomen weerspiegelen en stimuleren, zijn beslissingen om ubi-experimenten in een aantal landen met een hoog inkomen uit te voeren (of in ieder geval serieus onderzoek te doen naar de praktische aspecten ervan), zoals besproken in hoofdstuk 1. Natuurlijk is het onduidelijk of alle voorgestelde experimenten plaats zullen vinden; wat belangrijk is, is dat ze aangeven dat het debat ‘reguliere’ politieke kringen heeft bereikt – waar nu op zijn minst groeiende behoefte is aan verder onderzoek.

Toegenomen steun vanuit een breed scala aan bronnen

Een ander element is het groeiende lidmaatschap van – en het grote aantal –organisaties die het idee van een ubi ondersteunen (of er althans in geïnteresseerd zijn). Deze nieuwe bronnen van steun en toegenomen belangstelling vloeien grotendeels voort uit het inzicht dat bestaande stelsels voor sociale zekerheid niet geschikt zijn voor het beoogde doel, gezien de voortdurende sociaaleconomische hervormingen, inclusief de veranderingen op de arbeidsmarkt. De animo leeft onder een verscheidenheid aan politieke groepen en maatschappelijke organisaties – afkomstig uit het hele politieke spectrum. De meest fervente en beginselvaste supporters van het ubi worden traditiegetrouw in groene- en kleinere linkse politieke partijen aangetroffen (Groot en Van Der Veen, 2000). De Groene Partij van het Verenigd Koninkrijk heeft consequent het basisinkomen opgenomen in zijn verkiezingsprogramma’s en heeft dit in 2017 opnieuw gedaan (Green Party, 2017). Andere minder belangrijke partijen, die duidelijk voorstander zijn van het basisinkomen, zijn de IJslandse Piratenpartij en de belangenpartij Bündnis Grundeinkommen (Basic Income League / Verbond voor een Basisinkomen) in Duitsland.[1]

Traditionele sociaaldemocratische partijen, met hun ‘arbeideristische’ idealen en achtergronden verschanst in georganiseerde arbeidersbewegingen, hebben het ubi doorgaans gemeden, terwijl conservatieve partijen zelfs nog terughoudender zijn geweest. Een interessante ontwikkeling in dit opzicht is dat het ubi in Finland door de centrumrechtse coalitieregering (Kalliomaa-Puha et al., 2016) op de beleidsagenda is gezet. De socialistische kandidaat voor het Franse presidentschap, Benoit Hamon, sprak zich wel uit voor het basisinkomen. In Groot-Brittannië kreeg het idee onlangs steun van het Trades Union Congress (Verbond van Vakverenigingen; TUC) en de progressieve Royal Society for the Arts (Koninklijke Maatschappij voor de Kunsten; RSA) en Compass denktanks, waarbij de laatste belangrijk werk deed aan de financiële haalbaarheid en distributie van een aantal basisinkomensregelingen (Reed en Lansley, 2016). Het Adam Smith Instituut, de denktank van de vrije markt, ondersteunt het basisinkomen in de vorm van een negatieve inkomstenbelasting. Het Work and Pensions Select Committee (Werk- en Pensioen Selectie Comité) – evenals het Social Security Committee (Sociale Zekerheidscomité) van het Schotse parlement en een werkgroep van de Labour Party – hebben onlangs vergaderingen met deskundigen georganiseerd om vragen rond het ubi te onderzoeken. Dit zou tot voor enkele jaren ondenkbaar zijn geweest en is exemplarisch voor de breed gedragen aantrekkingskracht van het ubi.

Naast deze ontwikkelingen is onlangs vanuit de technologiesector de aandacht explosief toegenomen (Sadowski, 2016). De interesse lijkt te zijn aangewakkerd als reactie op de bruikbaarheid van het ubi voor nieuwe arbeidsmodellen tegen de achtergrond van technologische ontwikkelingen. Online platforms zoals Uber zijn vormen van de zogenaamde ‘gig- of kluseconomie’.[2]De exploitanten van dergelijke platforms – en hun personeel – zouden baat hebben bij een fundamentele onvoorwaardelijke inkomensvloer; het zou werknemers in staat stellen meer flexibele, maar onzekere arbeidspatronen te accepteren. Degenen die betrokken zijn bij de productie van digitale technologieën (de archetypische Silicon Valley-programmeur) zien ook de waarde van het ubi. Zoals veel economische activiteiten, die worden gekenmerkt door ‘learning by doing’ (leren door het te doen) en ‘dynamic returns to scale’ (dynamisch rendement op schaal) vergen creatieve sectoren, zoals softwareontwikkeling, lange termijn investeringen voor onzekere resultaten – maar succesvolle producten en diensten kunnen oneindig veel waardevoller zijn dan die eerste investering.[3] Aangezien informatie bovendien tegen vrijwel nul marginale kosten kan worden overgedragen, heeft de productie ervan de kenmerken van een ‘publiek goed’. Deze kwaliteit roept de vraag op of de ontwikkeling en verspreiding van technologische innovaties moet worden gesubsidieerd, en een manier om dat te doen (zij het vrij indirect) is om onvoorwaardelijke betalingen beschikbaar te stellen, die mensen de mogelijkheid bieden om tijd te investeren en de risico’s te nemen, die verbonden zijn met dergelijke sociaal waardevolle activiteiten. Verder is de tech-industrie de drijvende kracht achter digitalisering en automatisering van routinematige menselijke activiteiten, met het vermogen om (in principe) grote aantallen banen af te stoten. Zoals hieronder wordt besproken, is dit één van de belangrijkste redenen waarom de aandacht voor het basisinkomen is toegenomen; het ubi wordt gezien als een cruciale factor voor het behoud van de publieke acceptatie voor zulke veranderingen.

Een laatste opmerkelijke ontwikkeling is de voorkeur voor het ubi en verwant beleid binnen gemeenschappen voor sociale bescherming en internationale ontwikkeling. De Wereldbank en andere reguliere ontwikkelingsinstellingen promoten nu geldoverdrachten als centraal onderdeel van de sociale beschermingsagenda en zijn begonnen met de verkenning van de sterke kanten van onvoorwaardelijke regelingen (Baird et al., 2010; Golan et al., 2015; Haushofer and Shapiro, 2016). In India, gestimuleerd door het enorme aantal en de complexiteit van regelingen en programma’s voor armoedebestrijding (meer dan 950 alleen al gefinancierd door de centrale overheid) en hun enorme kosten (ongeveer 5% van het Bruto Binnenlands Product), onderzoekt de regering de praktische haalbaarheid van een ubi en verwant beleid (Regering van India, 2017).

Als het zo is, dat deze uiteenlopende ontwikkelingen doen vermoeden dat ubi’s kansen lijken te keren, hoe is dat zo gekomen? We moeten voor de hand liggende oorzaken (zoals de belangstelling voor het Zwitserse referendum en aanstaande beleidsexperimenten) onderscheiden van meer fundamentele, structurele krachten. Het is duidelijk dat aankondigingen van pilots en referenda in de afgelopen jaren hebben bijgedragen aan de golf van media en publieke aandacht – en vice versa, de twee factoren versterken elkaar. Maar dit verklaart ten enenmale niet waarom ze zijn gebeurd – en waarom nu.

Waarschijnlijk kunnen we bij het zoeken naar structurele oorzaken voor de opkomst van het basisinkomen een aantal verwante verschijnselen onderkennen. Een reeks belangrijke factoren heeft betrekking op het ontstaan van twijfels over de doeltreffendheid en de publieke acceptatie van traditionele vormen van sociale zekerheid. Een andere reeks heeft betrekking op een aantal veranderingen op de arbeidsmarkt, waaronder automatisering, die bijdragen aan polarisatie van lonen en grote zorgen over technologische werkloosheid. Wat betreft veranderingen op de arbeidsmarkt moeten we ook argumenten in ogenschouw nemen, die aanvoeren dat werk steeds onzekerder van karakter wordt.

Een tweede vraag heeft betrekking op het belang van al deze ontwikkelingen en hun fundamentele structurele drijfveren. Betekent toegenomen interesse en aandacht echt een verschuiving van hersenschim naar een serieus beleidsvoorstel? We zien zeker de investering van echt politiek kapitaal op een aantal belangrijke punten. Maar is evolutie in de richting van het basisinkomen echt onvermijdelijk als bestaande trends doorzetten, zoals sommige voorstanders beweren? Hierover moeten we voorzichtiger zijn; zoals hieronder wordt besproken, zijn er nog steeds een aantal belangrijke politieke hinderpalen te overwinnen voor het ubi. Er zijn ook een aantal scenario’s denkbaar, die als alternatief kunnen dienen voor de schijnbaar onverbiddelijke expansie van het basisinkomen.

De Wereldbank en andere reguliere ontwikkelingsinstellingen bevorderen nu geldoverdrachten als een kernelement van de sociale beschermingsagenda, en zijn begonnen met het verkennen van de sterke punten van onvoorwaardelijke regelingen.

Crises in de verzorgingsstaat

De ‘verzorgingsstaat’ wordt meestal gezien als het resultaat van een aantal economische, sociale en politieke ontwikkelingen, veel voorkomend in ontwikkelde landen met hoge inkomens, zoals in Europa en Noord-Amerika; deze behelzen industrialisatie, politieke modernisering en demografische verschuivingen en veranderingen op de arbeidsmarkt (Pierson, C., 1998: 12-13). Na de Tweede Wereldoorlog tot ongeveer halverwege de jaren zeventig – de zogenaamde Gouden Eeuw – beleefden de Europese verzorgingsstaten de institutionalisering van steeds omvangrijker en genereuzer vormen van sociale zekerheid. Deze uitbreiding vond plaats onder sociaaleconomische omstandigheden, waarin duurzame economische groei, volledige (mannelijke) werkgelegenheid (mogelijk gemaakt door Keynesiaanse, vraaggestuurde politiek) en stabiele kerngezinnen de norm waren.[4] Met andere woorden, de omstandigheden waren zodanig dat de behoefte aan sociale zekerheid van gezinnen redelijk werd ingelost door inkomsten uit loon – waarvan verwacht werd, dat deze toereikend zouden zijn voor een kostwinner en de van hem afhankelijke personen – en niet-premievrije (dat wil zeggen door werknemer en werkgever samen betaalde) uitkeringen voor periodes waarin hij niet kon werken door onvrijwillige (frictie)werkloosheid, arbeidsongeschiktheid of ouderdom.[5] Ten gevolge van arbeidsmarkt- en demografische factoren waren deze eventualiteiten relatief zeldzaam en / of van korte duur – gemiddeld ten minste – afgemeten naar geschiedenissen van premiebijdragen en verrekeningen. Van Parijs et al. (2000: 53) noteren, “het resulterende verdelingspatroon leek op het goede spoor te zitten zolang de toegang tot een baan en de daarmee verbonden rechten … gegarandeerd waren voor de overgrote meerderheid van de huishoudens”.

Dit is niet langer het geval. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw verschijnen er berichten dat de verzorgingsstaat ‘in crisis verkeert’. Voor het eerst wordt hij “voorwerp van twijfels, fundamentele kritiek en politieke conflicten” (Offe, 1984: 147-8). Offe’s analyse onderscheidt kritieken van zowel rechts als links van het politieke spectrum. De eerste houdt de sociale bijstand verantwoordelijk voor het ontstaan van afhankelijkheid en maatschappelijk verval, wegebbende prikkels om te werken en te sparen, en de ontmoediging van gezinsvorming. De bureaucratie, die nodig is om de sociale zekerheid in goede banen te leiden, wordt behalve dat als topzwaar en opdringerig beschouwd. Dit type argument heeft buitengewoon veel invloed gehad op de verschuiving van de publieke opinie en de hervorming van het politieke beleid in het VK (Dean en Taylor-Gooby, 2014).

Wat de kritiek van links betreft, daar ziet men een systeem, dat niet langer in staat is om aan onvervulde verlangens te voldoen, wat nog verergerd wordt door de opkomst van ‘nieuwe risico’s’ op het gebied van de sociale zekerheid (Bonoli, 2005). Deze nieuwe risico’s, waarvoor de traditionele stelsels voor sociale zekerheid steeds minder toegerust lijken te zijn, omvatten alleenstaand ouderschap, het combineren van werk en gezinsleven doordat vrouwen meer gingen werken, en langdurige werkloosheid en lage lonen ten gevolge van een gebrek aan vaardigheden en veranderingen op de arbeidsmarkt.

Permanente bezuinigingen en sluipend toenemende voorwaardelijkheid

De kritiek van rechts en links hebben een lastige omgeving geschapen om hervormingen van de sociale zekerheid in door te voeren. Op geaggregeerd niveau lijkt elke kritiek haaks te staan op voorgestelde beleidsimplicaties – inkrimping versus uitbreiding van de sociale zekerheid. In feite zet de kritiek van beide kanten behoorlijk wat spanning op bestaande sociale zekerheidsregelingen en oefent ze druk uit om te komen tot fundamentele hervormingen.

Een cruciale stelling van de voorstanders is dat het basisinkomen beide soorten zorgen kan verlichten – dat de sociale zekerheid niet toereikend is om aan de behoefte te voldoen en dat ze leidt tot schadelijke verstoringen van de arbeidsmarkt en andere stimuli om gedrag te sturen. Hoe hebben beleidsmakers de bovengenoemde spanningen en tegenstellingen in de praktijk aangepakt? Hoewel het belangrijk is om te benadrukken dat reacties tussen en binnen verschillende sociale zekerheidsregelingen variëren, kunnen we toch wijzen op een aantal algemene trends.

Pierson (2011) merkt op dat: “al deze recente of opnieuw in het oog springende risico’s creëren een potentiële vraag naar publieke uitgaven. Het zijn in die zin concurrenten voor schaarse middelen met reeds gevestigde sociale programma’s”. Als gevolg van deze en andere ontwikkelingen (zie Gilbert, 2002) hebben verzorgingsstaten gedurende meer dan vier decennia te maken gehad met druk op de begroting – wat Paul Pierson (1998) “permanente bezuinigingen” heeft genoemd. Samen hebben deze spanningen geleid tot de toename van wat Haüsermann (2012: 113) aanduidt als ‘nieuw sociaal beleid’, dat uitkeringen voor nieuwe categorieën aanvragers of ‘risicogroep’ omvat, maar ook, belangrijk, beleid met betrekking tot activering voor de arbeidsmarkt en inzetbaarheid.

Volgens de OESO (2017a) is de algemene dekking van (relatief genereuze) sociale verzekeringsstelsels steeds kariger geworden (hoewel ze in continentaal Europa langer bleven bestaan dan in het VK). Sociale zekerheidsprogramma’s spelen hierop in – in het Verenigd Koninkrijk is het gedeelte van de uitkeringsuitgaven, dat besteed wordt aan inkomensafhankelijke uitkeringen voor niet-gepensioneerden, gestegen van 24% tot 79% tussen 1978 en 2013 (Hood en Oakley, 2014) – met hierbij de kanttekening dat ze minder royaal zijn, aanleiding geven tot perverse prikkels en de effectieve dekkingsgraad beperkt is door het opleggen van toetsen en straffe voorwaarden, waarmee de betalingen gepaard gaan.

Zoals Painter en Thuong (2015: 15) zeggen, “in feite heeft het systeem een legitimiteitscrisis doorgemaakt vanwege de lagere publieke steun – en doet dat in veel opzichten nog steeds. Dit heeft geleid tot een reeks stapsgewijze hervormingen onder de vlag van ‘voorwaardelijkheid’”. In het Verenigd Koninkrijk hebben we de afgelopen decennia een uitbreiding van toeslagen voor werkenden gezien en de dekking van nieuwe risicogroepen, zoals alleenstaande ouders en verzorgers, naast de invoering van steeds strengere toelatingsvoorwaarden, een repressief bijstandsbeleid en steeds schraler wordende uitkeringen (Dwyer, 2004). Volgens de Joseph Rowntree Foundation (2014) hebben de opgelegde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsmarkt en de bijbehorende sanctieregelingen – die uitgebreid zijn tot voorheen vrijgestelde groepen, zoals alleenstaande ouders en mensen met een handicap – grote aantallen kwetsbare mensen in flinke moeilijkheden gebracht en grote onrust teweeggebracht.[6] Niettemin kunnen er vraagtekens geplaatst worden bij de effectiviteit van voorwaardelijkheid wat betreft het activeren van mensen naar vaste en goedbetaalde banen (ibid.). De dubbele beleidsdynamiek van permanente bezuinigingen en sluipende conditionaliteit ondermijnt dus verder het vermogen van het systeem om armoede adequaat te lenigen en ongelijkheid te verminderen en tegelijk de menselijke waardigheid van uitkeringsgerechtigden te waarborgen. Meer recent hebben verzorgingsstaten overal ter wereld ook te maken gehad met de effecten van de ‘Grote Recessie’ (Hemerijck et al., 2012). Middenin een periode met een verhoogde behoefte aan sociale zekerheid om armoede te verlichten door groeiende werkloosheid en – in het geval van het VK – dalende reële lonen en toenemende loonongelijkheid (Gregg et al., 2014) heeft dit de druk om te bezuinigen versterkt.

Agendering van het basisinkomen?

Tegen de achtergrond van deze fundamentele en uiteenlopende problemen luiden de ubi-doelstellingen:

  • De drastische vereenvoudiging van bestaande regels en voorwaarden, zowel om administratieve kosten te besparen als – wellicht nog belangrijker – de psychologische belasting en het stigma te verminderen veroorzaakt door de ingewikkelde en opdringerige regels en voorwaarden.
  • Een uitgebreidere dekking van de bevolking, en dus effectievere verlichting van armoede en hogere niveaus van inkomenszekerheid.
  • De eliminatie (of vermindering) van armoede-, werkloosheids– en bureaucratische vallen, die uitkeringsgerechtigden ervan weerhouden zich bezig te houden met of vorderingen te maken op de arbeidsmarkt, zoals hieronder beschreven.
Verzachting van armoede-, werkloosheids- en bureaucratische vallen bij een ubi

Twee belangrijke maatregelen op het gebied van financiële prikkels om aan het werk te gaan zijn essentieel om de waarschijnlijke effecten van een ubi op de arbeidsmarkt te kunnen begrijpen: de participation tax rate (PTR; belastingtarief bij deelname / impliciete belasting op werken) en de marginal effective tax rate (METR; marginale effectieve belastingtarief).[7] De PTR meet het percentage van het bruto arbeidsinkomen dat je kwijt bent aan belastingen en / of intrekking van de uitkering, terwijl de METR het aandeel meet, dat je moet afdragen aan de belastingen voor elke extra eenheid van het verdiende inkomen en / of het stopzetten van de uitkering. Hoge PTR’s en METR’s leiden tot werkloosheids- en armoedevallen. Respectievelijk beschrijven ze situaties waarin mensen nauwelijks worden gestimuleerd om werk te zoeken, ofwel om vooruit te komen op het werk of om hun arbeidsinspanning te vergroten.

In het Verenigd Koninkrijk worden degenen, die inkomensafhankelijke uitkeringen ontvangen, stelselmatig geconfronteerd met effectieve marginale belastingtarieven van meer dan 90% (Brewer et al., 2010: 92); na een korte ‘vrijstelling’ worden uitkeringen, zoals Income Support (Inkomenssteun) en Jobseeker’s Allowance (Uitkering voor Werkzoekenden), pond voor pond ingehouden. Hoewel arbeidsgebonden uitkeringen, zoals de Working Tax Credit (heffingskorting voor werkenden) werkloosheidsvallen matigen en de arbeidsmarktparticipatie bevorderen, creëren ze armoedevallen als gevolg van hoge opzeggingstarieven verderop in de inkomensverdeling (Brewer et al., ibid., rapporteren marginale tarieven van 73,4%) .

De invoering van een (gedeeltelijk of volledig) basisinkomen, dat niet ingetrokken kan worden en niet opgezegd hoeft te worden – in plaats van een inkomensafhankelijke uitkering – zou de stimulans voor niet-actieve personen om betaalde arbeid te verrichten, vergroten, omdat hij of zij bij het aannemen van werk – tegen ieder loontarief – er altijd financieel op vooruit zal gaan, voor maakt niet uit hoeveel uur en voor elke contractduur. Zelfs als hij of zij nog steeds inkomensafhankelijke steun zou krijgen bovenop het ubi, zouden ze door de lagere betaling gemakkelijker extreem hoge METR’s kunnen vermijden door geringere hoeveelheden aan aanvullend inkomen te verdienen.

Het probleem van zwakke financiële prikkels in zeer voorwaardelijke systemen vergroot de zogenaamde ‘bureaucratische vallen’. Dit zijn omstandigheden, waarin uitkeringsgerechtigden huiverig zijn om aan het werk te gaan, vanwege onzekerheid over hoe de veranderde situatie hun uitkering zal beïnvloeden – zelfs wanneer de verandering van hun toestand zou moeten resulteren in een financiële verbetering.

Het basisinkomen en de ‘Nieuwe Sociale Kwestie’

Het basisinkomen krijgt al lang veel bijval omdat het een manier is om een ‘nieuwe sociale kwestie’ aan te pakken. Deze bestaat uit “een groeiend aantal huishoudens … dat niet in staat is om zich te verzekeren van een ‘echte’ baan” (Van Parijs et al., 2000: 54). Offe (2008) meent, dat de lonen te laag zijn om te zorgen voor voldoende inkomen voor werknemers en de leden van hun huishouden, die daarvan afhankelijk zijn, of te hoog in die zin dat ze de vraag naar arbeid verminderen met als gevolg dat het ideaal van volledige werkgelegenheid niet bereikt wordt (dat wil zeggen het niveau van de werkgelegenheid waarbij iedereen, die tegen het geldende loonpeil wil werken, dit kan doen). De ‘nieuwe sociale kwestie’ doet zich inderdaad voor in de ietwat nachtmerrieachtige omstandigheid waarin de twee problemen gelijktijdig kunnen optreden: ontoereikende lonen voor laaggeschoolde werknemers gaan hand in hand met hoge werkloosheidscijfers. Het basisinkomen heeft een antwoord op het tweevoudige probleem van inadequate lonen en hoge werkloosheid op een wijze, die de conventionele sociale zekerheid niet kan waarmaken. Naast een conventionele werkloosheidsuitkering voor werklozen, kan het ubi tegelijkertijd dienen als een arbeidsgerelateerde uitkering – door het bieden van een aanvullend inkomen voor laagbetaalde werknemers, zonder betaalde arbeid te ontmoedigen door armoede- en werkloosheidsvallen – en als een subsidie voor gewenst verlof – waardoor degenen die hun arbeidsinspanning willen verminderen of de arbeidsmarkt helemaal willen verlaten, dit kunnen doen, waardoor banen vrijkomen voor de onvrijwillig werklozen: het zogenaamde ‘herschikkingseffect’ (‘reshuffle effect’) (Groot en Van Der Veen, 2000).

Flexibiliteit van de arbeidsmarkt en de post-productivistische sociale zekerheid

Het bieden van een veilige onvoorwaardelijke inkomensvloer stimuleert individuen en stelt hen in staat om onzekere en kortdurende (maar potentieel aantrekkelijke en lonende) banen aan te nemen in de ‘gig- of kluseconomie‘. Op dezelfde manier bevordert het ondernemerschap, creativiteit en innovatie – zoals verwoordt door Bregman (2017) in zijn opvatting van ubi als ‘durfkapitaal voor mensen‘ (venture capital for people). Deze eigenschappen zijn vooral wenselijk gezien de voortdurende veranderingen op de arbeidsmarkt, zoals hieronder wordt besproken. Het basisinkomen maakt het mogelijk om de arbeidsmarkt tijdelijk te verlaten om een opleiding te volgen, of om lager betaalde (maar veelbelovende) arbeidsmarktactiviteiten, zoals stages, te faciliteren. Het is duidelijk dat deze functies het potentieel hebben om de flexibiliteit te vergroten en de prestaties van de arbeidsmarkt op macroniveau te verbeteren, waar ook individuen profijt van hebben. Een andere wijze waarop het ubi inwerkt op de arbeidsmarkt is zijn vermogen om de onderhandelingspositie van werknemers ten opzichte van werkgevers te versterken. De mate waarin het basisinkomen de onderhandelingspositie van werknemers ten aanzien van hun lonen en voorwaarden werkelijk verbetert, wordt in hoofdstuk 4 geanalyseerd.

Toegenomen onderhandelingsmacht heeft betrekking op het idee dat het basisinkomen de optie geeft om helemaal of gedeeltelijk te stoppen met werken. Als, zoals hierboven geopperd, fulltime werkenden hun arbeidsinzet verminderen, biedt dit kansen voor werklozen en werknemers, die meer uren willen werken. Maar de voordelen gaan verder dan die welke betrekking hebben op een efficiëntere werking van de arbeidsmarkt. Het loskoppelen van de band tussen arbeid en financiële compensatie dient ter bevordering van de legitimiteit en het belang van alle andere vormen van werk, die momenteel niet worden beloond (Standing, 2013). Vormen van werk, die vanuit een maatschappelijk perspectief waarschijnlijk ondergewaardeerd worden, omvatten de zorg voor kinderen en oudere familieleden en het deelnemen aan vrijwilligers- en liefdadigheidswerk. In die zin kan het basisinkomen worden gezien als het fundament van een opkomend ‘post-productivistisch’ socialezekerheidsregime, in zoverre het een grotere meerwaarde toekent aan “individuele autonomie in […] sociale zekerheids- en arbeidsmarktregelingen” en keert het zich tegen een eenzijdige verheerlijking van betaalde arbeid (Van Der Veen en Groot, 2006: 595).[8] Daarnaast bevelen sommige ‘groene’ activisten het ubi aan als een manier om gelijktijdig ‘degrowth‘ te bewerkstelligen (door de materiële prikkels voor productie en economische groei te verkleinen) en tegelijkertijd ongunstige verdelingseffecten te verzachten (Birnbaum, 2010; Andersson, 2010).

Bevordering van gendergelijkheid

De manieren waarop het ubi tezelfdertijd mensen met lage lonen en zij, die niet betrokken zijn bij arbeidsmarktgebonden activiteiten, ondersteunt terwijl het een reductie van de arbeidsinzet voor anderen vergemakkelijkt, biedt een helder uitgangspunt voor ons om de effecten van het basisinkomen op genderverhoudingen en gendergelijkheid te analyseren. Een aantal wetenschappers (bijvoorbeeld Robeyns, 2000 en McLean, 2016) hebben betoogd, dat het ubi in principe zou moeten bijdragen aan een grotere gendergelijkheid en wel langs de volgende lijnen. Het individuele karakter van het ubi kan een grotere gendergelijkheid bevorderen door het beroep, dat vrouwen op de inkomsten van hun partner moeten doen, kleiner te maken. Bestaande sociale zekerheidsregelingen, waarbij rechten op huishoudniveau worden berekend, kunnen beslissingen van het paar of het gezin op twee belangrijke manieren schade toebrengen. Ze kunnen mensen ontmoedigen om partnerschappen aan te gaan vanwege zogenaamde ‘koppelsancties’ bij de berekening van uitkeringen en, misschien nog belangrijker, als gevolg van de afkeer om een eigen bron van inkomsten en rechten op te geven – wat met name het geval is bij potentieel instabiele relaties, en vooral wanneer kinderen deel uitmaken van het huishouden (Griffiths, 2017a). Het berekenen en betalen van uitkeringen op gezinsniveau kan mensen ook in een staat van afhankelijkheid brengen en leiden tot financieel misbruik en ongelijke verdeling van inkomsten als er sprake is van onevenwichtige machtsverhoudingen binnen het gezin (Hobson, 1990). Beide storende invloeden op beslissingen binnen het huishouden of van een koppel hebben negatieve gevolgen voor de gelijkheid van mannen en vrouwen: vrouwen lopen meer kans om ‘gevangen’ te zitten in huisgezinnen met een éénverdiener, waardoor zij het risico lopen relatief machtelozer te worden. Verder staat vast dat vrouwen doorgaans aan het kortste eind trekken op de arbeidsmarkt en onevenredig veel deeltijd- en laagbetaald werk doen; daarom zou de ‘toeslag voor werkenden’ – het voordeel van een basisinkomen – hun onderhandelingspositie ten opzichte van mannen kunnen versterken. Tegelijkertijd moet de subsidie voor gewenst verlof – ook een aspect van het basisinkomen – mannen, die vaker fulltime werken, in staat stellen hun betaald aantal uren werk terug te brengen om een groter deel van de onbetaalde zorg op zich te nemen. Het ubi kan ook helpen bij het aanpakken van genderongelijkheid inzake opgebouwde premies tijdens dienstverband en pensioenrechten (Parker, 1993). Door het belang en de waarde te erkennen van onbetaalde zorg (door hen, die dit doen, te voorzien van een zelfstandig inkomen) en tweeverdienersgezinnen te compenseren voor hun gebruik van formele kinderopvangdiensten, wordt benadrukt dat het basisinkomen is bedoeld om de onderhandelingsmacht naar vrouwen toe opnieuw te verdelen – maar niet op een laatdunkende manier, niet door betalingen uitsluitend te richten op zorgverleners (dat zou bijdragen aan hun marginalisering op de arbeidsmarkt), noch door vrouwelijke werknemers te benadelen.

Bestaande sociale zekerheidsregelingen, waarbij rechten op het niveau van het huishouden berekend worden, kunnen schadelijk zijn voor beslissingen bij het vinden van een partner of binnen een gezin.

Veranderingen op de arbeidsmarkt

Bij onze poging om de groeiende interesse in en steun voor het basisinkomen uit te leggen, hebben wij in voorgaande paragrafen de focus gericht op institutionele kenmerken van en druk op ontwikkelde verzorgingsstaten. Een even belangrijke verklaring – gespiegeld door populaire verhalen over de opmars van het basisinkomen – heeft betrekking op fundamentele en structurele veranderingen op de arbeidsmarkt.

Automatisering en het schrikbeeld van technologische werkloosheid

Automatisering is een brede term, die een scala aan vormen omvat, die technologische ontwikkelingen en arbeidsmarktstructuren beïnvloeden – welk werk zal gedaan worden door menselijke arbeid, waar en hoe zal het uitgevoerd worden en door wie. De OESO (2016a; Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) vat deze ontwikkelingen samen als “steeds groter wordende rekenkracht, Big Data, het al maar intensiever gebruik van internet, kunstmatige intelligentie (AI), het ‘internet der dingen’ en online platforms“. Het gevolg is dat dergelijke technologieën in staat zijn om een reeks steeds geavanceerdere taken uit te voeren – inclusief die waarvoor “redeneren, voelen en beslissen” nodig zijn – die voorheen het exclusieve domein van menselijke arbeid waren, wat leidt tot bezorgdheid voor ‘technologische werkloosheid’.

Een invloedrijke studie door Frey en Osborne (2013) heeft de angst aangewakkerd. De onderzoekers schatten dat ongeveer 47% van de banen in de VS in gevaar is. Deze bevindingen worden echter betwist door de OESO (2016b: 4), die kritiek uitoefenen op de veronderstelling van Frey en Osborne dat “hele beroepen en niet slechts enkele functietaken door technologie worden geautomatiseerd”; zij ramen het aandeel banen dat waarschijnlijk verloren gaat door technologische vooruitgang, rond de 9% gemiddeld. Natuurlijk, zelfs als ‘slechts’ 9% van de banen zou verdwijnen en niet zou worden vervangen door nieuwe mogelijkheden voor werkgelegenheid, zou dit een enorm probleem vormen. Maar is dit echt waarschijnlijk?

De werkloosheid steeg fors in de nasleep van de financiële crisis die uitbrak in 2007, maar is na een piek rond 2010 gedaald voor de OESO als geheel. Er is een duidelijk verschil tussen de Europese en Amerikaanse cijfers: in 2015 bedroeg de werkloosheid in de VS ongeveer 5,29%, terwijl het EU-gemiddelde op 9,39% stond (OESO, 2017b). Vermeldenswaard is ook dat, hoewel de VS een relatief lage werkloosheid heeft, de cijfers voor fulltime werk ook zijn gedaald, omdat mensen (vooral mannen) de arbeidsmarkt helemaal verlaten hebben (ibid.). Dit in tegenstelling tot de economieën van de EU, de OESO, het VK en Japan, die allemaal een stijging van de gemiddelde werkgelegenheidscijfers tussen 2000 en 2015 kenden (EU- en OESO-cijfers zijn eenvoudige landengemiddelden). Over het geheel genomen duiden de gegevens erop dat een aanzienlijk deel van de werkloosheid cyclisch is (er heerst conjuncturele werkloosheid) en verder zal dalen als de economische omstandigheden verbeteren (bijvoorbeeld door een groter consumentenvertrouwen en vermindering van de overheidstekorten).[9]

Aan de andere kant is het herstel van de gevolgen van de ‘Grote Recessie‘ veel langzamer geweest in vergelijk met eerdere recessies. Een mogelijke oorzaak kan zijn dat structurele langetermijnfactoren – waaronder, maar misschien niet beperkt tot automatisering – de effecten van een recessie hebben vergroot die, in eerste instantie tenminste, grotendeels cyclisch van aard was (Brynjolfsson en McAfee, 2012). Het lijkt hoe dan ook moeilijk met enige zekerheid te concluderen dat automatisering enig negatief causaal effect op de werkgelegenheid heeft laten zien. Dit is met name het geval in het VK, dat zelfs tijdens de recessie een zeer hoge werkgelegenheidsgraad behield (Gregg et al., 2014), hoewel deze gepaard ging met lage productiviteitsniveaus en achterblijvende loongroei.

De afwezigheid van bewijsmateriaal is geen bewijs van afwezigheid natuurlijk. Maar de gegevens werpen de vraag op: waarom lijkt de technologische werkloosheid zich niet gemanifesteerd te hebben? Zoals Hughes (2014) opmerkt, werd het gevaar van technologische werkloosheid voor het eerst opgeworpen door Keynes (1930). Keynes’ verklaring voor het gevaar verwees naar de “ontdekking van hulpmiddelen om op het gebruik van arbeid te bezuinigen, die sneller gaat dan het tempo waarmee we nieuwe toepassingen voor het arbeidsaanbod kunnen vinden”; op deze manier is het schrikbeeld van technologische werkloosheid expliciet gerelateerd aan een vraagtekort op goederen- en dienstenmarkten, die leiden tot een overschot aan arbeidskrachten.

Toen het zover was leidden nieuwe arbeidsbesparende technologieën niet onverbiddelijk tot steeds hogere werkloosheidsniveaus. Zoals Vivarelli en Pianta (2000) schrijven, er zijn vijf compenserende werkgelegenheidseffecten, die technologische werkloosheid tegengaan:

  • nieuwe machines en producten vereisen werkers om ze te bouwen en te onderhouden;
  • prijsdalingen veroorzaakt door efficiëntere productieprocessen stimuleren de vraag naar andere producten;
  • nieuwe investeringen worden aangewakkerd door het hogere rendement op kapitaal, dat voortvloeit uit een efficiëntere productie;
  • hogere lonen in activiteiten en sectoren, die een aanvulling vormen op technologie kunnen de vraag stimuleren;
  • lagere lonen in activiteiten en sectoren, die in de plaats komen van technologie, kunnen helpen arbeidsmarkten op te schonen.

 

Omdat massawerkloosheid door nieuwe technologie niet is opgetreden, wil dit zeker niet zeggen, dat het ook niet zal gebeuren. Frey en Osborne (2013: 13) menen dat meer rekenkracht ervoor zou kunnen zorgen, dat de ‘destructieve’ effecten van technologie op de vraag naar arbeid de ‘kapitalisatie‘-effecten kunnen overstijgen. Hoe dan ook, de argumenten ten gunste van het basisinkomen berusten niet alleen op de intrede van massale werkloosheid.

Loonpolarisatie, onzinbanen en toenemende inkomensongelijkheid

In de beginfase van de automatisering van de productie was de innovatie van assemblagelijnen (‘Fordisme‘) “een relatieve aanvulling op ongeschoolde arbeid, terwijl ze de plaats innam van relatief bekwame vakmensen” (Frey en Osborne, 2013: 9). Maar geleidelijk hebben technologische ontwikkelingen geleid tot “een modern patroon van afstemming tussen vakbekwaamheid en kapitaal” (ibid.):

Kort gezegd, terwijl assemblagelijnen van fabrieken met hun extreme arbeidsdeling enorme hoeveelheden handarbeiders nodig hadden, maakte elektrificatie het mogelijk om veel stadia van het productieproces te automatiseren, waardoor de vraag naar relatief geschoolde productie-arbeiders om de machines te bedienen, steeg.

Door gestage productiviteitswinsten en de rol van collectieve onderhandelingen kregen zelfs betrekkelijk ongeschoolde fabrieksarbeiders een goede beloning in dit tijdperk, omdat in het Fordistische productiemodel “stijging van de productiviteit door een steeds betere benutting van geautomatiseerde machines … alleen plaatsvindt ten gevolge van betaalde operationele activiteiten” (Lucarelli en Fumagalli, 2008: 76). Volgens Lucarelli en Fumagalli (ibid.) heeft het Fordisme echter plaatsgemaakt voor een economisch model dat ze ‘cognitief kapitalisme‘ noemen, een model waarin immateriële kennis (zowel stilzwijgende of impliciete als gecodificeerde of vastgelegde kennis) een steeds groter deel van de productiviteitswinsten opeist vergeleken met fysiek kapitaal en lichamelijke arbeid. Bovendien, “als gevolg van de internationalisering van de productie, de verspreiding van informatie- en communicatietechnologieën en innovaties in het goederenvervoer, zijn productieactiviteiten verschoven naar ontwikkelingslanden, terwijl financiële, technologische, toezichthoudende, logistieke en controle-activiteiten geconcentreerd zijn in de hoog geïndustrialiseerde landen” (ibid.: 77).

Deze trends lijken te impliceren dat – vooral in landen met hoge inkomens – de vraag naar hooggeschoolde- en kennisintensieve vormen van arbeid moet stijgen in vergelijking met die waarvoor een laag vaardigheidsniveau vereist is. Hoewel dit intuïtief aantrekkelijk klinkt, is het te simplistisch. Zoals Goos en Manning (2007) schrijven, het effect is niet te wijten aan het vaardigheidsniveau van specifieke banen als zodanig. De aanwezigheid van routinetaken in specifieke banen is de onderscheidende factor. Om kort te gaan, er zijn veel middelhoog geschoolde- en goed betaalde banen, die niettemin bestaan uit het uitvoeren van routinetaken – boekhouding, handmatig bediende machines, enzovoort. Dit zijn de banen, die worden bedreigd door automatisering in de zin van technologische werkloosheid en neerwaartse druk op de lonen. Aan de andere kant heeft de technologische verandering relatief weinig voortgang gemaakt bij het vervangen van laaggeschoold, niet-routinematig, ‘hand’ werk, zoals schoonmaken, of hooggekwalificeerde, niet-routinematige ‘cognitieve’ taken waarvoor menselijke creativiteit vereist is of die “professionele en leidinggevende” rollen met zich meebrengen, die complementair zijn aan technologie (ibid.: 118).

Technologische verandering lijkt dus de positie te versterken van werknemers, die betrokken zijn bij bedrijfstakken met veel niet-routinematige taken, die niet gemakkelijk geautomatiseerd kunnen worden. Zij boffen vergeleken met diegenen, die in sectoren werken waar veel routinetaken uitgevoerd moeten worden. En hierin ligt het echte probleem van automatisering: dat het de tegenstellingen tussen ‘goede’ en ‘slechte’ banen verder aanscherpt, ‘het midden’ uitholt en de inkomensongelijkheid verergert en niet zozeer doordat het de werkloosheid op zich vergroot.

Een andere manier waarop technologische veranderingen zouden kunnen bijdragen aan de toenemende ongelijkheid wordt ter tafel gebracht door Lucarelli en Fumagalli (2008). De ‘toegevoegde waarde’ van technologie wordt meer en meer opgeëist door een klein aantal grote en krachtige bedrijven, die een groeiend aandeel in eigendom – dus in particuliere handen – hebben; en omdat de ontwikkeling van waardevolle zelfontworpen technologie onderhevig is aan schaalvoordelen, zijn grote bedrijven in het voordeel ten opzichte van kleine bedrijven. Voor de laatste zijn de aanloopkosten voor hightech onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten aanzienlijke belemmeringen om de markt te betreden. Deze grote en machtige bedrijven kunnen hun marktmacht gebruiken in combinatie met outsourcing– (uitbesteden van werkzaamheden naar een ander bedrijf) en offshoring-strategieën (verplaatsen van activiteiten naar het buitenland) om hun controle over ondergeschikte arbeidsprocessen te vergroten, dus wordt het aandeel van de opbrengst, dat aan arbeid uitgekeerd wordt, kleiner. Deze omstandigheden verhogen de kansen voor grote bedrijven om economische ‘baten’ op te hopen en stimuleren een toename van kapitaalstromen naar investeringen in hoogtechnologische bedrijven, waarvan de winsten zich ook zodanig vermenigvuldigen dat de ongelijkheid in welvaart toeneemt.

Groeiende precariteit en de gig-economie

Naast de hierboven genoemde trends en de wildgroei aan laagbetaald werk menen sommige wetenschappers dat arbeidsmarkten minder zekerheid bieden dan vóór het tijdperk van de globalisering (Standing, “Het concept van ongewis werk wordt niet alleen bepaald door het soort overeenkomst, maar heeft ook betrekking op de toereikendheid van het inkomen en sociale rechten”; 2011). Hoewel er talloze met elkaar in tegenspraak zijnde definities bestaan, is onzeker werk zichtbaar geworden in de verbreiding van nuluurcontracten, tijdelijke contracten en arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, alsook onvrijwillig deeltijdwerk of zzp’er en laagbetaald werk (McKay et al., 2012). McKay et al. (ibid.: 5) zeggen het zo: hoewel “voltijds, permanent werk de dominante vorm van de arbeidsrelatie blijft … is er een aanzienlijke groei opgetreden in een breed scala aan niet-standaard vormen van arbeidsverhoudingen met als gevolg dat een aanzienlijk aantal Europese werknemers nu uitgesloten is van sociale uitkeringen en / of arbeidsbescherming”. Het concept van precair werk wordt dus niet enkel gedefinieerd door soort contract, maar heeft ook betrekking op (zekerheid op) een adequaat inkomen en sociale rechten.

Het is echter gemakkelijk om de aard en het belang van deze opkomende trends te overdrijven en in het bijzonder de relevantie ervan voor het VK te overschatten. De werkgelegenheidsgraad en het aantal mensen met een volledige baan is het hoogste sedert het begin van de registratie van deze gegevens in 1971 (ONS, 2017). Sinds 2013 is het aandeel personen dat een deeltijdbaan heeft, omdat ze geen volledige baan konden vinden, gedaald van 18% naar ongeveer 12% (ibid.). Misschien verrassend is dat de gemiddelde lengte van een dienstverband de afgelopen 20 jaar gestaag is toegenomen (Gregg en Gardiner, 2015). Gregg en Gardiner (ibid.) onderscheiden drie groepen: de werkloze ‘kansarmen’; ‘onzekere’ werknemers, die in deeltijd werken of in een tijdelijke baan, geen arbeidsrechten opbouwen in verband met korte aanstellingen of die relatief slecht betaald worden; en de ‘bevoorrechten’, die vaker een volledige, stabiele baan of een gevestigde reputatie als zelfstandige hebben. Op basis van deze brede categorieën merken zij op: “er is weinig verandering in het algehele beeld van precariteit gekomen … met 32 procent van de beroepsbevolking (met uitzondering van voltijdstudenten) dat tot de groep ‘onzekere arbeidskrachten’ gerekend moest worden in 2014, vergeleken met 30 procent in 1994” (ibid.: 5). Ze zien echter ook dat jonge mensen steeds meer oververtegenwoordigd raken onder de groep onzekere werkers, terwijl steeds meer ouderen bevoorrechte arbeidsmarktposities bezetten. Bovendien is er “bewijs dat een tamelijk grote maar groeiende minderheid te kampen heeft met acute vormen van precariteit. De onzekerheid lijkt zich te hebben verdiept in plaats van verbreed” (ibid.: 9).

De Resolution Foundation meldt dat het gebruik van nuluurcontracten in het VK het afgelopen decennium snel gestegen is en waarschijnlijk veel hoger ligt dan de officiële cijfers. Nulurencontracten hangen samen met lage lonen en perioden van werkloosheid (Pennycook et al., 2013: 3). Hoewel sommige werknemers zouden kunnen profiteren van de grotere flexibiliteit, die deze contractvormen geven – en het is zelfs mogelijk dat ze het scheppen van banen bevorderen, omdat werkgevers de mogelijkheid hebben om niet-standaardcontracten aan te bieden – is de situatie voor veel van degenen, die vertrouwen op een stabiel inkomen, minder bevredigend; contracten van nuluren lijken een uiting te zijn van een ernstige wanverhouding in de machtsverhoudingen tussen werkgevers en werknemers (ibid.). Wanhopige mensen hebben geen andere keus dan om de kans op werk te accepteren, hoe uitbuitend of ontoereikend het ook mag zijn. Volgens de Social Market Foundation (2016) bijvoorbeeld, een denktank, verdient ongeveer de helft van de officieel geregistreerde zzp’ers minder dan het nationale minimumloon. Het is niet waarschijnlijk dat deze vormen van arbeid een positieve keuze voor een bepaalde levensstijl is, maar meer een afspiegeling van de moeilijkheden bij het vinden van voldoende betaalde arbeidskansen.

Kortom het bewijsmateriaal over onzekerheid op de arbeidsmarkt wijst op een verdere polarisatie van de arbeidsmarktresultaten. De zogenaamde ‘gig- of kluseconomie’ biedt mensen de mogelijkheid om flexibeler te werken, maar brengt ook het gevaar met zich mee van ongewisse en onregelmatige inkomsten. Daar komt bij dat ze zich slecht verdraagt met de bestaande toelagen en uitkeringen voor werkenden en werklozen.

Het basisinkomen: noodzaak gezien de technologische veranderingen?

Uitgaande van het feit dat bestaande trends zullen doorzetten en zelfs meer manifest zullen worden, hebben een aantal recente analyses het basisinkomen gepresenteerd als een onvermijdelijke – of op zijn minst gewenste – manier om met deze ontwikkelingen om te gaan (Lucarelli en Fumagalli, 2012; Hughes, 2014; Srnicek en Williams, 2015; en Walker, 2016). Lucarelli en Fumagalli (2008: 77) argumenteren dat “omdat het verband tussen productiviteitswinsten en de reële loondynamiek aan het instorten is en de weg vrij maakt voor een dramatische polarisatie in de inkomensverdeling … is een hernieuwd sociaal contract gebaseerd op een nieuw compromis tussen kapitaal en arbeid” steeds belangrijker geworden. Crocker (2015: 101) is een soortgelijke mening toegedaan en benadrukt dat een ubi nodig is om het niveau van de vraag van de consument in de economie te handhaven. In zijn woorden:

in een gedachte-experiment over een volledig geautomatiseerde economie met een machine aangesloten op de aarde om het totale bbp (bruto binnenlands product) te produceren, zouden er geen lonen zijn. Dit is de uiterste [consequentie] van [het meer geloofwaardige scenario van] dalende reële lonen. De vraagkant in de economie zou verdwenen zijn, in plaats van de onvolmaakte vraag die we nu hebben. Het is een Keynesiaans probleem.

Voor Srnicek en Williams (2015) is het basisinkomen een essentieel middel om het emancipatorisch potentieel van technologie terug te vorderen zonder haar (onvermijdelijke) opmars te stoppen; de traditionele instrumenten van links – staatseigendom, collectieve actie, herverdeling door genereuze sociale zekerheidsprogramma’s – zijn in toenemende mate contraproductief in de context van de snel veranderende wereldeconomie van vandaag.

Er zijn verschillende tegenwerpingen te verzinnen voor deze uiteenlopende, maar uiteindelijk harmoniërende stellingen. De ene is simpelweg dat zorgen over technologische werkloosheid overdreven en een vorm van effectbejag zijn. Dit kan waar zijn, maar is minder overtuigend met betrekking tot argumenten rond loonpolarisatie en onzeker werk, welke redelijk stabiele langetermijntrends lijken te zijn – hoewel we er niet helemaal zeker van kunnen zijn dat technologische veranderingen op zichzelf de schuldige zijn. Volgens Standing (2011) hebben tientallen jaren van neoliberale hervormingen de macht van het kapitaal ten koste van arbeid versterkt; “terwijl de globalisering voortschreed en overheden en bedrijven achter elkaar aanholden bij het flexibeler maken van de arbeidsrelaties, nam het aantal mensen in onzekere arbeidsvormen toe. Dit werd niet veroorzaakt door de technologie”. In ieder geval is het duidelijk, dat automatisering (en de dreiging ervan) één van de vele factoren is die de verstoring op de arbeidsmarkt, wat betreft de garantie op een goede en veilige baan, verergert; technologische verandering alleen is niet voldoende om te pleiten voor [de invoering van] een basisinkomen.

Op dit punt moet worden erkend dat technologische verandering een bijzonder krachtig argument vóór het basisinkomen is. Proberen de technologische veranderingen via het overheidsbeleid te vertragen of te beheersen, is beslist niet verstandig; er is een gevoel van onvermijdelijkheid betreffende de evolutie van de vooruitgang. Aan de andere kant zijn veel nadelige veranderingen op de arbeidsmarkt ontstaan ten gevolge van machtsonevenwichten – tussen mondiaal kapitaal, staten en burgers – die door het neoliberale overheidsbeleid zelf in het leven zijn geroepen. In deze visie kunnen er andere instrumenten dan het basisinkomen zijn, die direct om kunnen gaan met vijandige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, in plaats van eenvoudigweg de ergste effecten ervan te verzachten. In die zienswijze kan – en moet – de neergang van collectieve actie en progressieve belasting als middel om zich tegen het overwicht van het kapitalisme te verzetten, gestopt worden; maar het basisinkomen is noch nodig noch geschikt voor die taak. Voor sommige critici van het basisinkomen is de post-werkvisie, die een hightech toekomst in combinatie met een basisinkomen belooft, zelf een “slechte utopie voor links … Het is een gevaarlijk voorstel, dat ons in de greep houdt van het kapitaal, de staat en geld. Kortom, het maakt het kapitalisme sterker” (Dinerstein et al., 2016). Voor anderen zoals de technologie-ondernemers, de drijvende krachten achter de automatisering, is dit natuurlijk precies het punt. Maar afhankelijk van iemands diagnose van de problemen die zich voordoen, kan het basisinkomen een dure en inefficiënte manier blijken om iedereen een toereikend inkomen te garanderen – en één die er niet in zal slagen een gevoel van voldoening en betekenis te bereiken dat zinvolle arbeid kan brengen in iemands leven.

De betekenis van de toegenomen aandacht voor het beleid

Het lijkt onwaarschijnlijk dat technologische ontwikkelingen in de nabije toekomst zullen leiden tot massale technologische werkloosheid, hoewel het vooruitzicht een punt van zorg zal blijven. Een waarschijnlijker scenario is dat zichtbare trends – naar grotere contrasten in beloning en arbeidsvoorwaarden en tussen goede en slechte banen, naast de toename van steeds onzekerder werk voor velen – zullen doorgaan. De vraag is wat de politieke kansen zijn om daadwerkelijk een radicale hervorming als het basisinkomen in te voeren.

Een belangrijk aspect voor een verklaring van de huidige interesse in het basisinkomen is het feit dat het in staat is om de ‘beschermende’ en ‘productieve’ (activerende) dimensies van de verzorgingsstaat te overbruggen. Het dicht de tekorten in dekking af, die zo typerend zijn voor uitkeringen, die betaald worden uit de algemene middelen en die, welke opgebracht zijn door het afdragen van premies. Ondertussen worden armoede- en werkloosheidsvallen, kenmerkend voor inkomensafhankelijke uitkeringen, weggenomen, stimuleert het investeringen in menselijk kapitaal en stelt het mensen in staat een meer flexibel evenwicht te vinden tussen hun arbeidsmarktactiviteiten en zorgtaken. Deze functies van het basisinkomen vallen heel mooi samen met de voortdurende ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en met de reactie op het gevoerde beleid, die het gevolg is van hiaten en spanningen in bestaande verzorgingsstaatarrangementen.

Aan de andere kant lijkt de politiek in weerwil tot bestaande tendensen in de richting van versobering en steeds strengere en straffende voorwaardelijkheid te bewegen. De afloop van tegenstrijdige druk voor en tegen het basisinkomen als beleidsoplossing – en dus of het een echte en significante plaats verovert in de volgende fase van de hervorming van het Europese sociale zekerheidsbeleid – is hoogst onzeker. Zoals De Wispelaere (2016a: 617-18) opmerkt: “verhoogde beleidsaandacht en politieke steun geldt alleen als waardevolle hulpbron als het door effectieve wetgeving bekrachtigd kan worden. Geconfronteerd met de harde politieke realiteit van de hervorming van de verzorgingsstaat, aangejaagd door beginselen als activeren en bezuinigen, is de vraag hoe verder te gaan met het idee van een basisinkomen. De noodzaak om het basisinkomen hoger op de beleidsagenda te krijgen neemt een zekere politieke urgentie aan.” In deze context verkennen we kernvragen met betrekking tot de politieke haalbaarheid – en twee van de belangrijkste determinanten daarvan – op de volgende pagina’s.

Originele titel: Assessing the Case for a Universal Basic Income in the UK

Auteur/onderzoeker: Dr. Luke Martinelli, Institute for Policy Research (IPR) / Instituut voor Beleidsonderzoek, Universiteit van Bath / Verenigd Koninkrijk

Oorspronkelijke uitgave: september 2017

Vertaling: Florie Barnhoorn, oktober 2018

Foto: Copyright David P. Howard, hergebruik toegestaan onder cc-by-sa/2.0

Wordt vervolgd op 27 oktober 2018

Download een gratis pdf van de vertaling!


 

1. Een one-issuepartij, single-issuepartij of belangenpartij is een politieke partij die slechts voor een beperkt aantal doelen, als regel gerelateerd aan één politiek onderwerp of gericht op één doelgroep, opgericht is en waarvan de beginselen uitsluitend of praktisch alleen deze punten behandelen. Vaak wordt een dergelijke partij als protest tegen de grote, regerende partijen opgericht.

2. In een gig- of kluseconomie zijn tijdelijke, flexibele banen gebruikelijk en neigen bedrijven naar het inhuren van onafhankelijke contractanten en freelancers in plaats van fulltime werknemers. Een gig-economie ondermijnt de traditionele arbeidsmarkt van voltijdse werknemers, die zelden van positie veranderen en zich in plaats daarvan concentreren op hun levensloopbaan. Zie ook https://en.wikipedia.org/wiki/Temporary_work.

3. ‘Returns to scale’ verklaart de toenemende schaalopbrengsten door grotere efficiëntie, bijvoorbeeld doordat het bedrijf van kleine naar grote operaties overstapt. Het zegt iets over de kwantitatieve veranderingen en de snelheid van de toename van de output (productie) ten opzichte van de bijbehorende toename van de inputs (de productiefactoren), arbeid en kapitaal, op de lange termijn. Dalende rendementen op schaal treden op als het productieproces minder efficiënt wordt naarmate de productie wordt uitgebreid, zoals wanneer een bedrijf te groot wordt om effectief als een enkele eenheid te worden beheerd. Zie ook https://en.wikipedia.org/wiki/Returns_to_scale.

4. De Keynesiaanse economie is een economische theorie van de totale uitgaven in de economie en de effecten ervan op de output en de inflatie. De Keynesiaanse economie werd ontwikkeld door de Britse econoom John Maynard Keynes in de jaren dertig in een poging de Grote Depressie te begrijpen. Keynes pleitte voor hogere overheidsuitgaven en lagere belastingen om de vraag te stimuleren en de wereldeconomie uit de depressie te halen. Vervolgens werd de Keynesiaanse economie gebruikt om te verwijzen naar het idee, dat optimale economische prestaties kunnen worden bereikt – en economische achterstanden worden voorkomen – door de totale vraag te beïnvloeden door activistische stabilisatie en economisch interventiebeleid van de overheid. Keynesiaanse economie wordt beschouwd als een ‘vraagzijde’-theorie die zich richt op veranderingen in de economie op de korte termijn. Verder lezen https://en.wikipedia.org/wiki/Keynesian_economics.

5. Frictiewerkloosheid is dat deel van de werkloosheid dat veroorzaakt wordt door fricties op de arbeidsmarkt. Fricties (wrijvingen) tussen vraag en aanbod zijn onvermijdelijk bij een markt die zo complex is als de arbeidsmarkt. Arbeid is heterogeen: een aanbieder van arbeid kan niet willekeurig welke arbeid verrichten, zie ook https://nl.wikipedia.org/wiki/Frictiewerkloosheid.

6. Dit jaar zijn over dit onderwerp enkele lezenswaardige artikelen verschenen, zie bijvoorbeeld As wages soar for the rich, the UN is coming to investigate poverty in the UK; Sick and disabled Brits killed by the state – crime without punishment; United Kingdom: Study suggests that welfare conditionality does more harm than good; Final findings report: Welfare Conditionality Project 2013-2018.

7. Meer over PTR zie bijvoorbeeld dit document van de OECD, meer over METR zie bijvoorbeeld hier. De marginale belastingdruk is een percentage dat aangeeft hoeveel procent er wordt betaald over de laatstverdiende euro.

8. Productivisme is een vorm van economisch denken en handelen, waarbij de productiviteit centraal staat. Zo veel en zo snel mogelijk willen produceren tegen zo laag mogelijke kosten om zo veel mogelijk winst te kunnen maken is vaak het doel van een industrieel bedrijf, wat dus productivistisch genoemd kan worden. Iemand zal zichzelf weliswaar bijna nooit een productivist noemen, het zijn vaak de politieke protesten van tegenstanders, die iemand als een productivist bestempelen. Politiek contrasterende ideologieën zijn bijvoorbeeld: ecologisme, anarchisme en het socialisme.

9. Conjuncturele of cyclische werkloosheid is werkloosheid die verband houdt met schommelingen in de economische conjunctuur. In tijden dat het economisch wat minder gaat, worden minder nieuwe werknemers aangenomen, worden contracten niet verlengd, en mensen ontslagen. Ondernemers kunnen zich zelfs gedwongen zien hun bedrijvigheid geheel of gedeeltelijk te beëindigen.

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube