Akkoord van Wassenaar keerpunt in relatie regering en sociale partners: taboe op basisinkomen

Facebooktwitterlinkedinmail

Een wereldwijde crisis joeg begin jaren tachtig de werkloosheid in Nederland op tot boven de 600.000. Onder dreiging van overheidsingrijpen in de lonen sloten werkgevers en werknemers in 1982 het befaamde Akkoord van Wassenaar.

Een wereldwijde economische crisis zorgde er begin jaren tachtig voor dat het aantal werklozen in Nederland opliep tot meer dan 600.000. De oliecrisis van 1979 kwam hard aan, er dreigden massaontslagen. ‘1982 is geen jaar geweest waarop wij onverdeeld tevreden kunnen terugzien. Ons land werd geconfronteerd met stagnatie en achteruitgang in de economie, een trieste recordhoogte in de werkloosheid en een nog verder stijgend financieringstekort van de overheid’, zo meldt het SER -jaarverslag over 1982.
Het eerste kabinet-Lubbers (CDA-VVD, 4 november 1982 tot 14 juli 1986) had bij de start te maken met een financieringstekort van bijna 12 procent en kondigde daarom grote bezuinigingen aan. Het kabinet dreigde met een loonmaatregel. Hierdoor kwamen de arbeidsverhoudingen in Nederland in het geding, omdat het ging om de kernwaarde van de vakbeweging: het vrij onderhandelen over cao’s.
Centrale werkgevers- en werknemersorganisaties gingen om tafel binnen de Stichting van de Arbeid en sloten op 24 november 1982 het Akkoord van Wassenaar. Dit maakte een einde aan de in de jaren zeventig ontstane polarisering. De tekst paste op anderhalf A4’tje, maar had grote invloed. Uitgangspunt was: werk gaat boven inkomen. Afgesproken werd een vierjarige periode van loonmatiging. In ruil hiervoor kregen de werknemers arbeidsduurverkorting terug. Daardoor liep de werktijd in veel sectoren terug van 40 tot 38 uur per week.

Eigen verantwoordelijkheid
De arbeidsduurverkorting maakte de loonmatiging voor de vakbonden acceptabel. Volgens hen moest de werkloosheid primair worden bestreden door het bestaande werk te herverdelen door iedereen korter te laten werken. ‘De torenhoge werkloosheid was toen de échte aanleiding voor wat er in de dagen daarna is gebeurd’, aldus toenmalig vakbondsleider en SER -raadslid Wim Kok in 1997 in het SER-bulletin. Hij ondertekende het akkoord in zijn rol van FNV-voorzitter namens de werknemers. Kok karakteriseerde het akkoord als ‘een keuze van verantwoordelijke mensen voor een eigen rol in het geheel, in plaats van te zeer afhankelijk te zijn van keuzes die de overheid oplegt’. ‘Ook als vakbeweging vonden we dat het zo niet verder kon met die werkloosheidsstijging. Als je dan een loonmaatregel ziet aankomen waardoor de regering het overneemt en je als vakbeweging met lege handen staat, is het beter zelf verantwoordelijkheid te nemen.’ Ook ex-premier Ruud Lubbers meende achteraf dat zijn dreigement om in te grijpen in de lonen ‘op z’n zachtst gezegd een handje geholpen heeft om dat akkoord van Wassenaar te krijgen’, zo verklaarde hij in dezelfde SER -bulletin. Naar aanleiding van het akkoord zegde het kabinet toe niet langer van bovenaf in te grijpen in de loononderhandelingen. Dat was sinds eind jaren zestig elf keer voorgekomen. Loonvorming moest weer primair een taak van de sociale partners worden.

Studeerkamer
De officiële naam van het centrale akkoord luidt Centrale aanbevelingen inzake aspecten van een werkgelegenheidsbeleid. De naam waaronder het bekendstaat, dankt het aan de plaats waar het werd gesloten: in de studeerkamer van de villa in Wassenaar van Chris van Veen (1922-2009). Hij ondertekende namens de werkgevers. CHU-politicus Van Veen was van 1974 tot 1984 de eerste fulltimevoorzitter van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO). ‘Ik heb nooit enige twijfel over de betekenis van dat akkoord gehad’, zei hij in het SER -bulletin van 1997. ‘Het ligt aan de basis van wat daarna sociaal-economisch is bereikt. De wissel naar loonmatiging is toen overtuigend omgezet.’ De in het akkoord overeengekomen loonmatiging had gunstige gevolgen voor de Nederlandse economie. De concurrentiepositie van het bedrijfsleven verbeterde en de export steeg. Wel ging het herstel moeizaam en met schokken. ‘Het duurde bijna tien jaar voor het akkoord werkte’, zo stelde Paul de Beer, destijds medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in het SER-bulletin van 2003 in een artikel naar aanleiding van twintig jaar Akkoord van Wassenaar.
Ondanks de arbeidsduurverkorting scoorde Nederland tot in de tweede helft van de jaren tachtig nog veel slechter op werkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid dan de omringende landen. De verborgen werkloosheid was hoog en de toestroom in de WAO liep op. Uit twijfel of volledige werkgelegenheid ooit zou terugkeren, pleitten sommigen voor invoering van een gegarandeerd basisinkomen. 
Het Akkoord van Wassenaar werd gesloten binnen de Stichting van de Arbeid. De SER speelde een grote rol in het vervolg. De raad bracht drie maanden later, op 18 februari 1983, namelijk het advies Wetgeving Inkomensvorming uit. Daarin werd een aantal belangrijke punten van het akkoord uitgewerkt. Zo formuleerde de SER nieuwe uitgangspunten voor de wettelijke regeling van de loonvorming. Loonvorming is in principe een kwestie tussen werkgevers en werknemers, aldus de SER , maar in speciale omstandigheden (oorlog, rampen) moet de regering toch kunnen beschikken over de wettelijke mogelijkheid om in de lonen in te grijpen. Ook vond de SER dat regering en sociale partners onder alle omstandigheden regelmatig met elkaar moeten overleggen over het sociaal-economisch beleid.
Dit op consensus gerichte overleg tussen bedrijven, werknemers en overheid maakte naam als het ‘poldermodel’.

 

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube