Arbeid, vrijheid, basisinkomen (1997)

Facebooktwitterlinkedinmail
philippevanparijs
philippe van parijs

Na een heldere en faire uiteenzetting maakt Toon Vandevelde in Tijdschrift voor Filosofie, Leuven, 59 (4), 1997, pp. 698-701 (origineel artikel niet kunnen vinden red.)  een reeks kritische bemerkingen op centrale aspecten van het boek Real Freedom for All. In deze korte reactie zal ik niet pogen aan elke van deze bemerkingen de aandacht te schenken die ze zou verdienen.(1) Ik zal me op één enkel punt concentreren, maar wel één dat van centraal belang is voor het thema van de studiedag waarvoor zijn stuk geschreven werd. Is er geen onoplosbare spanning tussen mijn stelling dat de invoering van een onvoorwaardelijk basic income goed zou zijn voor vrijheid en mijn stelling dat die goed zou zijn voor arbeid? Is er geen fatale contradictie tussen mijn esoterische filosofische rechtvaardiging van het hoogst mogelijk basisinkomen op basis van een libertaire rechtvaardigheidsopvatting en mijn “exoterisch” politiek pleidooi voor een laag basisinkomen als centraal element van een tewerkstellingsbeleid?

Toon Vandevelde heeft gelijk dat ik de twee rechtvaardigingen wat selectief gebruikt volgens dat het publiek waartoe ik me richt uit graag geprovorceerde academici of ernstige beleidsmensen bestaat. Maar de tweede rechtvaardiging, juist geformuleerd, is een onderdeel van de eerste. En de eerste is ook voor het tweede publiek van groot belang.
Ja, een basisinkomen is goed voor arbeid, tenminste wanneer het ingevoerd wordt in een context zoals de onze waarin een groeiende proportie van de volwassene bevolking er niet meer in slaagt op de arbeidsmarkt een inkomen te verdienen dat tenminste gelijk is aan de uitkeringen die de welvaartstaat aan de werklozen gunt.(2) Want het zou ertoe bijdragen van het recht op arbeid terug een werkelijkheid te maken, via twee verschillende mechanismen: 1. Het is een vorm van subsidiëring van weinig productieve activiteiten die vandaag niet kunnen bestaan; 2. Het is een vorm van subsidiëring voor de arbeidstijdverkorting van mensen die nu een baan hebben.
Andere vormen van systematische subsidiëring van weinig productieve activiteiten — bij voorbeeld het massaal tewerkstellingsubsidieprogramma dat laatst door de Amerikaanse econoom Edmund Phelps (1997) voorgesteld werd — zouden duurzaam een hoger volume arbeidsuren kunnen genereren, omdat ze niet tegelijkertijd een arbeidsduurverminderingmechanisme bevatten. Ze zijn daarom beter dan een basisinkomen wanneer het ultiem doel “busi-ness” is (de mensen bezig houden) — zoals in de bekende, door Phelps tweemaal geciteerde, maxiem van President Coolidge: “America’s business is business”. Maar indien onze business niet business is maar fairness, een rechtvaardige, niet-discriminerende, verdeling van de levenskansen, dan zien de zaken er anders uit. Dan blijft toegang tot betaalde arbeid zeer belangrijk, om de verschillende redenen die Toon Vandevelde terecht beklemtoont, maar niets belet nu, integendeel, dat deze toegang tot arbeid voor allen ook bevorderd wordt op een ander wijze, door de mensen mogelijk te maken minder te werken, dank zij het toekennen van een onvoorwaardelijk basisinkomen.
Het is dus waar dat een basisinkomen “goed is voor arbeid”, maar tussen de verschillende strategieë die dit zijn kan men alleen resoluut voor een basisinkomen kiezen op basis van een bepaalde opvatting over sociale rechtvaardigheid. Zulk een opvatting heb ik uitgewerkt in mijn boek en samengevat in de ietwat misleidende maar doeltreffende slogan “Real Freedom for All”. Ze bestaat uit drie componenten: formele vrijheid (of zelfbeschikking), ongedomineerde diversiteit en de verdeling van wat we buiten onze talenten gegeven worden op zulk een wijze dat degene die het minste krijgt zoveel mogelijk krijgt (“maximin external endowments”). Het is belangrijk in te zien dat dit laatste element, dat Toon Vandevelde onder de label “billijkheidsprincipe” bespreekt, dus geen alternatief of complementair ethisch argument biedt voor een basisinkomen, maar een cruciaal element vormt in de reallibertarische rechtvaardiging ervan. In Real Freedom for All wordt niet beweerd dat de “hoeveelheid” vrijheid waarover de minst begoede zouden beschikken in een basisinkomeregime groter zou zijn dan, bij voorbeeld, in een Phelpsiaans tewerkstellingssubidieregime. Wat beweerd wordt is dat de externe hulpbronnen die het substratum van onze reële vrijheid vormen in een basisinkomenregime (ceteris paribus) op een meer faire, onpartijdige wijze verdeeld zouden zijn dan in een Phelpsiaans regime, waar een discriminerend privileeg gegeven wordt aan en bepaald gebruik van die reële vrijheid, namelijk loonarbeid. Wat dit juist betekent, waarom het zo is en waarom dit belangrijk is wordt in het cruciaal hoofdstuk 4 van Real Freedom for All uitgelegd.
Om het nog anders uit te drukken: basisinkomen is goed voor arbeid, maar om te begrijpen waarom het een voorkeur gegeven moet worden boven andere voorstellen die even goed of zelfs beter voor arbeid uitvallen moet men beroep maken op een bepaalde soort rechtvaardigheidsopvatting, nl. een opvatting die een egalitaire (of maximin) verdeling eist van reële vrijheid, van mogelijkheidhen, van wat ons gegeven is (eerder dan van wat we ermee doen, van uitslagen, van verwezenlijkingen). De nauwkeurige formulering en verdediging van een zulke rechtvaardigheidsopvatting is geen gemakkelijke zaak — anders had Real Freedom for All veel korter kunnen zijn. Maar de intuïtieve kern — laat ons onpartijdig verdelen al hetgene dat we, in de breedste zin, krijgen — is plausiebel genoeg om de hierop steunende argumentatie ook buiten de kringen van gesofistikeerde wijsgeren gebruikt te kunnen worden. Het tewerkstellingargument is belangrijk, en kan ook soms op een ad hominem wijze doeltreffend gebruikt worden losgekoppeld van de bredere reallibertarische argumentatie, maar het kan alleen voldoende zijn wanneer het binnen het kader van deze argumentatie opgenomen wordt.
Er is dus volgens mij geen problematische spanning tussen mijn esoterische libertaire argumentatie en mijn exoterische labouristische argumentatie. Maar dit betekent niet dat uit mijn stellingen geen oncomfortabele implicaties volgen in verband met arbeid en vrijheid (en hun relatie), implicaties die suggereren dat ikzelf, in “reflective equilibrium”, intrinsiek belang toekent aan andere beschouwingen dan wat in “de grootste reële vrijheid voor allen” geïntegreerd kan worden. Hier zijn twee voorbeelden: 1. Veronderstel dat na de invoering van het hoogst houdbaar basisinkomen de vrouwen, maar niet de mannen, massaal uit de arbeidsmarkt treden. Men mag goede redenen hebben om eraan te twijfelen dat dit zou gebeuren, maar het is niet logisch onmogelijk. Indien het zou gebeuren, zouden we het storend vinden? 2. Veronderstel dat na de invoering van het hoogst houdbaar basisinkomen de katholieken, maar niet de protestanten, massaal uit de arbeidsmarkt treden, en dat de protestanten meer dan ooit blijven werken, niet omdat ze meer plezier ondervinden bij het werken, ook niet omdat ze een hoger inkomen willen verdienen dan de katholieken — wat het voorbeeld voor mij onproblematisch zou maken —, maar uit een zuivere morele plicht. Indien dit zou gebeuren, zouden we het storend vinden?
Positieve antwoorden op die twee vragen impliceren niet noodzakelijk dat een reallibertaristische rechtvaardigheidsovatting inadekwaat is: niet te onredelijke onrechtstreekse, instrumentele strategieën staan misschien beschikbaar om aan te tonen dat ook vanuit het standpunt van “real freedom for all” zulke situaties vermeden moeten worden — verval van de vaardigheden, en dus van de toekomstige reële vrijheid, van de werkverlatende vrouwen, sociale cohesie die voor de politieke haalbaarheid van een rechtvaardige verdeling nodig is, veralgemening van het arbeidsethos om het niveau van het basisinkomen te maximiseren? Maar misschien kunnen zulke beschouwingen het gevoel niet wegwerken dat de hierboven vermelde hypothetische situaties storend zijn om diepere redenen, onafhankelijk van de contingente gevolgen die ze zouden kunnen hebben voor de reële vrijheid van de minst vrijen. En dan zou Toon Vandevelde gelijk hebben wanneer hij herhaaldelijk in zijn tekst beweert dat — in “reflective equilibrium” — ons ideaal van een rechtvaardige, of misschien eerder van een goede maatschappij, belangrijke elementen inhoudt — politieke participatie en een voldoende aanbod van publieke goederen bij voorbeeld — die zich niet tot “real freedom for all” laten reduceren. Dat zou niet het einde van het verhaal betekenen, maar eerder een nieuw begin: het begin van nog een andere poging om onze weloverwogen morele oordelen op een expliciete, systematische, coherente, preciese en toch niet te ingewikkelde wijze uit te drukken.
Indien Toon Vandevelde een zulke taak onderneemt wens ik hem hulp te vinden van dezelfde soort en kwaliteit als hij me grootmoedig heeft verleend op deze en andere gelegenheden, door zijn zorvuldige, scherpzinnige, verhelderende kritische commentaren.
Philippe Van Parijs
(1) Variantes van sommige van deze bemerkingen heb ik reeds besproken (vermoedelijk niet altijd tot Toon Vandeveldes bevrediging) in Van Parijs (1997a, 1997b, 1997c, 1997d). Zie ook het uitvoerig antwoord van mijn bondgenoot Robert van der Veen (1997) op Barry (1996).

(2) De onderliggende diagnose schets ik in Van Parijs (1996).
Overige Artikelen van Philippe van Parijs: http://www.uclouvain.be/8609.html
Biografie
Philippe Van Parijs, geboren in 1951, is als gewoon hoogleraar verbonden aan de UCL (Chaire Hoover d’éthique économique et sociale). Hij publiceerde onder andere Qu’est-ce qu’une société juste? (Parijs, 1991), Marxism Recycled (Cambridge, 1993) en Real Freedom for All (Oxford, 1995).
Literatuur
  • Barry, Brian. 1996. “Real Freedom and Basic Income”, Journal of Political Philosophy
  • 4, 242-276.
  • Phelps, Edmund S. 1997. Rewarding Work, Cambridge (Mass.): Harvard University Press.
  • van der Veen, Robert J. 1996. “Real Freedom and Basic Income. Comment on Brian Barry”, Journal of Political Philosophy 5, 274-286
  • Vandevelde, Toon. 1997. “Basisinkomen, arbeid en reële vrijheid: over het werk van Philippe Van Parijs”, Tijdschrift voor Filosofie.
  • Van Parijs, Philippe. 1996. Van valkuil naar sokkel. Het basisinkomen als strategie tegen de werkloosheid, Kultuurleven 63 (8), 72-79.
  • Van Parijs, Philippe. 1997a. “Reciprocity and the Justification of an Unconditional Basic Income. Reply to Stuart White”, Political Studies 45 (2), 327-330.
  • Arneson, Fleurbaey, Melnyk and Selznick”, The Good Society 7 (1), 42-48.
  • Van Parijs, Philippe. 1997c. “Justice as the Fair Distribution of Freedom: Fetishism or eds.), London: Routledge, 197-205.
  • Van Parijs, Philippe. 1997g. “The Need for Basic Income. Interview with Chris
Facebooktwitterlinkedinrssyoutube