Basisinkomen, asociaal of onbetaalbaar?

Facebooktwitterlinkedinmail

Basisinkomen is asociaal of onbetaalbaar. Deze simpele uitspraak is voor veel tegenstanders van basisinkomen voldoende om het gesprek over basisinkomen af te sluiten. Kunnen we hen weg laten komen met dit statement?

Sommige tegenstanders van basisinkomen erkennen dat het idee van basisinkomen heel goede intenties heeft, zoals het vergroten van de vrijheid van mensen, het bestrijden van de armoede en het vereenvoudigen van de inmiddels zeer complexe stelsels voor de sociale zekerheid en de belastingen.
Na deze welwillende woorden volgt dan vaak de verzuchting dat het helaas niet zal kunnen werken.
Een voldoende hoog basisinkomen kost ontzettend veel. Om iedereen uit de armoede te halen is € 1.500 per maand waarschijnlijk niet voldoende en dat kost dus in Nederland meer dan € 200 miljard. De loon- en inkomstenbelasting moet dan minstens stijgen tot 70 % en dat zal bijna iedereen de motivatie ontnemen nog deel te zoeken naar betaalde en fiscaal belaste inkomsten. Of uitsluitend zwart gaan werken.
Het andere uiterst in deze redenering is dat je niet meer wilt uitgeven dan wat nu omgaat in sociale zekerheid, heffingskortingen, toeslagen en aftrekposten (verder aangeduid als steunfaciliteiten). Als je al die steunfaciliteiten afschaft en het geld in één pot stopt die je dan verdeelt over iedereen, krijgt iedereen € 600 tot € 800 per maand. Dat is onvoldoende om van te kunnen leven. Het heeft dus absolute armoede tot gevolg voor degenen die niet in staat zijn om iets bij te verdienen.
De eerste variant wordt soms een links basisinkomen genoemd, de andere een rechts basisinkomen.

Simpel conclusie: basisinkomen is asociaal of onbetaalbaar.
Einde discussie.

Maar op deze redenering valt toch wel wat af te dingen. Ik ga hieronder afzonderlijk in op de kortzichtigheid van de redenering en op de kennelijke onwil om tussenwegen te zoeken.

Vrijwel alle rekensommen die vandaag aan de dag gemaakt  worden over basisinkomen zijn erg kortzichtig. De sommen blijven  dicht bij de patronen van inkomsten en uitgaven die we nu kennen. Het inschatten van gedragseffecten na invoering van basisinkomen is heel lastig. Gaan mensen meer (betaald) werken of juist minder, krijgen kleine bedrijfjes meer kansen, hoe ontwikkelt het zwarte circuit zich, wat is het effect van verminderde stress op volksgezondheid en veiligheid, we weten er onvoldoende van.
Tegenstanders zullen vermeende voordelen niet mee willen tellen, ze zijn immers nog onbewezen. Voorstanders doen dat ook maar niet om gemakkelijke kritiek te ontlopen.
Opvallend is ook dat deze tegenstanders eigenlijk alleen maar de belastingdruk op betaalde arbeid leggen. Daarbij miskennen ze andere grondslagen voor belastingheffing, zoals bijvoorbeeld omzet (waaronder BTW) , gebruik van grondstoffen, vermogen, diverse bedrijfsbelastingen, erfenissen en financiële transacties.
Het is bovendien riskant om gezien de toenemende robotisering alle kaarten op het belasten van menselijke arbeid te zetten.
Wat we kunnen doen om deze kortzichtigheid te verkleinen?  In de eerste plaats beter onderzoek dan tot nu toe is gebeurd om ook de positieve effecten wel in te kunnen schatten. Daarbij moeten we ook andere belastinggrondslagen  verkennen  goede gerichte experimenten uitvoeren op de punten waar de onzekerheid het grootst is.
Ik merk daarbij op dat he nog een hele kunst zal zijn om goed te omschrijven wat je met een experiment wit onderzoeken en dan ook nog eens goede condities te maken voor een daarvoor noodzakelijke  aanpak van het experiment.

Dan de onwil.
De onwil om tussenwegen te zoeken zit aan twee kanten.
De meest geharde voorstanders vinden dat zo snel mogelijk een basisinkomen van minsten € 1.500 ingevoerd moet worden. Minder is niet genoeg, dan blijft de armoede of de afhankelijkheid van aanvullende regelingen in stand.
Een laag bedrag is wellicht betaalbaar, maar de resulterende armoede is niet acceptabel. Als je aanvullende regelingen nodig hebt, blijft het hele complexe stelsel in stand.
Dat laatste is mijns inziens een verkeerde voorstelling van zaken.
Je kunt zoeken naar een compromis met een hoogte van het basisinkomen die voor grote groepen voldoende is en aanvullingen voor een beperkte groep en dus een flinke verkleining van de complexiteit.
Als dat lukt, is er voor heel veel mensen heel veel gewonnen! Mogelijk niet voor iedereen, maar is dat een reden om maar niks te doen?

Hieronder zal ik trachten de opties voor zo’n compromis te verkennen. Combinaties zijn uiteraard ook mogelijk. Een uiteraard is iedereen welkom om met betere suggesties voor een tussenoplossing te komen!

  1. Geef iedereen basisinkomen, schaf alle steunfaciliteiten af en maak een hardheidsfonds

Deze optie is snel opgeschreven, maar zal in praktijk wel flinke problemen oproepen. Uiteraard moet toch eerst een inschatting gemaakt worden van de omvang van de problemen die opgelost moeten worden via dit fonds, en dus van de er voor benodigde hoogte en de organisatie van de uitvoering.
Waarschijnlijk kom je dan in praktijk toch op een van de volgende opties.

  1. Zoek groepen uit waar je begint met het vervangen van uitkeringen door basisinkomen

Deze optie heeft als voordeel dat je snel kunt beginnen met groepen die op dit moment evident in de knel zitten. Denk bijvoorbeeld aan oudere werklozen, waar nu in de pers veel aandacht voor is.
Een nadeel van zo’n optie is dat je vooral bezig bent in het domein van de sociale zekerheid en niet of veel mindere in het fiscale regime.

  1. Geef iedereen een basisinkomen en verreken dit met de bestaande steunfaciliteiten

Deze optie betekent dat de bestaande belastingfaciliteiten en sociale zekerheidsregelingen in principe in tact blijven, maar wel aangepast worden door bedragen te verlagen (bijvoorbeeld bij de heffingskortingen) of rekening te houden met het basisinkomen (bijvoorbeeld bij de uitkeringen en de toeslagen).
Deze optie kan zowel bij een hoog als bij een laag basisinkomen toegepast worden. Hoe hoger het basisinkomen, hoe meer steunfaciliteiten vervallen en/of minder zullen kosten en de uitvoeringsorganisatie kan krimpen.
Deze optie zou ook geleidelijk ingevoerd kunnen worden. Begin bijvoorbeeld met een basisinkomen van € 400 per maand en hoog dat eens in de twee jaar op met € 200.
Om te weten hoe snel deze methode effect heeft op grote groepen mensen, is een vrij precieze doorrekening nodig. De daarvoor noodzakelijk gegevens over de frequentieverdeling en de hoogte van het gebruik van de steunfaciliteiten zijn op dit moment niet voorhanden voor alle steun-faciliteiten.
Die gegevens zijn ook nodig om het kostenplaatje rond te kunnen maken en in te kunnen schatten hoeveel er bespaard kan worden op het uitvoeringsapparaat.
De optie leidt onmiddellijk tot een vereenvoudiging van het belastingstelsel en bevrijdt, ook bij lagere bedragen, een deel van de uitkeringstrekkers uit het huidige knellende regime.
Een voorbeeld van het laatste: met een basisinkomen van € 700 à € 800 kunnen alle bijstandsgerechtigden die samenwonen uit het huidige regime komen. Dat is meer dan de helft van de betrokkenen!

  1. Geef naast basisinkomen een aantal gerichte eenvoudige toeslagen en verreken die samen met de bestaande steunfaciliteiten.

De voorgaande optie zou verbeterd kunnen worden door na te gaan waar op dit moment de grootste knelpunten zitten. Daarvoor is dan wel enige verkenning nodig.
Het lijkt mij duidelijk dat alleenstaanden aanmerkelijk meer gebruik moeten maken van steunfaciliteiten dan samenwonenden.
Ook kinderen geven in een huishouden een kostenpost waarvoor de huidige kinderbijslag onvoldoende is, zeker als ze behoren tot een één-ouder gezin. Er zijn ook verontrustende berichten dat inmiddels meer dan 10% van de kinderen in Nederland in armoede op groeit.

Dat laatste is vrij eenvoudig aan te pakken door de kinderbijslag te veranderen in een kinderbasisinkomen van € 200 of € 300 per maand. Daarmee wordt de ergste kinderarmoede bestreden en zal minder dan nu een beroep gedaan hoeven te worden op het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag. Wat dat precies kost en oplevert kan eerst nader uitgezocht worden.
Of we beginnen gewoon met eerst € 100 euro per maand en dan geleidelijk ophogen.

Iets specifieks regelen voor alleenstaanden is vanuit de optiek van basisinkomen lastig. Dat druist in tegen het individuele karakter.
Maar er zou best nagedacht kunnen worden om naast een basisinkomen (zolang en voor zover dat niet hoog genoeg is) een toeslag voor alleenstaanden te bedenken. Wil je de controle op tandenborstels voorkomen dan kun je nadenken over een woontoeslag per officieel adres.

Conclusie

Dat basisinkomen asociaal of onbetaalbaar is, is een onterechte en gemakzuchtige dooddoener.
Wie er voor open staat, kan nader onderzoek doen, experimenten bedenken of een compromis zoeken voor een haalbaar basisinkomen gecombineerd met belastingvereenvoudiging en behoud van een deel van de sociale zekerheid.

Reyer Brons, 7-12-2017

 

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube