Basisinkomen: eenvoud én rechtvaardigheid

Facebooktwitterlinkedinmail

In het FD stonden in februari meerdere artikelen over basisinkomen. Michiel van Hasselt verbaast zich over de positieve start gevolgd door het gemakzuchtig neer sabelen van een aantal varianten. Alsof de argumenten van 20 jaar geleden op dit moment nog even relevant zijn.

Lien van der Leij gaf het in FD 17/2 mooi weer, de bijeenkomst “Basisinkomen ja of nee” in de Keizersgrachtkerk 15/2. Als FD lezer en als deelnemer aan de bijeenkomst was ik aangenaam verrast door haar onbevangen rapportage. Zij gaf geen blijk van de vooringenomen afwijzing van het idee basisinkomen die het FD en andere media meestal ten toon spreiden. Ze onderkende dat ‘invoering basisinkomen’ een issue kan worden bij de Tweede Kamer verkiezingen 2021.

Maar net als je denkt dat het FD nu meer open staat voor het politieke idee dat de Nederlandse staat aan haar volwassen burgers het recht kan geven op een basaal inkomen (“bestaanszekerheid”) valt het FD weer terug in zijn vooringenomen scepsis, die tegenstanders van het basisinkomen al in de vorige eeuw verwoordden (in “Basisinkomen sluitstuk van de verrzorgingsstaat?”1995). Kleintje Groot (FD 18/2/2020) herhaalt de bezwaren van toenmalige tegenstanders zonder te beseffen dat de voorstanders van basisinkomen na 1995 hun voorstel zodanig aangepast hebben dat de bezwaren uit de vorige eeuw nu ondervangen zijn.

Het eerste bezwaar dat Groot noemt is: “doorrekeningen laten zien dat een basisinkomen ofwel te laag uitvalt om alle mensen een fatsoenlijk bestaan te garanderen ofwel te hoog is om betaalbaar te zijn” Er zijn nu (in de vereniging basisinkomen mmv NIBUD, in de FNV, in de Vrijzinnige Partij mmv CPB en in het komende boek “burgerinkomen.nl 202?”) diverse aangepaste voorstellen doorgerekend: basisinkomens die niet te laag zijn om van te kunnen leven en toch betaalbaar zijn zonder dat de belastingen de pan uit rijzen.

Het tweede bezwaar dat Groot noemt is de aanzuigende werking van basisinkomen op immigratie. Dit bezwaar is ondervangen door het recht op (uit Nederlands belastinggeld betaald) basisinkomen alleen te geven aan  burgers die meer dan 18 jaar legaal in Nederland wonen (zie het FNV model: basisinkomen “een AOW” vanaf 18 jaar”).
Groot denkt dat het basisinkomen er wel in de toekomst kan komen wanneer robots het werken overbodig maken. Maar hij ziet niet dat in het verleden al een halve eeuw lang de hoeveelheid “onbenut arbeidspotentieel” niet kleiner wordt en veel te groot blijft om ooit in de toekomst aan iedereen in de beroepsgeschikte leeftijd werk en bestaanszekerheid te kunnen geven (zie AIAS/HSI 2018 “Een halve eeuw arbeidsmarkt” figuur 8).

Na Kleintje Groot publiceerde FD 22/2/2020 “Dilemma van het basisinkomen: eenvoud of rechtvaardigheid?” Onder deze kop lijkt Vandenbroucke “het” basisinkomen te vereenzelvigen met ‘eenvoud’ en de status quo met ‘rechtvaardigheid’. Is allebei onjuist. Menig voorstel voor een basisinkomen is niet alleen op eenvoud maar ook op rechtvaardigheid gericht. Zo’n voorstel noem ik “BurgerInkomen”, want zo vermijd ik de verwarring die ontstaat wanneer politiek divers denkende mensen die ene term ‘basisinkomen’ gebruiken voor inhoudelijk verschillende  basisinkomens. “Het” basisinkomen bestaat niet. Een boek over BurgerInkomen, met inbegrip van belastingherziening gericht op eenvoud én op versterking van het draagkrachtbeginsel (= rechtvaardigheid), zal in augustus verschijnen.

Nu beperk ik me tot een ander basisinkomenvoorstel  dat in Amsterdam door Wouter Keller werd gepresenteerd en voorwerp is van Vandenbroucke’s beschouwing in FD. Vandenbroucke noemt Kellers basisinkomen ‘universeel’ als ware het onvoorwaardelijk maar ziet wel dat Keller rekening houdt met de kenmerken van huishoudens. Hij geeft aan dat Kellers vlaktaks tot onrechtvaardigheid kan leiden – een “trade off” tussen eenvoud en rechtvaardigheid.

Wat betreft Kellers basisinkomen heeft Vandenbroucke hier mijns inziens gelijk, maar voor andere basisinkomens is de trade off niet van toepassing. En ook op Kellers eenvoud valt nog wel iets af te dingen, hij miskent dat het rekening houden met huishoudenkenmerken in de basisinkomenpraktijk allesbehalve eenvoudig zal zijn; want huishoudens veranderen veelvuldig van samenstelling/kenmerken, wat vaak (per abuis of expres) niet op tijd wordt doorgegeven aan de belastingdienst die de basisinkomens op tijd moet uitkeren (aan wie in het huishouden?).
Vandenbroucke doet alsof Kellers basisinkomen “het” basisinkomen is en alsof zijn terechte bezwaren hiertegen ook zouden gelden voor andere basisinkomenvarianten.

Het is jammer dat hij niet duidelijker aangeeft dat het ene basisinkomen het andere niet is. Zoals het ook jammer is dat hij wel aangeeft dat het CPB nog steeds meent dat het basisinkomen het arbeidsaanbod 3,3% doet  dalen.
Deze aanname was in de vorige eeuw aannemelijk. Nu niet meer,  Peter Lindert bewees in 2004 in zijn grote empirisch onderzoek “Growing Public” dat ontwikkelde landen met veel “social spending” niet minder werkgelegenheidsgroei hadden dan dito landen met weinig “social spending”. Rutger Bregman bewees in 2014 dat Gratis Geld” geven her en der in de wereldgeschiedenis geen nadelige gevolgen had voor de economieën waarin dit gebeurde.

Utrecht, februari 2020, Michiel van Hasselt, socioloog
Afbeelding van Michael Bußmann via Pixabay

Nadat dit artikel was afgerond, verscheen op 28-2 een artikel in het FD waarin het basisinkomen met de gebruikelijke oude argumenten werd afgeserveerd en wel positief gedaan werd over basisbanen: Basisinkomen en basisbaan – waarom idealen het verliezen van de realiteit.

…..

Facebooktwitterlinkedinmail