Basisinkomen en de geperverteerde wereld-arbeidsmarkt

Facebooktwitterlinkedinmail
In de discussies over het basisinkomen gaat het meestal over de “betaalbaarheid” en de “luiheid”. Wil een basisinkomen betaalbaar zijn dan zou het te gering zijn om enig effect te hebben, terwijl een volwaardig basisinkomen veel te veel zou kosten. Vaak hoor je ook dat het basisinkomen een beloning zou zijn voor luiheid. Maar het morele argument, je moet werken voor je brood, blijkt meestal het grootste obstakel voor een zinvol debat.

In onze benadering is een OBI (onvoorwaardelijk basisinkomen) op de eerste plaats een fundamentele verandering in het economisch stelsel. De relatie tussen inkomen en arbeid wordt immers (gedeeltelijk) verbroken. Het debat over het OBI moet volgens ons dan ook in de eerste plaats gaan over de vraag of het economisch stelsel beter zou functioneren met een OBI dan het huidige stelsel; niet alleen wat betreft de welvaart en de verdeling daarvan, maar ook wat betreft de verhouding in de samenleving en tot de ecologie. Teneinde enige grip te krijgen op deze relaties is het belangrijk om ze in een historische context te zien.

Historisch perspectief

– De economische en financiële crisis

De huidige economische crisis wordt veelal gezien als een crisis van het financiële systeem. Dat was ook het geval bij de crisis van 1929 toen de crash op de aandelenmarkt van New York de crisis van de jaren dertig inluidde die tot aan de tweede wereldoorlog de westerse economieën in zijn greep hield. Het bracht het kapitalistische systeem aan het randje van de afgrond.

De diagnose was in die tijd gestoeld op de klassieke economische theorie die voorschreef om te wachten “totdat de markten tot een nieuw economisch evenwicht tot stand zouden hebben gebracht”. Nu weten we dat dit niet het beste advies was zoals J.M. Keynes in zijn “General Theory” heeft aangetoond. De conclusie van Keynes was dat het evenwicht met volledige werkgelegenheid dat volgens de klassieke theorie logisch was omdat er nog zo veel onvervulde wensen waren in de samenleving, slechts een van alle mogelijke evenwichten was, waarvan het meerderheid wel met forse werkeloosheid.

Keynes kwam pas tot zijn conclusies nadat hij uitgebreid en gedurende jaren alle uithoeken van het toenmalige financiële systeem had onderzocht. In 1931 publiceerde hij het resultaat van die onderzoeken in zijn “Treatise on Money”. Terugkijkend was die studie slechts een opmaat naar de ontdekking van de werkelijke reden van de crisis. De studie en de analyse van de geldwereld in de “Treatise” deed hem de wereld achter de geldwereld ontdekken en zo de hand te leggen op de onevenwichtigheden in de reële economie waarvan de monetaire1 bubbels2 slechts een afspiegeling waren.

– Keynes’ conclusie over de marktwerking.

De conclusie van Keynes met betrekking tot de eigenschap van markten om een evenwichtsprijs tot stand te brengen tussen vraag en aanbod van goederen, was dat dit niet automatisch zou gebeuren, time-lags en poverty gaps verhinderden dat. En een evenwichtsprijs tussen vraag en aanbod van goederen samen met  volledige werkgelegenheid was zelfs praktisch uitgesloten. Om die reden was ingrijpen van de overheid noodzakelijk om (optimale) economische voorspoed tot stand te brengen.  Hierdoor werd de overheid actief betrokken bij vraag en aanbod. Toen de theorie van Keynes bewezen werd geacht met name door de tweede wereldoorlog, kregen de regeringen er dus een nieuwe taak bij, namelijk de zorg voor het macro-economisch evenwicht.

– Het monetaire systeem en zijn verstorende rol

Keynes kwam tot de conclusie dat, om het internationale monetaire systeem evenwichtig te laten functioneren, er regels gesteld moesten worden om zo te voorkomen dat misbruik en hebzucht het economisch systeem uit zijn evenwicht zouden brengen en zo tot armoede en ellende zouden leiden in de samenleving. De Glass-Steagall Act van 1933 die verbood om bankzaken en verzekeringen met elkaar te vermengen was een voorbeeld van zo een regel die misbruik moest voorkomen. Verder zag Keynes in de “Bancor” of de Clearing Union, een internationale autoriteit die periodiek evenwicht moest brengen in de internationale valuta markt en de internationale handelsrelaties. Zij werd zeer sterk bepleit door Keynes maar kwam in werkelijkheid niet tot stand.

Het was niet de complexiteit van de Bancor die er voor zorgde dat deze niet tot stand kwam maar het waren de politieke machtsverhoudingen maar zeker ook de banken zelf die de totstandkoming ervan frustreerde, zij wilden immers hun lucratief speelveld3 liever niet kwijtraken.

Het keynesiaanse model met betrekking tot overheidsparticipatie werd wel toegepast in de meeste westerse landen. Daarnaast zorgde de koude oorlog en het ontstaan van de welvaartsstaat voor een pacificatie op links; het verzwakte de linkse ideologie en zo konden de onopgeloste problemen van de jaren dertig vergeten worden.  Bovendien werden de systeem-problemen die feitelijk ten grondslag lagen aan de armoede en de ellende van de jaren dertig overgelaten een stelletje wereldvreemde economen4.

Het begin van de globalisatie

– Volledige werkgelegenheid als een fetish

De Keynesiaanse oplossing om een beroep te doen op de overheid teneinde de maximale productiviteit tot stand te brengen in een wereld die door de oorlog in puin lag, was meteen succesvol en resulteerde in volledige werkgelegenheid en maximale productie. Dat was erg welkom in een wereld die alleen maar gebrek en armoede a had gekend. De belangrijkste problemen bij het functioneren van de arbeidsmarkt aan de aanbod kant nl. het grensnut van de vrije tijd en de armoede kloof die de markt frustreren onder de grens van het bestaansminimum, werden vergeten. Volledige werkgelegenheid werd normaal en vervolgens langzamerhand een doel op zichzelf, een fetish.

Binnen deze nieuwe grenzen mede tot stand gebracht en bewaakt door de vakbonden, werden regels en wetten ontwikkeld die de arbeiders moesten beschermen tegen ziekte en werkeloosheid.

Technisch gesproken werd de na-oorlogse welvaarstaat gebaseerd op de belasting op arbeid, dat was ook logisch in een wereld waar arbeid de absoluut schaarse productie factor was.  In de economische euforie van die tijd was er geen plaats voor milieuschade en andere omgevingsnadelen, alles werd geofferd aan de  voorspoed en de groeiende naoorlogse welvaart. Toen in de 70-er jaren de club van Rome met alarmerende cijfers kwam omtrent grondstoffenschaarste en milieuproblemen5, werd dat nauwelijks gehoord. Economische ontwikkeling vierde hoogtij en overschaduwde alle kritiek ook die op de zuivere werking van de arbeidsmarkt. Economische handel en multinationale ontwikkelingen groeide en groeide en tegelijker tijd ook de financiële markten, waarin nieuwe internationale financiële producten werden ontwikkeld. En terwijl het internationale bedrijfsleven zich ontwikkelde, werden er van over de hele wereld mensen geïmporteerd, naar het westen.

– Arbeid is niet langer schaars.   

In de loop van de 80-er jaren, liep het systeem uit de rails en stagneerde. In korte tijd werden de eenvoudige productie activiteiten verplaatst naar ontwikkelingslanden en ineens was er sprake van stijgende werkeloosheid in de westerse wereld. Blijkbaar waren de arbeidskosten toch te hoog geworden. In het na de oorlog opgebouwde systeem van welvaartsverdeling via stijgende lonen en dus ook stijgende uitkeringen en door hun koppeling aan de lonen dus dubbel stijgende loonkosten, hadden intussen diverse maatschappelijke instellingen hun posities verworven. Nu van het systeem conform de Keynesiaanse beginselen aanpassing c.q. flexibiliteit werd gevraagd en in dit geval dus de loonkosten zouden moeten dalen en toch de overheidsuitgaven zouden moeten stijgen, raakte het systeem in zichzelf verstrikt. Immers enerzijds “konden” de uitkeringen niet omlaag maar anderzijds “kon” de verdeling van het nationaal inkomen niet anders dan via lonen dus via (volledige !!) werkgelegenheid. Er werd meer geproduceerd dan kon worden gekocht, terwijl de overheid grote tekorten had; het verschijnsel “stagflatie” deed zijn intrede. In Keynes analyse was deze combinatie niet mogelijk nl. inflatie tezamen met stagnatie (in het binnenland); zijn wereld was immers nog veel autarkischer en technische vooruitgang in een mate dat er overvloed zou ontstaan, was (voor hem) onvoorstelbaar.

Op dit moment zou bij nadere bestudering van Keynes, duidelijk zijn geworden dat de band tussen werk en inkomen die elkaar in de greep hadden, een oplossing in de weg stond; immers een toenemende automatisering van het productieproces vereist ook een automatisering van de inkomensverdeling en dus een principiële loskoppeling van arbeid en inkomen. In de jaren 30 had deze nog op de agenda gestaan maar mede door de ontwikkeling en de kracht van de vakbonden was dit in het tijdsgewricht, niet bespreekbaar en politiek niet haalbaar.

De beide zijden van het loon namelijk aan de ene kant als een kostenpost en aan de andere kant als koopkracht werden niet functioneel onderscheiden.

– Geen verkorting van de arbeidstijd – maatschappij van overvloed

Dus in de geest van het systeem dat na de oorlog zo succesvol was opgebouwd, en dat gebaseerd was op volledige werkgelegenheid, “moest” de arbeidstijd verkort worden. Immers de maatschappelijk optimale productie  kon makkelijk bereikt worden via overheidsuitgaven. Dus toen er minder werk nodig bleek was het de politiek van de bonden om dat mindere werk gelijkelijk te verdelen over hun leden. Dus de remedie was om de werktijd te verkorten door vervroegde pensionering, het terugbrengen van het aantal uren per week en het aantal gewerkte dagen per jaar. Ondanks dat arbeid niet meer de schaarse factor was in het productieproces, werd nagelaten om een nieuwe bodem te leggen in de welvaartstaat….. Arbeid en werk bleef de enige grondslag en bron van belastingheffing en van de heffing van sociale lasten.

Handhaving van dit systeem, betekende economisch gezien dat de uitschakeling en vervanging van arbeid in het productieproces dubbel werd beloond, enerzijds door de besparing van arbeidskosten zelf en vervolgens nog een keer doordat er dus (?) minder belasting betaald hoefde te worden. Een gigantische lawine van arbeidsbesparende technieken was het gevolg en in de slipstream ontstond de maatschappij van overvloed, waarin zowel de producten als de arbeid zelf door de samenleving niet meer konden worden “verwerkt”. De ordening die gericht was op het opheffen van gebrek is in zijn tegendeel verkeerd, de materiële gebreken zijn opgeheven en weggepoetst en de arbeid is van schaars overvloedig geworden.

– Het einde van het Keynesianisme –terug naar de markt

In de loop van de tijd werden steeds meer overheidsuitgaven niet meer als productief gezien maar beschouwd als verspilling; niet als het scheppen van werk maar eerder als de veroorzaker van belastingbetaling en nationale schulden. Het holde de belastingbasis voor overheidsuitgaven uit en leidde tot veel te grote tekorten. Hierdoor werd de zgn. Keynesiaanse ideologie met vraagtekens omgeven en langzamerhand verlaten.

Omdat de tijd er rijp voor was en omdat het economisch denken gekenmerkt werd door theoretische armoede, werd de Keynesiaanse theorie niet langer adequaat geacht en werd de oude klassieke theorie opgepoetst en in een nieuw jasje, dat van het neo-liberalisme gegoten. De theorie werd omarmd door Reagan en Tatcher en door Milton Friedman en zijn school theoretisch ondersteund. Friedman was overigens niet zo maar een charlatan, maar het kernpunt van zijn betoog was een overheid die faalde en zich mengde in de economie waarvan zij geen verstand had. De staat stuurde de markt in de war omdat hij van de markt niets begreep. De markt moest nieuw leven worden ingeblazen aldus Friedman.

Een van de belangrijkste voorwaarden voor het functioneren van de vrije markt was in de ogen van Friedman6 de regulering van de geldshoeveelheid. Maar deze voorwaarde werd door de politiek al snel losgelaten, omdat de interestvoet kort na invoering van de regulering de pan uit rees.

Misschien als reactie op de sky-hoge rentes ontwikkelde zich gedurende de Reagan periode in de USA een politiek van “easy money”.  Dat betekende dat er zoveel geld in de samenleving werd gebracht7 dat in ieder geval de rente zeer laag bleef. Ook een andere maatregel van de Friedman methode de zgn. negatieve inkomstenbelasting die bedoeld was om de sociale zekerheid a.h.w. te automatiseren via een soort marktwerking werd niet ingevoerd.

Zo werd het zgn. neo-liberalisme ingevoerd zonder ook maar een van de begeleidende controle maatregel en gestimuleerd door de easy money politiek. En dat alles ook nog onder afschaffing van reguleringsregels voor het financiële systeem. Doordat geen enkele regel meer werd gehandhaafd werd de financiële wereld een wereld op zichzelf, met een eigen markt etc.

Deze ideologie dat de geldmarkt een markt is als iedere andere8, werd gesteund door de multinationale bedrijven, zij voelden regulering door de banken en regulering überhaupt als marktverstoring. Door deze ontwikkeling was de samenleving uitgeleverd aan de grillen van de financiële markten en dat op een globale schaal.

De volgende stap in de globalisering. 

– Explosie van het geldsysteem

De goedkoop geldpolitiek zelf gaf nog een extra impuls aan de ontwikkeling van het internationale geldsysteem en zorgde voor een verdere stimulans van de globalisering van de multinationale onderneming en de internationale handel. Omdat de Bancor niet tot stand was gekomen en er dus geen werkelijke internationale monetaire autoriteit bestond (de Wereldank en het IMF hadden alleen maar technische opdrachten en geen juridische macht), waren er totaal geen beperkingen gesteld aan de internationale banken. Het was een ideale omgeving voor het ontstaan van alle mogelijke soorten bubbels binnen het financiële systeem en voor het verstoren van de internationale handelsbalansen. Op deze wijze veroorzaakte het systeem zelf overal bubbels net als in de tijd van Keynes, alleen gebeurde het nu op een ongekende, op wereldschaal.

Zo hadden we de Aziatische crisis, de Zuid Amerikaanse crisis en de Zweedse crisis, allemaal bubbels in het monetaire systeem. Zij waren allemaal tekenen van grote onevenwichtigheden in het wereld economisch systeem. Terwijl de internationale geldwereld zich ontwikkelde en de financiële producten almaar complexer werden nam de wereldgeldhoeveelheid fors toe en was het systeem zelf in staat om de bubbels die ontstonden telkens weer te verdoezelen door het verlenen van nieuwe kredieten en wel op een ongekende schaal. In al die bubbels was sprake van een heleboel scheefgroei die werd opgevangen en afgedekt met monetaire maatregelen terwijl aan de onderliggende oorzaken, die overigens niet meteen duidelijk waren, niets werd gedaan.

– Reorganisatie van de productie in de wereld

Tezamen met deze ontwikkeling reorganiseerden de internationale bedrijven hun productie in de richting van de armere landen9. Productie eenheden werden verplaatst naar lage lonen landen om daar de welvaartsgoederen te maken voor de westerse wereld. Het verlagen van de arbeidskosten in de rijke landen, mede door het verkorten van de werkduur leidde van midden 80-er jaren tot een alsmaar schevere inkomensverdeling, door de afname van de looninkomsten. Maar het terugbrengen van de arbeidstijd leidde niet tot een lagere werkeloosheid maar de stijging van de welvaart werkte als een soort sociale compensatie.

Vanaf de 80-er jaren ontwikkelde de globale en internationale economie zich explosief ofschoon een fors gedeelte van die groei slechts bestond uit bubbels, die echter niet als zodanig in de statistieken zichtbaar werden.  Economen en politici beschouwen deze groeicijfers echter als bewijs dat hun neo-liberale koers werkte. Het globale bedrijfsleven nam de leiding van de ontwikkeling over en politici dienden als wegbereiders en faciliteerders van deze ontwikkeling. De economische krachten die vrij kwamen bij deze golf van globalisering overschaduwden alle critici en de vraagtekens van de theoretici. Daar kwam bij dat de Sowjet-Unie in 1989 uit elkaar viel alsmede de Berlijnse muur, dat gaf nog een extra impuls aan de voortgaande globalisering van de economische ontwikkeling.

– Alle remmen los

In de EU was de SEA10 aangenomen bij de toetreding van het VK, een wet die de weg vrij maakte voor verdere ontwikkeling van de Big Bussiness en in de USA was de Glass-Steagall Act, steeds verder uitgekleed en in 1990 zelfs volledig opgeheven. Dit leidde ertoe dat Big Finance van alle remmen bevrijd was die in het verleden waren ingesteld om excessen te voorkomen en om de geldwereld in goede banen te leiden. En ter completering van het plaatje werd ook door organisaties als de WTO, vrije handel op wereldschaal gepropagandeerd.

Het winstgedreven globale kapitaal kreeg de kans om de hele wereld als speelveld te gebruiken in zijn streven naar maximaal rendement. Al deze zaken bij elkaar leidde tot een dynamiek van een ongekende kracht die door geen enkele regel of regering meer te temmen was. Wij weten ook uit het verleden dat deze kapitalistische krachten zichzelf en elkaar versterken. Omdat zij op zichzelf richtingloos zijn kunnen zij zowel erg stimulerend als ontzettende verwoestend uitpakken.

Het beheersen daarvan is erg moeilijk en er is een hele hoop politieke vastberadenheid voor nodig om aan een dergelijke wereld grenzen te stellen.

Tijdens dit proces van enige decennia (1983-2007) verandert het economisch landschap drastisch. Een belangrijk gedeelte van de nieuwe massaproductie vindt plaats in China en India grotendeels geïnitieerd en geleid door westerse globale ondernemingen. In het westen is de werkeloosheid gegroeid evenals de schuld van de gewone mensen; op wereldschaal is de schuld van de USA aan China torenhoog . De Europese economie als totaal is overigens ongeveer in evenwicht maar de onderlinge schulden tussen de staten zijn aanzienlijk. Het geldsysteem en de globale economie is totaal uit zijn evenwicht en er is geen zicht op een oplossing. Volgens economen en politici is er sprake van onderconsumptie maar de mensen kopen niet meer;  bovendien hebben regeringen torenhoge schulden en dus geen middelen meer om enig evenwicht tot stand te brengen. Het wereld economisch systeem heeft grote problemen en het geldsysteem is een grote chaos.

Terug naar de reële economie

– Parallellen tussen 1929 en 2007

Van les van de crisis van 1929 was dat aan het geldsysteem dat geacht wordt om de reële economie van dienst te zijn zeer strenge regels moeten worden gesteld. Sommige regels werden direct na 1929 ingevoerd zoals de Glass-Steagall wet, maar de aanbevelingen van Bretton Woods om het systeem te wapenen tegen aanvallen en onevenwichtigheden van buiten, vanuit het buitenland zijn nooit ingevoerd en bovendien heeft de neo-liberale euforie er voor gezorgd dat zelfs de Glass-Seagall Act buiten werking gesteld en afgeschaft in 1990. Toch is het niet het uit de hand gelopen monetaire systeem waarop de focus valt. De allerbelangrijkste les is opnieuw dat een monetair systeem dat zonder regels opereert de neiging heeft om alle mogelijke soorten bubbels te veroorzaken en dat als dat op wereldschaal gebeurt de bubbels des te groter zijn en een enorme omvang kunnen aannemen. Bubbels zijn in dit geval suggesties van rijkdom of van groei die in de werkelijkheid niet bestaan, zoals prijsstijgingen in de onroerend goed sector.

De oplossing die ontstaat uit het geldsysteem zelf en die bovendien ervoor zorgt dat het geld niet “kapot” gaat is om via meer geld de onevenwichtigheden in de kwetsbare sectoren op te vangen. Het gevolg daarvan is dat er uiteindelijk alleen tijd gewonnen is, want de schade blijkt pas later. Deze oplossing is echter beperkt tot de geldwereld en lost het werkelijke probleem niet op, het schuift alleen de boel voor zich uit.

Als we ons concentreren op de reële economie om de diepere oorzaak van de onevenwichtigheid te onderzoeken, zien we dat de meeste ontwikkelingen voortkomen uit de winstgedreven acties van het multinationale bedrijfsleven. Überhaupt de winstgedreven acties van het anonieme kapitaal de beste indicator om te zien welke processen werkelijk spelen in de economie. Uit deze acties blijkt dat er een enorm potentieel aan productiecapaciteit is afgebroken in de westelijke landen vanwege de lagere prijzen elders  en dat dit proces voorlopig niet ten einde is. Gedurende de laatste decennia is de overshoot van het milieubeslag ook in de westelijke landen verder toegenomen. De koopkracht in het westen is verder toegenomen de laatste 20 jaar door het creëren van meer geld, maar aan deze ontwikkeling komt nu een einde. Het is verder duidelijk dat de enorme schuldenberg tussen de USA en China niet houdbaar is evenals de enorme milieubelasting. Toch nemen deze onevenwichtigheden nog steeds toe aangedreven door de economische krachten op wereldschaal.

Het is overduidelijk dat de wereld is beland in een situatie van economische en politieke impasse.

– De internationale arbeidsmarkt 

Als we ons afvragen waar die markt en prijsrelaties die het internationale kapitaal blijkbaar opdrijven vandaan komen, stuiten we allereerst op de arbeidsmarkt en wel de internationale arbeidsmarkt zoals die werkt voor het multinationale bedrijf. Ofschoon voor de multinationals sprake is van een internationale markt voor de arbeid is deze markt voor de arbeiders zelf erg lokaal. In China bijvoorbeeld is het loon direct gerelateerd aan de kosten van levensonderhoud zoals die voor de Chinees werkelijkheid zijn, en wordt het uitbetaald in de locale munt. Voor de koopkracht van het loon is die relatie met de kosten van levensonderhoud ter plekke feitelijk bepalend.

Deze kloof tussen de internationale markt van de arbeid en de lokale realiteit voor de leverancier van de arbeid, de arbeider zelf, leidt ertoe dat de Chinees financieel niet in staat is om “zijn eigen” product te kopen en dus gedwongen is om te sparen en dat in de USA er niet (meer) genoeg inkomen gegenereerd wordt om (de producten) te kopen. Dit is de disbalans die alsmaar groeit : in de USA worden steeds minder salarissen verdiend en in China komt alsmaar meer geld dat geen producten vindt. Deze onevenwichtigheid ontstaat in de reële wereld waar de arbeider van zijn loon ter plekke moet leven en het loon tegelijkertijd te kort schiet als koopkracht voor het product. Het product vindt niet voldoende koopkrachtige vraag (in China) en de meerwaarde in de productie kan dus niet worden geabsorbeerd; deze rijkdommen stapelen zich op en bedreigen steeds opnieuw  het evenwicht in de wereldeconomie. Door de enorme omvang, want van wereldorde, is deze bedreiging permanent en de richting absoluut onzeker.

– De kosten van de samenleving

Het loon immers kun je in twee delen zien11. Een gedeelte dat nodig is om van te leven, voor het “overleven” van de arbeider en zijn familie; hij moet dit inkomen uitgeven om van te leven. En een ander gedeelte, dat wordt verdiend boven het basisinkomen, kunnen we dit surplus inkomen noemen. Alleen dat laatste gedeelte kan effectief gebruikt worden “op de markt”; het kan vrij worden besteed aan luxe goederen of , het kan gespaard worden om het ergens in de toekomst te besteden of het kan bewaard worden voor “de zekerheid”. Het surplus gedeelte dat in China terecht komt nu is veel te weinig om de luxe goederen te kopen die in China geproduceerd worden.

Als we de samenleving vergelijken met een onderneming, dan is het bedrag dat nodig is om de arbeiders en hun familie in leven te houden en ervoor te zorgen dat hun arbeid ook in de toekomst verzekerd is, zonder meer bedrijfskosten. Het zijn kosten die noodzakelijkerwijze gemaakt moeten worden om de samenleving overeind te houden. Deze kosten behoren net zo goed niet tot de winst (van de samenleving) als ook het onderhoud en de vervangingskosten van de machines (in een bedrijf) niet tot de winst behoren.

Om zichzelf als land als natie in stand te houden behoren de kosten van levensonderhoud van de mensen dus ook tot de kosten van een land evenals de kosten van de maatschappelijke infrastructuur.

Binnen de structuur van een samenleving zijn er vele taken die vervuld moeten worden en er vinden veel activiteiten plaats die allemaal bij elkaar de samenleving als eenheid definiëren12. Het onderhouden en het bijhouden van al die taken is nodig om de samenleving ook voor de toekomst levensvatbaar te maken/te houden, al deze kosten kunnen we definiëren als het basisinkomen van die samenleving, zij moeten noodzakelijkerwijze gemaakt worden om de samenleving te behouden voor de toekomst. Het is een voorwaarde om de maatschappij in staat te stellen om enig surplus, enige rijkdom op te bouwen en zo bezien is het basisinkomen voor al zijn leden dus een onontkoombare kostenpost in economische zin.

– Arbeidskosten als inkomen voor het individu

Van een individueel standpunt gezien kan een arbeider pas zijn arbeidskracht aanbieden als hij er over beschikt dwz als zijn (over)leven zeker is. Feitelijk begint het arbeidsaanbod pas op dit niveau, het niveau van het basisinkomen, gedefinieerd in plaatselijke koopkracht. In de tijd van Keynes de dertiger jaren werd ook al voorgesteld om een onvoorwaardelijk “social dividend” te betalen om de consumenten uitgaven te stimuleren in een tijd van werkeloosheid, het zou bovendien een effectief middel kunnen zijn om volledige werkgelegenheid te bereiken13.

Maar de paternalistische maatschappij en het gebrek aan openbare diensten en waarschijnlijk ook de politieke machtsverhoudingen,  zorgden er voor dat besteding via de staat de voorkeur kreeg. De armoedekloof die een wezenlijke rol speelt bij het arbeidsaanbod op de arbeidsmarkt werd niet besproken c.q. kwam niet aan bod14. Omdat vervolgens de verhoging van de publieke uitgaven tamelijk goede economische resultaten brachten en de private uitgaven (van de rijken) behoorlijk achterbleven, was het politiek gezien een brug te ver om een wat vrijere besteding voor de lagere klassen in te voeren ofschoon het economisch zeer wenselijk geweest zou zijn.

Ook in de lagere klassen was een vrij besteedbaar inkomen voor de armen niet acceptabel, zelfs de vakbonden probeerden het te voorkomen. De samenleving was in die tijd dermate weinig geëmancipeerd, dat vrij besteedbaar inkomen voor de armen ook op morele gronden werd afgewezen. De invoering van een basisinkomen kon in die tijd absoluut niet serieus besproken worden.

Deze paternalistische samenleving van de “Poor Laws” kon pas evolueren naar de bevoogdende samenleving van de jaren 80 toen bestedingen wel wat meer vrijheid kregen maar toch nog altijd besteed dienden te worden via gemeenschapspotjes en dus niet op een individuele een persoonlijke basis.  Met name ook vanwege al deze morele overwegingen moest de individuele ondernemer aan de vraagzijde van de arbeidsmarkt al een loon bieden dat hoger was dan de kosten van levensonderhoud, wilde hij iemand in dienst kunnen nemen. De arbeider moest namelijk eerst de armoedekloof kunnen overbruggen voordat hij productief kon worden. Dit betekent tevens dat de verwachte productiviteit allicht hoger moest zijn dan die armoedekloof. De arbeider van zijn kant kan alleen dan vrijelijk over zijn loon onderhandelen als hij verzekerd is van zijn basisinkomen. Pas boven dit basisinkomen kan het grensnut van zijn vrije tijd bij de al of niet aannemen van het werk, een rol gaan spelen15.

Concluderend kunnen we dus stellen dat pas als de prijs van het onderhoud van de arbeid (basisinkomen) is betaald, kan er van een duurzame samenleving sprake zijn, het is een noodzakelijke en logische voorwaarde. Pas onder deze voorwaarden zorgt het basisinkomen voor evenwicht tussen de winstverwachtingen van de ondernemer en de voorkeuren van de mensen c.q. de samenleving.

– Het basisinkomen op internationaal niveau

Voor het functioneren van de internationale arbeidsmarkt spelen de plaatselijke verschillen in de kosten van levensonderhoud geen rol. Voor de  arbeider zelf zijn deze echter wel bepalend, dat betekent dus dat de internationale arbeidskostenverhoudingen niet sporen met de voorkeuren van de samenleving en dus ook niet met de eisen van het milieu dat immers onderdeel ervan is. Bekijken we de wereldeconomie als een systeem dan wordt het functioneren van dat systeem gefrustreerd door de tegenstrijdige werking van de arbeidsmarkt. Op plaatselijk niveau is de koopkracht op de lokale markt aan de orde en op globaal niveau concurreert de multinational op de wereldmarkt.  Daardoor kan er dus geen evenwicht bestaan op de wereldarbeidsmarkt. Er zijn dan ook m.n. voor de lonen, twee los van elkaar staande teleenheden, nl. de plaatselijke munt en de internationale munt, die beiden “gelden” in hun eigen wereld.

Deze tegenstrijdige werking zorgt er voor dat langzamerhand China de werkplaats van de wereld wordt en dat ontwikkelde wereld zijn industrie verliest en op de duur natuurlijk ook de kennis van de productieprocessen zelf, omdat “de arbeidskosten veel te hoog zijn”.

Ook de arbeider in een ontwikkelingsland ziet dat de lonen elders in de wereld veel hoger zijn, maar hij houdt geen rekening met hogere kosten levensonderhoud (het veel hogere basisinkomen) in die rijke wereld, als hij zich aangetrokken voelt tot die rijke wereld met zijn “hoge lonen”. Zo worden net de actieve en initiatiefrijke mensen uit de ontwikkelingslanden weggelokt c.q weggekocht en gaan dus voor de ontwikkeling van hun eigen land verloren16.

Bovendien zorgt dit systeem van productiespecialisatie voor massale transporten van goederen naar en van China naar de markten waar de koopkracht is, deze koopkracht wordt dus “weggekocht” uit de ontwikkelde wereld en leidt tot enorme onevenwichtigheden op de internationale betalingsbalansen zoal niet tot oorlog op den duur !! Al deze gevolgen van die tegenstrijdige werking van de wereldarbeidsmarkt, door het ontbreken van een basisinkomen, zijn het tegendeel van duurzaamheid en zijn in zijn uitwerking, destructief voor de wereld als zodanig en voor het milieu in het bijzonder.

Het Basisinkomen als fundament voor de internationale handel.

– Op zoek naar een maatstaf voor de wisselkoers

Als het gaat over duurzaamheid, dan moet allereerst geconstateerd worden dat sinds de industriële revolutie, de economie als maar belangrijker geworden is in de cultuur van de samenleving. Zij is misschien wel het belangrijkste motief geworden waarop mensen hun beslissingen stoelen. De markt en de marktprijs is het hart van het economisch systeem en de arbeidskosten is van die prijs een wezenlijk onderdeel. Omdat internationale handel steeds belangrijker is geworden en internationale maatstaf voor het geldwezen, de gouden standaard feitelijk niet meer bestaat, is men steeds op zoek geweest naar een nieuwe objectieve maatstaf waarin de economische activiteiten over de wereld zouden kunnen worden uitgedrukt en die maatgevend zou moeten zijn voor de internationale handel. Zo’n maatstaf zou dan op wereldschaal moeten functioneren en onafhankelijk moeten zijn wisselkoersen etc. Er zijn in de loop van de jaren meerdere voorstellen gedaan om tot zo een meetsystematiek te komen die in de plaats zou kunnen komen van de “oude gouden standaard”. Alleen op zo’n manier zou de hoeveelheid geld op basis van objectieve criteria door een wereldautoriteit kunnen worden bepaald. Hierdoor zou de economie los van de politieke voorkeuren en politieke macht kunnen functioneren, maar alle voorstellen schieten te kort.

– De objectieve maatstaf ligt in de samenleving zelf

De tendens echter om het economisch systeem los te zien van de samenleving en de economie te beschouwen als een soort “natuurwet”  moet krachtig van de hand te worden gewezen. De economie is maatschappelijke ordening, dus de maatstaven voor een economisch systeem moeten dan ook aan de samenleving zelf ontleend worden. De kosten van levensonderhoud is zo’n maatstaf  en moet dan ook in de samenleving en door de samenleving worden vastgesteld (op een democratische wijze), en wel per regio of per district. Immers de kosten van levensonderhoud hebben een lokale gelding dus een lokaal karakter. Diezelfde kosten van levensonderhoud vormen voor een samenleving tevens een maatstaf waaraan feitelijk en automatisch alle prijzen en kosten worden gemeten.

Door deze “kosten” aan ieder lid van de samenleving vooraf te betalen bij wijze een van basisinkomen, zal dat er toe leiden dat alleen het surplusinkomen aan de aanbod zijde van de arbeidsmarkt een rol zal spelen, en wel over de hele wereld.

– Basisinkomen en het gelijke speelveld

Op deze wijze kan er een werkelijk internationale arbeidsmarkt ontstaan die niet alleen geldt voor de multinational maar op gelijke wijze ook voor alle plaatselijke ondernemers. In zo’n omgeving kan de arbeidsmarkt de rol spelen die Friedman en de klassieken voor haar hadden weggelegd en dan is verder overheidsingrijpen in zo’n markt ook uit den boze. De lonen die betaald worden zijn in overeenstemming met het grensnut van de vrije tijd en aan de vraagzijde gelijk aan opportuniteitskosten in het productieproces. Voor de arbeider is het loon dan “echt” loon dat wil zeggen het is vrij besteedbaar want de kosten van levensonderhoud zijn gedekt, door het reeds van overheidswege verstrekte basisinkomen. Voor de internationale handel speelt “poverty-gap” geen rol meer in de prijsstelling, want over heel de wereld zijn de basiskosten van de arbeider (de “gap”), uit het prijzensysteem weggehaald. Er is zo dus sprake van een wereldwijd gelijk speelveld, een “level playingfield”, terwijl nu het multinationale kapitaal, heen en weer kan fietsen tussen de goedkope productie-oorden en deze probleemloos  tegen elkaar uit kan spelen.

– Primaire rol en misbruik van geld.

Buiten het op gelijk niveau brengen van het prijzensysteem door de wereldwijde invoering van een basisinkomen, is ook een regulering van de internationale geldstromen, hard nodig. Door de internationale handel kunnen er namelijk gemakkelijk onevenwichtigheden optreden die periodiek moeten worden bijgesteld. Het oprichten van een soort “Bancor” zoals door Keynes voorgesteld blijft dus een topprioriteit, ondanks dat de belangrijkste verstoorder van de internationale handelsrelaties, namelijk de welvaartsverschillen en hun perverse rol op de internationale prijsvorming door de invoering van een basisinkomen, is opgeheven.

De belangrijkste functie van het Bankwezen is om de reële economie van dienst te zijn, om deze soepel te laten verlopen, dat betekent ook dat het geld de economie zou moeten beschermen tegen speculatie en gokken, van welke soort dan ook. Het circulatie geld moet een ruilmiddel zijn, dat betekent dat financiële producten alleen in hun basisvorm zouden moeten voorkomen, zoals vormen van sparen en lenen.

– Secundaire functies van het geld – onzekerheid.

In de loop van de tijd heeft de rol van het geld in het kapitalistische systeem zich steeds verder ontwikkeld. Niet alleen werd het verleden en de nabije toekomst door sparen en interest met elkaar verbonden, maar ook alle mogelijke andere onzekerheden werden via geld en in geld uitgedrukt. Zoals bijvoorbeeld hele systemen van pensioenrechten zowel collectief als individueel. Betrof het hier aanvankelijk nog een soort sparen, al snel ontwikkelde het zich in de lijn van het kapitalistisch denken tot rechten op toekomstige winsten….etc. In ieder geval legde het een soort claim op productiecapaciteit van toekomstige generaties. Ofschoon sparen voor later en voor de oude dag natuurlijk en logisch is, ligt het voor de hand om dan te sparen/te investeren in de toekomst van de maatschappij die het betreft. Hoe dan ook deze risico’s en vele andere soorten hebben in de aandelen- en termijnmarkten een plaats gevonden. Deze markten zijn geworden tot markten van risico’s en risicomanagement van alle mogelijke soorten. Zij omvatten bv. ook markten van voedsel en grondstoffen over de hele wereld. Het is absoluut noodzakelijk om aan de ontwikkeling van deze markten paal en perk te stellen om zo te voorkomen dat er prijsspeculatie plaatsvindt die schadelijk is voor de voedselvoorziening in de wereld; maar verder is het van belang om dit soort markten te scheiden c.q. af te schermen van de gewone consumentenmarkt.

– Minder onzekerheid door basisinkomen

Er zal altijd wel speculatie blijven plaatsvinden maar er moet voorkomen worden dat deze speculatie schade aanricht voor de samenleving. Het uitvinden en praktiseren van nieuwe financiële producten die kunstmatig zijn, moet verboden worden en fors worden bestraft17. Belangrijkste eis is natuurlijk transparantie, maar kruisverbindingen met het geldssysteem zijn gevaarlijk en kunnen grote crisissen te weeg brengen zoals steeds opnieuw blijkt.

Om al deze ingewikkelde producten over te laten aan de markt is op zijn minst naïef, dat wil niet zeggen dat de markt geen rol kan spelen maar toezicht en inspectie is onmisbaar hier 18!!

Daarnaast heeft het invoeren van een basisinkomen tot belangrijk gevolg, dat het alle mogelijke persoonlijke risico’s als het ware bij de samenleving onderbrengt. Dat betekent tevens dat een hele boel onzekerheden over de toekomst van nu zullen verdwijnen, het materiële bestaan is namelijk altijd gegarandeerd door het OBI (onvoorwaardelijk basisinkomen). Zo zal ook een belangrijk deel van de huidige verzekeringsmanie overbodig worden, de belangrijkste verzekering is namelijk de samenleving zelf en wel geregeld van onderop. En die samenleving zal de rol van verzekeringen en ook die van banken op zichzelf al fors terugdringen.

Toch kan het wenselijk zijn om bv. een ander soort van geldrekening te ontwikkelen voor “langsparen”, voor spaargeld dat wordt geïnvesteerd in productiecapaciteit c.q. het kopen van investeringsgoederen. In de maatschappij als geheel moet i.i.g. in overeenstemming met het Keynesiaanse denken, evenwicht zijn tussen sparen en investeren. Dat kan op zo’n manier inzichtelijk worden gemaakt.

Hoe dan ook, de introductie van een basisinkomen zal de risico’s van het leven voor een belangrijk gedeelte “afwentelen” op de regionale gemeenschap, waar solidariteit en transparantie ertoe kunnen leiden, dat de mensen zelf hun lot weer in eigen hand nemen.

– Regels in een wereldwijd systeem; the Bancor

In deze tijd nu de wereld een groot geheel geworden is, zullen alle economische evenwichten vertaald moeten worden naar een wereldschaal. Dat betekent dat in al die talloze samenlevingen eveneens talloze onevenwichtigheden van alle mogelijke soorten zullen/kunnen bestaan. Om in dit woud van evenwichten en onevenwichtigheden enige orde en overzicht te brengen is een internationale autoriteit in de vorm van een Bancor naar het voorstel van Keynes feitelijk onmisbaar. Binnen economische blokken (bv. EU) kan een soort sub-Bancor functioneren terwijl de super-Bancor bv. onder het gezag van de UN zou moeten ressorteren.

Ook de verbinding tussen het heden en de toekomst kan niet de competentie blijven van de huidige banken. Het is voor de mensen van vandaag van belang dat zij zorg hebben voor de productiecapaciteit van de toekomst, want ook dan zullen er mensen moeten leven. Om er voor te zorgen dat de bronnen van bestaan tussen de leden van de huidige samenleving maar ook tussen de samenleving van vandaag en die van morgen een beetje ordelijk worden verdeeld, is typisch een rol voor de samenleving als geheel en zij kan feitelijk nooit op een individuele schaal worden geregeld, daarvoor is de samenleving veel te complex. Bovendien dient de productiecapaciteit van dat ingewikkeld sociaal netwerk niet uitsluitend worden gezien in termen van materiële zaken, maar zeker zo belangrijk is het conserveren, de ontwikkeling en de voeding van die zaken die het wezen van de samenleving  bepalen, zijn sociaal kapitaal.  Dit sociale kapitaal is ondeelbaar en kan niet bestaan in privé eigendom omdat het dan zijn wezenlijke eigenschap verliest.

– Concrete gevolgen van het basisinkomen op de wereld economische relaties

Invoering van een basisinkomen in de rijke landen heeft het meeste impact, omdat door de hoogte van het welvaartsniveau daar, het effect op de wereldarbeidsmarkt het grootste is. Dit grote effect wordt mede veroorzaakt doordat de sociale lasten die nu drukken op de lonen verschoven worden naar de algemene middelen, vervolgens zal ook de loonbelasting worden afgeschaft en als derde element zullen de lonen bovendien “gesubsidieerd” worden met het basisinkomen. Daardoor wordt het effect van de belastingverlegging enorm groot.

Samen met de afschaffing van de belasting op de lonen, dient er een indirecte belasting te worden ingevoerd op grondstoffen, deze belasting moet flink hoog zijn om dezelfde opbrengst te genereren. Waarschijnlijk dienen er ook nog andere belastingen te worden geheven bv. op industriecomplexen en bijv. ook op andere sociale kapitaaleenheden waarvan gebruik gemaakt wordt.

Dat deze verlegging van de belastingheffing van een enorme omvang zal zijn, is duidelijk maar er blijkt nog eens des te meer uit hoe ver de samenleving is afgegleden van wat duurzaam zou kunnen zijn voor het milieu en de aarde.

Daartegenover staat dat de (productie)capaciteit van de samenleving gigantisch is en dat zal des te meer blijken als de motivatie, door middel van een basisinkomen opnieuw zal worden geprikkeld. De invoering van een basisinkomen zal, naar verwachting een golf van déglobalisering met zich meebrengen en zal al zeer snel een groot aantal van de ontwikkelingen die in strijd zijn met de duurzaamheid terugdraaien, zowel plaatselijk als op wereldschaal. Het zal er bovendien ook voor zorgen dat de wereldhandel zich zal bewegen naar een niveau dat fors duurzamer is dan nu en dat gebaseerd zal zijn op kosten verhoudingen, die de maatschappij als geheel betreffen en zich niet beperken tot de een of andere industrie.

Het zal in de betreffende regio de  productie een stuk diverser maken en het zal de werkelijke politieke en democratische macht terugbrengen naar de basis en zorgen voor een nieuw soort transparantie in de samenleving zelf.

 

Maastricht, 21 december 2012                                 Leon J.J. Segers  

 

 Naschrift

 

De ideeën die hier zo moeizaam aan de orde zijn gesteld zijn eenvoudig en eigenlijk  vanzelfsprekend. De moeilijkheid is niet gelegen in de nieuwe ideeën, maar in het loskomen van de oude, die tot in iedere uithoek van onze hersenen aanwezig zijn, bij iedereen die is opgevoed, zoals ik19

2 The expression is used, following George Soros: “A bubble can develop, when the feedback is initially positiv in the sense that both the trend and its biased interpretation are mutually reinforced.”

3 Lifting barriers also against free moving currencies, was going on and on and offered banks growing possibilities for free operating around the world.

4 for instance : Joan Robinson, James Meade, André Gorz.

5 “The Limits to growth: a global challenge” (1972)

6 Also another proposed measure of Friedman was not implemented i.e. a system of negative income tax. The goal of this tax merely was to automate social security and so bring it on the market also.

7 Questioned on his concern about the enormous budget deficit Reagan answered: “the budget deficit is big enough to look after itself”

8 Money market doesn’t react as “normal markets”; because of its reflexivity it causes bubbles (G.Soros)

9 a.o. Joop de Vries : “Wiens Europa wint”(Europe of whom wins) Amsterdam 2006 pg. 48 etc.

10 Special Economic Act

11 This division has also be made in Keynes’ analysis, speaking of propensity to consume equals one or a lot less, decisive for the effects of government spending.

12 A nation that is not capable to feed its own people is not worth to be called a nation (Chinese proverb)

13 Fabian society and G.D.H.Cole (1929)

14 mentioned by Joan Robinson in “economic heresies” London 1971 (macmillan)

15 De Duitse slogan voor een Grundeinkommen (BGE) is dan ook : “vrijheid in plaats van volledige werkgelegenheid”

16 see: Dambisa Moyo : Dead aid

17 Introduction of a so called Tobin tax on currency exchanges can be helpful.

18 The former Fed chairman said he is “shocked,” at the meltdown of U.S. credit markets. And that he made some mistakes in his beliefs about deregulation. Alan Greenspan was in “shocked disbelieve” that markets didn’t have functioned.

19 “The ideas that are here expressed so laboriously are extremely simple and should be obvious. The difficulty lies, not in the new ideas, but in escaping from the old ones, which ramify, for those brought up as most of us have been, into every corner of our minds” (J.M. Keynes from Preface of “The General Theory of employment interest and money.” December, 1935)

Facebooktwitterlinkedinmail