Basisinkomen gunstig voor marktpositie arbeidsintensieve product en dienstverlening

Facebooktwitterlinkedinmail
John Maynard Keynes

In de discussie over het basisinkomen missen wij steeds de economische voordelen c.q. de economische noodzaak. Dat is opmerkelijk, omdat de werking van de economische wetmatigheden desastreus zijn voor de planeet en niet (meer) constructief voor de welvaart en de samenleving. Een benadering van het basisinkomen vanuit het overheersende economische model is derhalve noodzakelijk.

Het uitgangspunt van de huidige economische politiek is de neokeynesiaanse aanpak, dat betekent dat er uitgegaan wordt van de noodzaak van het inzetten van alle voorhanden productiekrachten om de schaarste en gebrek te overwinnen (van na de oorlog). Het centrale uitgangspunt van Keynes is/was dan ook : volledige werkgelegenheid c.q. het inzetten van maximale productiekracht. Via zijn analyse komt hij tot de conclusie dat volledige werkgelegenheid echter niet automatisch via de wet van vraag en aanbod ontstaat, zoals de klassieke economen dachten, maar dat er zowel vraag- als aanbodoverschotten kunnen zijn; deze dienen dan door overheidsbemoeienis te worden “aangevuld” om weer op volledige werkgelegenheid uit te komen en niet in een depressie te geraken.

In dit model is economische groei noodzakelijk om bij toenemende (arbeids)productiviteit volledige werkgelegenheid mogelijk te maken en via het zo verdiende arbeidsinkomen de welvaart te verdelen. De hogere welvaart die daarmee wordt bereikt, leidt tot stijgende inkomens die met arbeid moeten worden verdiend. Daardoor worden de (loon)kosten te hoog terwijl het (arbeids)inkomen niet kan dalen onder het bestaansminimum. Voor veel arbeid is dus het daarbij behorende loon of ‘welvaartsinkomen’ een te hoge prijs. Veel ‘laagwaardige’ arbeid komt niet meer op de markt of verdwijnt naar lage lonen landen. Door de verdergaande liberalisering van wereldmarkt sinds de 80-er jaren is daarom veel productie verdwenen. Het economische systeem raakt en is in die wereldwijde setting volstrekt niet meer beheersbaar. Wat met het Keynesiaanse model werd beoogd raakt zo steeds verder uit beeld. De gevolgen voor de aarde en samenleving zijn desastreus. De causale relatie tussen arbeid en inkomen speelt hierbij een cruciale rol.

Onze maatschappij is niet meer een maatschappij van schaarste, maar een maatschappij van overvloed, de productiecapaciteit is groter dan “verwerkt” kan worden. Volledige werkgelegenheid kan de norm niet meer zijn vanwege de explosie van de, maar zij is wel de basis van de verzorgingsstaat; machines maken arbeid overbodig maar betalen geen sociale lasten, deze worden volledig op de overblijvende arbeid verhaald (arbeid doet dat wel). Door de globalisering verdwijnt bovendien steeds meer “werk” (werkgelegenheid) naar het buitenland (de lage lonen landen, China), hetgeen de basis van de verzorgingsstaat nog extra uitholt.

Terwijl dus wordt gestreefd naar volledige werkgelegenheid met alle productiedrang van dien, wordt de aarde door deze (te hoge) productie en de afval die daar weer het gevolg van is, steeds meer overbelast.

Hierbij komt dat de alsmaar duurdere arbeid leidt tot een verschraling van de culturele en maatschappelijke kant van de samenleving met gevolg dat onderwijs, zorg en kunst langzamerhand onbetaalbaar worden.

De invoering van een basisinkomen pretendeert deze “beweging” om te draaien, immers de sociale lasten, de kosten van de welvaartsstaat worden niet meer geheven als opslag op de lonen en belasting op het inkomen maar op de (eind)producten, immers pas productie en verbruik hiervan belasten de planeet. Het basisinkomen wordt niet zoals de sociale uitkeringen betaald van datgene dat “over” is aan het einde van concurrentieslag op de (wereld)markt, maar het wordt betaald voordat van het proces van waarde schepping zelfs maar begint, het dient als voorwaarde voor dat proces en “maakt” de arbeid. De arbeid die dan nog geleverd wordt levert uiteraard ook een inkomen op, supplementair aan het basisinkomen en, omdat van dat inkomen de basisbehoeften niet meer betaald hoeven te worden noch de sociale lasten, zal dat loon, dat inkomen, relatief veel lager kunnen zijn, waardoor menselijke arbeid “lonender” wordt. Zo brengt het basisinkomen het arbeidsintensieve product en de dienstverlening, kortom alles dat door arbeid wordt tot stand gebracht in een veel gunstigere marktpositie, waardoor het onderwijs, de zorg en de kunst veel sneller “rendabel” zullen zijn. Het basisinkomen wordt ook niet meer betaald door belasting op inkomen, nee het gebruik van producten en grondstoffen wordt belast. Alleen op deze wijze wordt de productiecyclus duurzaam zodat hij weer kan aansluiten bij de cycli van de natuur. Met de invoering van een basisinkomen wordt zodoende bereikt dat de marktwerking zelf zal zorgen voor evenwicht, terwijl de nu “noodzakelijke” volledige werkgelegenheid zijn “evenwicht brengende” functie (overigens alleen op economisch gebied) heeft verloren.

De hoogte van het basisinkomen wordt jaarlijks opnieuw op democratische wijze bepaald, waarbij het maatschappelijk minimumbedrag uiteraard in acht dient te worden genomen. Als er dan in een samenleving te veel of te weinig werk of te weinig producten zijn kan het basisinkomen verhoogd of verlaagd worden al naargelang. De werking van het systeem is dan echter wel volkomen inzichtelijk en het resultaat is verzekerd, terwijl het effect van maatregelen nu, door de werking via de globe en het geld, volstrekt onvoorspelbaar geworden is.

De invoering van een basisinkomen is zo mogelijk nog belangrijker voor de internationale economische verhoudingen. Immers de verschillen in welvaart die nu de internationale arbeidsverhoudingen “scheeftrekken” worden uit het systeem van lonen en prijzen weg gedefinieerd. De koopkrachtige vraag wordt immers door het basisinkomen “op peil” gebracht en komt door de “uitschakeling van het welvaartsniveau wereldwijd op een lijn. Voor de Europese loonkosten betekent dat die veel lager worden (minus sociale lasten en minus basisinkomen) en voor de Chinese lonen (minus hun sociale lasten en basisinkomen) dat zij relatief weinig lager worden. Op de internationale markten zal dat betekenen dat de verplaatsing van productie naar China niet of nauwelijks meer winstgevend zal zijn, waardoor de tendens dat China de werkplaats voor producten wordt en Europa de markt ervan, grotendeels zal worden te niet gedaan.

Een dergelijke ontwikkeling zal ook zeer ingrijpende gevolgen hebben voor de wereldhandel maar in ieder geval er ook toe leiden dat het gesleep met producten over de wereld vanwege economisch-technische redenen een eind zal nemen en de handel productgericht gemotiveerd zal zijn. De natuurlijke evenwichten zullen veel beter in stand blijven zowel over de wereld als over de tijd, door het afnemen van de financiële/monetaire prikkels. Dit zal een zegen zijn voor het milieu en duurzaamheid dichter bij brengen.

Qua ontwikkeling zal ieder land (regio) veel beter “weten” waar het aan toe is en in eerste instantie van zijn eigen resources en omstandigheden moeten uitgaan.

Bij voorkeur zou een basisinkomen differentiërend naar welvaartsregio moeten worden ingevoerd. De invoering moet geleidelijk geschieden omdat de effecten zeer ingrijpend zijn; in Europese verhoudingen bv. via loonsubsidies gepaard met grondstoffenheffingen.

Zo worden handelsprikkels die nu de neiging hebben, de natuur en het milieu uit het evenwicht te “prijzen”, veranderd in krachten die met de natuurlijke evenwichten congrueren, hetgeen zowel de planeet zelf als de welvaart ten goede zullen komen.

Enerzijds wordt het levensonderhoud onttrokken aan de werking van de markt en anderzijds blijven de voordelen van de markteconomie behouden, terwijl de werking ervan via belastingheffing kan worden gestuurd (gesteuert) in een maatschappelijk optimale richting.

Maastricht, 6 april 2011 Wim de Heer, Anka Paggen, Leon Segers

Bijlage: Social security in The Netherlands 2010.docx

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube