Basisinkomen in mondiaal en ecologisch perspectief

strijdtoneel
Facebooktwitterlinkedinmail
strijdtoneel
Het Amerikaanse Pepsi in Indonesië

 

Leon Segers bezocht 13 juni j.l. een symposium in Utrecht, waar onderzoekers van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck van de Universiteit Antwerpen de bevindingen presenteerden van hun studie (gefinancierd door het Nederlandse Instituut Gak, kijk dit is het bestuur) naar de effecten van de invoering van een basisinkomen in Nederland. Hun conclusie: Het basisinkomen zorgt juist voor meer armoede. De koppen logen er niet om deze week. Maar wie het nieuwe onderzoek bestudeert (hier, hier, hier en hier de oproep van een Vlaams parlementslid om te gaan experimenteren met een basisinkomen in België), denkt al gauw ‘onzin’. Ook Leon dacht ‘onzin’ en besloot om zijn visie te geven. Hij komt tot een heel andere conclusie dan de bovengenoemde onderzoekers. Zijn boodschap: Plaats het basisinkomen in mondiaal en ecologisch perspectief, dan zie je dat de invoering ervan het nieuwe strijdtoneel van de klassenstrijd is.[1]

 

Strijdtoneel van de klassenstrijd

Het “strijdtoneel” van de klassenstrijd is zeer veranderd sinds de globalisering. Tot in de jaren 80 bestond het merendeel van het kapitaal nog uit materiële dingen, gebouwen, machines, etc. Het strijdtoneel was dus te overzien, stakingen etc. waren aan de orde van de dag en konden door de arbeidersklasse gebruikt worden als wapen. Een sociaal contract werd dus via countervailing power afgedwongen. Nu heeft “het kapitaal met vlag en wimpel gewonnen” zoals Alfred Kleinknecht dat uitdrukt.

Je zou ook kunnen zeggen dat het “strijdtoneel” zoek is, immers alleen voor buschauffeurs, ambtenaren en schoonmakers en andere “grondgebonden” bedrijven heeft het nog zin om te staken, alleen dus voor de pseudo-arbeiders. In andere, “echte” bedrijven, is men zelfs bang voor staking want het bedrijf kan zo maar “vertrekken”. Deze toonaangevende bedrijven zijn dus min of meer ongrijpbaar geworden. Het kapitaal dat er echt toe doet, “zwerft” over de aarde, op zoek naar rendement; in de bedrijven staan zetbazen aan het hoofd, die ook zo maar aan de dijk gezet kunnen worden. De “waarde” van het bedrijf wordt aan de beurzen bepaald en de “materiële vaste activa” zijn van relatieve waarde, van relatief belang geworden. De “brand” en de “know how” bepalen de winstgevendheid en dus de waarde.

Ook het proletariaat is van positie en inhoud veranderd. Het zijn niet meer “armoedzaaiers”, die alleen hun arbeid kunnen verkopen en aan de willekeur van de kapitalisten zijn overgeleverd. Nee, zij hebben zich verenigd en zijn participerende burgers geworden. Via een “zorgzame” overheid hebben zij in het verleden zelfs de kapitalisten de kosten van de verzorgingsstaat “op hun nek geschoven”.
Door deze kosten echter aan de “productieve” arbeider te hangen wordt die productieve arbeider nu “uit de (globale) markt geprijsd”. In deze wereld “moeten” de vakbonden smeken om “arbeidsplaatsen” en ze doen dat ook (!). Zij zijn van aanbieder van arbeid tot vrager van arbeid(splaatsen) geworden. In die rol zijn ze terecht gekomen, van klassenstrijd is zodoende geen sprake meer en zelfs nauwelijks nog van countervailing power.

En omdat het kapitaal via het banksysteem kan wegvluchten doet het dat natuurlijk ook, op zoek naar (meer) winst, met alle gevolgen van dien; nu de productie (vanwege de winst) naar de andere kant van de wereld wordt gedrongen, zijn wij in het westen alleen nog maar goed om koopkracht te leveren en zo voor de onontbeerlijke sprong in het geld te zorgen. Intussen onttrekt deze gang van zaken het cement aan onze samenleving en het maatschappelijk kapitaal wel langzamerhand uit. Er vindt een soort van “onteigening” plaats, doordat de hier gemaakte (verkoop)winsten, elders in de wereld hun productieve neerslag vinden. In Nederland staat alleen het werkgever/werknemer structuurtje nog overeind en de SER doet z’n kunstje nog zo nu en dan, maar het heeft geen echte inhoud meer.

Ook het maatschappelijk kapitaal vertrekt !

De doelstelling van de sociaal democratie om, langs de lijn van organisatie van de samenleving dus via de staatsmacht, de arbeider aan zijn trekken te laten komen (hem een “fair share” van de welvaart toe te delen) heeft dus zijn einde gevonden bij de globalisering. Het privé kapitaal kan nu immers “ontsnappen” aan de macht van de staat. De verzorgingsmaatschappij is dus zogezegd in de lucht komen te hangen. De productie is almaar minder afhankelijk van het fysieke kapitaal als gebouwen en installaties, het immateriële kapitaal speelt een steeds grotere rol. Productie en productiviteit worden tegenwoordig meer bepaald door factoren die aan individuele mensen, aan samenwerkende mensen, aan teams hangen. Terwijl de overlegstructuren nog uit de tijd van het privékapitaal en de klassenstrijd stammen, is het “productieve kapitaal” dus veel meer een “maatschappelijk kapitaal” geworden. Dat maatschappelijk kapitaal wordt echter niet als zodanig beloond, ook niet voor zijn rol in het productieproces; de dragers ervan worden wel beloond c.q. eisen hun beloning op alsof het (alleen) hun eigen verdienste is.

Een dergelijk systeem waarin het maatschappelijk kapitaal als zodanig niet gezien c.q. niet beloond wordt en dus ook niet “onderhouden” wordt, loopt het gevaar om “uitgewoond” te raken. Feitelijk gebeurt dat ook al, naargelang de concrete productie uit de rijke wereld wordt verplaatst, verdwijnt daarmee op de duur ook de kennis en zeker de ontwikkeling van die kennis. De talentvolle cultuurdragers vertrekken of worden weggekocht en met hen verdwijnt dus ook de kennis c.q. het maatschappelijk kapitaal langzamerhand. Zij worden gelokt door de dynamiek van het kapitaal zelf m.a.w. zij volgen de “winst”. Europa zal langzaam leeglopen, zoals in de 19-de eeuw met Spanje en Portugal is gebeurd.

Scheve globalisering en maatschappelijke verarming
strijdtoneel
Overdag financieel technicus, ’s nachts muziek producer

Innovaties worden (dankzij ons maatschappelijk kapitaal) nog wel hier gedaan, maar zodra het aankomt op het materialiseren van deze uitvindingen, het omzetten ervan in producten, zijn onze productievoorwaarden veel te ongunstig, omdat de (loon)kosten veel te hoog zijn; die productie kan in de lage lonen landen veel “winstgevender” geschieden. Waarom? Omdat de (loon)kosten er veel lager zijn; de andere productievoorwaarden zijn namelijk elders zeker niet beter, uitgezonderd wellicht de regelgeving … met alle milieugevolgen van dien. Omdat het milieu en ook de grondstoffenschaarste veelal mondiale componenten heeft, lijkt internationale regelgeving hier aan de orde.
De comparatief hoge loonkosten in het westen zijn het gevolg van het welvaartsverschil en de lasten op de lonen. De ondernemer zal daar produceren waar hij het goedkoopste uit is. Aangezien de kosten van de welvaartsstaat m.a.w. de instandhouding van het maatschappelijk kapitaal, eenzijdig in “onze” loonkosten worden begrepen, vlucht het (privé)kapitaal voor zijn productie naar de landen waar slechts het “instandhoudingsloon” betaald hoeft te worden. Bij de burgers zorgt de regelgeving rondom het belasten van de lonen, voor de “opsluiting” van mensen binnen de kaders van de verzorgingsstaat.

Hierdoor krijgt het maatschappelijk kapitaal dat in de burger, zijn opleiding en zijn maatschappelijke inbedding besloten ligt, moeilijk kansen om uit te breken en productief te worden. Mensen proberen daaronder uit te komen, door zelf wat te beginnen, maar uitsluiting van de sociale regelingen maakt die drempel erg hoog, zodat zij voor het (privé) kapitaal geen bedreiging (concurrent) kunnen/zullen worden.

Invoering van een basisinkomen maakt enerzijds de tewerkstelling hier een stuk goedkoper, doordat het de loonkosten verlaagt en het anderzijds mensen stimuleert (arbeiders), om zichzelf tezamen met het in hunzelf besloten maatschappelijk kapitaal productief te maken en wel in hun eigen omgeving. Zo kan het maatschappelijk kapitaal zelf productief en creatief blijven en wordt voorkomen dat het cement uit onze samenleving verdwijnt. Invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen zou aldus de arbeidsmarkt drempelloos toegankelijk maken ook voor eigen innovatie en zzp-ers.

De klassenstrijd voorbij – instandhouding van het kapitaal

“Het kapitaal heeft gewonnen en ATV (arbeidstijdverkorting) heeft geen kans”, zoveel is zeker, als je de samenleving tenminste als een klassenmaatschappij wil zien/begrijpen en je het kapitaal beperkt tot het privékapitaal. De mondige burger is echter niet meer te begrijpen in de zin van proletariaat, hij is zelf eigenaar van het maatschappelijk kapitaal en daarom is hij toe aan een centrale positie in de samenleving. Kapitaal is immers de in het verleden geaccumuleerde en de van God gegeven middelen, die door de samenleving ingezet worden voor de productie van goederen en diensten. Dit kapitaal, te onderscheiden in biokapitaal, maatschappelijk kapitaal en bedrijfskapitaal, vormt de rijkdom van een samenleving en dient door haar onderhouden en op peil gehouden te worden, om die samenleving verder te helpen, zich te laten ontwikkelen.

De onderhoudskosten van het bedrijfskapitaal zijn, als afschrijvingskosten, begrepen in de kosten (de kostprijs) van het product. De kosten ter instandhouding van het maatschappelijk kapitaal en het bio kapitaal, dienen ook in de kostprijs van de producten te worden begrepen, en wel via belastingheffing door de overheid/staat. Deze kosten bevatten in ieder geval de instandhoudingskosten van het milieu en de milieukwaliteit, maar ook de instandhoudingskosten van de maatschappelijke infrastructuur en van de mensen (de kapitaaldragers) zelf, door middel van een OBi (Onvoorwaardelijk Basisinkomen). De consequentie van deze kostprijsberekening kan worden uitgedrukt in de volgende slogan : “Wie de burger centraal stelt is voor een basisinkomen en wie de aarde lief heeft, belast de voetafdruk”.

Overigens hoeft de invoering van een OBi niet direct invloed te hebben op de inkomensverdeling, het kan zich grotendeels beperken tot het “plakken van andere etiketten”. Nu heeft immers in onze samenleving ook ± iedereen (genoeg) om van te leven, tenminste daar laten we ons als samenleving op voorstaan. Het gaat er om dat de verhoudingen en de initiatieven in de samenleving anders komen te liggen, dat daardoor de richting waarin de samenleving zich ontwikkelt, fundamenteel verandert.
Belangrijke misstanden die om een oplossing schreeuwen, komen o.a. tot uiting in het feit dat nog vele mensen in de wereld honger hebben, terwijl er een overvloed aan voedsel wordt voortgebracht. Dat er in het westen overvloed aan goederen is, maar tevens werkeloosheid c.q. inkomensprecariaat. (In de 30-er jaren was er schaarste en werkeloosheid !) en dat de wereldwijde ecologische problemen de pan uit rijzen en alsmaar groter worden, hetgeen onszelf en onze kinderen bedreigt.
Deze ongerijmdheden vloeien rechtstreeks voort uit de nefaste werking van het economisch systeem en worden met andere woorden dus veroorzaakt door economische (wan)verhoudingen.

Welvaartsverschillen “manipuleren” prijsverhoudingen

In een (min of meer) gesloten economie worden de prijsverhoudingen eenvoudig bepaald door de ecologische gegevenheden (c.q. door “milieu-obstakels” die overwonnen moeten worden en dus kosten veroorzaken).  Als het uit maatschappelijk oogpunt “beter” gevonden wordt dat bepaalde goederen niet of minder gebruikt worden, worden deze gegevenheden aangevuld met (verbods)regels en eventuele manipulatie van de prijsverhoudingen door belastingheffing (accijnzen en eventueel invoerrechten). Verder veroorzaken verschillen in koopkracht (c.q./en macht) ook bepaalde ongelijkheden op de markt, dat is echter “all in the game” van de marktwerking zelf.
In een open globale economie zijn de ecologische gegevenheden relatief en naar de achtergrond gedrongen, maar de waardes in de markt hebben twee kanten nl. de waarde in die (beperkte) regio (in marxistische termen zou je kunnen spreken van “gebruikswaarde”) en de waarde op de globale markt, de ruilwaarde. Hier is de klassieke “ruilwaarde” een veel te beperkt begrip, omdat daar, in een min of meer gesloten economie, culturele verschillen geen rol spelen. Dus bij de dialectische verhouding tussen ruilwaarde en gebruikswaarde, komt in een globale wereld bovenop de ruilwaarde nog een extra culturele component nl. het welvaartsverschil tussen landen en regio’s.

strijdtoneel Langs de “ecologische meetlat” die van nature de prijsverhoudingen bepaalt, zijn de prijsverhoudingen in de globale wereld dus ook nog “gelaagd” voor de welvaartsverschillen. Hierdoor staan in de globale wereld ruilwaarde en gebruikswaarde niet meer in een zuivere dialectische verhouding tot elkaar, maar is er eerder sprake van twee verschillende waardesystemen c.q. verschillende werelden/economieën. Als deze beide werelden toch in een markt worden gebracht, ontstaan er prijsverhoudingen die (langs de ecologische meetlat) “geperverteerd” zijn en dus de ecologie in een verkeerde richting duwen, c.q. overbelasten.

De verstoringen van het milieu die veroorzaakt worden door de economische activiteiten waarmee wij aldus geconfronteerd worden, vinden via economische krachten van de markt dan ook geen evenwicht meer, zij lopen alsmaar verder uit de hand door die perverse werking van het prijsmechanisme op wereldschaal. Noodmaatregelen die de ernstigste milieugevolgen van de beschreven economische wetmatigheid proberen te verminderen zijn weliswaar nuttig maar het is dweilen met de kraan open. De “economie” zal steeds opnieuw en dus structureel voor nieuwe milieuproblemen zorgen.
Dus niet alleen zijn noodmaatregelen via de Verenigde Naties etc. aan de orde. Het is noodzakelijk om de perverse werking in de wereldprijs verhoudingen ten principale te corrigeren, willen we nog een aarde overhouden. Een dergelijke correctie kan bereikt worden door het element van de welvaartsverschillen uit de markt(werking) te halen en op die manier (weer) een level playing field te creëren, zodat ook op wereldschaal de markt “zijn werk kan doen” en er dus weer een dialectische verhouding tussen ruilwaarde en gebruikswaarde kan ontstaan.

Deze welvaartsverschillen vertalen zich rechtstreeks in loonverschillen c.q. in kosten van levensonderhoud. Door aldus de kosten van levensonderhoud uit de lonen te halen wordt het speelveld op wereldschaal weer gelijk en zullen die door het welvaartsverschil veroorzaakte loonverschillen voor globale ondernemingen ook geen reden meer zijn om hun productie te verleggen, naar zgn. lage lonen-landen.

Productiekrachten vs. productieverhoudingen

Een afdoende oplossing voor deze wereldwijde arbeidsprijs perversie zou zijn, het wereldwijde invoering van een OBi ter hoogte van het plaatselijke bestaansminimum.
Het (echte) loon zou dan inderdaad de beloning zijn voor de geleverde arbeid, want dat loon hoeft dan niet langer te dienen om het (naakte) bestaan te bekostigen. Van de andere kant (productiekant) kun je een basisinkomen ook zien als de (afschrijvings)kosten c.q. de instandhoudingskosten van de bevolking zelf, de dragers van het maatschappelijk kapitaal. In de bedrijfseconomische calculaties (leer van de kostprijs) gelden de afschrijvingskosten van bv. machines dan ook als daadwerkelijke kosten. Vanuit dat standpunt gezien behoort een OBi voor alle inwoners tot ook de “kosten”, die eerst gemaakt moeten worden voordat er maatschappelijk gesproken sprake is van “winst” c.q. van meerwaarde.

Omdat de mensen zelf ook onderdeel zijn van die bepaalde biotoop, is de instandhouding van hen ook zonder meer, een kwestie van duurzaamheid. De rest van de biotoop kan in stand gehouden worden door duurzaamheid zelf als norm voor de productie van goederen en diensten te stellen. Als belangrijkste gevolg zal dit op wereldschaal leiden tot prijsverhoudingen, die door de toekenning van een OBi in ieder geval het welvaartselement (uit de ruilwaarde) van de markt halen. Door aldus de ruilwaarde te ontdoen van de maatschappelijke gelaagdheid, die nu op wereldschaal staat tussen prioriteiten van ecologie en economie, kan de dialectiek van ruilwaarde en gebruikswaarde ook op wereldniveau worden hersteld en zullen de prijzen tot een aangepaste c.q. passende synthetische waardes tenderen.

In het cultureel-antropologisch model van de school van Claude Levi-Strauss is het dialectisch proces van productiekrachten en productieverhoudingen de hoofdtegenstelling c.q. de motor van de maatschappelijke ontwikkeling. In ons tijdsgewricht wordt de stand van de productiekrachten o.a. door de werking van internet en ICT in het algemeen zeer laagdrempelig en anarchistisch. Iedereen heeft toegang tot en deel aan de ontwikkeling van die productie krachten. Aan de kant van de productieverhoudingen wordt de hiërarchische top-down organisatie uit de tijd van de industriële revolutie, die nu nog toonaangevend is voor de organisatie van de samenleving, door de werking van het OBi, vervangen door een transparante toegankelijke democratie.

Door aldus de mensen zelf als dragers, organisators en ontwikkelaars te zien en te “organiseren” zou ook aan deze kant de dialectische verhouding kunnen worden hersteld. Daartoe is het noodzakelijk dat de burger ook materieel en feitelijk in staat is (wordt gesteld) om het heft in de (eigen) hand te nemen. Ook op de arbeidsmarkt is er dan sprake van een echte markt waarin vrager en aanbieder vrij zijn om te laten of te bieden. Een OBi is daarvoor onontbeerlijk, het vormt een daadwerkelijk handvat om de productieverhoudingen enigszins met de ontwikkeling van de productiekrachten in overeenstemming te brengen. Bovendien maakt het de weg vrij om de productiekrachten binnen het bereik van de (democratische) samenleving te brengen, zodat de mensen ook daadwerkelijk invloed krijgen op de ontwikkeling van de productiekrachten.

Invoering van een Onvoorwaardelijk Basisinkomen zorgt voor een nieuwe dynamiek

strijdtoneel Als er een OBi zou worden ingevoerd, waardoor de mensen dus bestaanszekerheid zouden hebben, zonder voorwaarden vooraf en gegarandeerd door de samenleving zelf, zal dit niet alleen een grote impact hebben op de werking van de (arbeids)markt maar ook op de totstandkoming van de prijzen. Immers te verwachten is dat mensen andere keuzes zullen maken, ook doordat er nieuwe prijsverhoudingen van goederen en diensten zullen ontstaan. Om die gelijktrekking van het globale speelveld echt tot zijn recht te laten komen, dienen lonen weer gelijk te worden aan de loonkosten, dat betekent dat er geen belasting meer dient te worden geheven op de lonen zelf.

Ook in de definitie van het nationaal inkomen moeten de “nationale” instandhoudingskosten als afschrijvingskosten worden geteld en betaald, zoals we dat ook in de bedrijfseconomie gewend zijn te doen. Dat betekent dat wij concreet aan iedere burger van die bepaalde “ biotoop”, een basisinkomen verschaffen en ook de rest van die biotoop in stand houden o.a. door duurzame c.q. circulaire productie. Als belangrijkste gevolg zal dit op wereldschaal leiden tot nieuwe prijsverhoudingen, die in ieder geval het welvaartselement uit de ruilwaarde op de globale markt halen en zo die ruilwaarde ontdoen van haar maatschappelijke gelaagdheid, die nu steeds staat tussen ecologische en economische (markt)waardes.

Door invoering van een OBi komen de ecologische en economische kringlopen dichter bij elkaar en komen duurzaamheid en economisch evenwicht in een dialectische verhouding tot elkaar. Zo komen economische prijsverhoudingen weer tot natuurlijke prijsverhoudingen, maar nu ook op wereldschaal. Pas door deze nieuwe prijsverhoudingen kunnen de wanverhoudingen in de wereldeconomie worden opgeheven, en kan er via de markt een duurzaam evenwicht ontstaan. Wel is hier alertheid geboden en zijn periodieke aanpassingen van het OBi over de wereld noodzakelijk. Zo kan het OBi wereldwijd tevens functioneren als een (alternatieve) wisselkoers, die zijn basis vindt in de reële economie.

Zo’n duurzaam economisch evenwicht is een voorwaarde voor alle andere duurzaamheid, omdat het de dynamiek van het menselijk handelen in overeenstemming brengt met de wetten van de natuur.

Maastricht, 14 juni 2018
J.J. Segers, econometrist

Foto’s:

 


1. De tekst van dit artikel is een bewerking van een ouder stuk.

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube