Basisinkomen loopt stuk op taboe (2004)

Facebooktwitterlinkedinmail

IN 2004 presenteerden kopstukken uit de Nederlandse samenleving een plan voor een basisuitkering. Ten onrechte blijven ze weg van de idee van een basisinkomen, stelt Hans Schlaghecke toenmalig redacteur bij het FD.
Het kabinet mist een langetermijnvisie op de gewenste sociale zekerheid. De ideeën over vut, prepensioen en levensloopregeling zijn onvoldoende doordacht en leiden tot conflicten met de vakbeweging. Het alternatief dat prominenten als Herman Wijffels (SER) en Flip Buurmeijer (PvdA) en anderen uit werkgevershoek, vakbeweging, verzekeringswezen en politiek afgelopen vrijdag presenteerden, geniet de voorkeur en biedt een beter stelsel. Toch deinzen de ondertekenaars van het pamflet terug voor de ultieme consequentie van hun analyse. Ze benadrukken de introductie van een basisuitkering, maar blijven weg van de idee van een basisinkomen.

Een basisinkomen als alternatief voor het huidige woud aan sociale uitkeringen kent een lange voorgeschiedenis. Een voorstander was bijvoorbeeld de liberale econoom Friedrich Hayek (1899-1992). Hij had, anders dan veel andere voorvechters van het marktgedreven kapitalisme, oog voor de belangrijke rol die rijke Amerikanen en Europeanen in de samenleving speelden.

Bevrijd van de druk om een inkomen te verwerven, droegen ze bij aan het debat over ethiek en cultuur. Ze leverden een bijdrage aan de wetenschap, stichtten scholen en ziekenhuizen en stonden vaak aan de wieg van coöperaties, zoals op het terrein van collectieve verzekeringen.

Beroemde staatslieden en politici uit de negentiende en twintigste eeuw leverden hun bijdragen en spreken nog steeds tot de verbeelding. Of het nu Johan Rudolf Thorbecke in Nederland is of Thomas Jefferson in de Verenigde Staten. Ze vormen deel van een oude traditie die teruggaat tot de burger uit de Griekse polis of de senator in het republikeinse Rome.

Burgerloon
Het beeld van de financieel onafhankelijke burger die zich inzet voor het algemeen belang vormt een drijfveer voor mecenassen als George Soros of Bill Gates. Het is ook een belangrijk motief om te pleiten voor een basisinkomen, een ‘burgerloon’ dat een politieke gemeenschap al haar leden betaalt, zonder vermogenstoets of arbeidsinzet. Voorstanders zijn te vinden bij progressieve stromingen en milieupartijen, bijvoorbeeld in Ierland en Finland. Ze zijn er ook onder progressieve Democraten in de Verenigde Staten.

Er is een tweede, meer actuele reden om te pleiten voor een basisinkomen. De huidige arrangementen in de sociale zekerheid zijn uiterst ingewikkeld, fraudegevoelig en moeilijk te controleren. Daar komt bij dat door de mondialisering van de economie veel laaggeschoolde arbeid uit het geïndustrialiseerde Westen is verdwenen. De oudere, lichamelijk versleten fabrieksarbeider die vroeger een positie kreeg als portier of magazijnbediende, slijt nu zijn jaren in de WAO. Een gedeeltelijk basisinkomen voor iedere burger legt een vloer in het loongebouw, waar bovenop de marktwerking zijn gang kan gaan. Opgeheven banen krijgen weer een kans.

Bijna twintig jaar geleden pleitte Nic Douben, hoogleraar economie in Tilburg en Eindhoven, voor een gedeeltelijk basisinkomen. Hij deed dat in 1985 als lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in het rapport ‘Waarborgen voor zekerheid’. Douben wilde toen iedere Nederlander tussen de 18 en 65 jaar een maandbedrag van 450 gulden geven, het toenmalig verschil tussen het sociaal minimum voor een alleenstaande en dat voor een echtpaar. Dat gedeeltelijk basisinkomen kwam ongeveer overeen met een derde van het minimumniveau.

Onbetaalbaar
Doubens voorstel verdween snel van tafel. Wat betreft timing was de presentatie ongelukkig, omdat het kabinet zich toen al had vastgelegd op eigen ideeën voor een stelselherziening. Maar het grootste praktische obstakel bleek de financierbaarheid. Ook de niet-werkende vrouw van de tandarts krijgt dat inkomen, luidde de kritiek. Dat maakte het bijna onbetaalbaar, mede omdat de individualisering in belasting- en sociale zekerheidsarrangementen toen minder ver was voortgeschreden dan nu.

Bijna vijf jaar geleden lanceerde Pieter Korteweg, toen voorzitter van Robeco, de gedachte om de opbrengst van de veiling van gsm-frequenties te gebruiken voor een Generatiefonds. De bijna tien miljard euro moest worden belegd in aandelen en staatsobligaties, waaruit iedere Nederlander boven de achttien jaar een aandeel van zo’n vijfduizend euro zou krijgen. Deze ‘aandeelhouders in de samenleving’ hebben een betere uitgangspositie om over hun lot te beslissen, was zijn redenering. Ze kunnen het inzetten om later een hypotheek gedeeltelijk af te lossen, om een eigen bedrijf te starten of om het te consumeren. Vergelijkbare ideeën doen opgeld in de Verenigde Staten. Alaska kent al sinds 1977 een soort basisinkomen. Het is een fonds, gevoed door olie- en gasinkomsten, dat jaarlijks een dividendbedrag aan de burgers uitkeert. In 1988 bedroeg dat 827 dollar, oplopend naar 1850 dollar in 2001.

Het pamflet van Wijffels en zijn medestanders wil, net als het rapport van Douben in 1985, een doorbraak forceren in de sociale zekerheid. Maar het pamflet is minder radicaal. Het onderscheidt een stelsel in drie fasen en kent twee componenten. In de eerste plaats een persoonlijk kapitaalfonds: een scholingsfonds bij de aanvang van het leven, overgaand in de levensloopregeling die het kabinet-Balkenende op dit moment aan het opzetten is. Daarnaast verstrekt de overheid uitkeringen: een basisuitkering tijdens het werkzame leven en een AOW-pensioen daarna.

Maatschappelijke inspanning
Zorgvuldig vermijdt het pamflet de notie van een basisinkomen. De gepresenteerde basisuitkering tijdens het werkzame leven is geconditioneerd. Ze kent geen vermogens- of partnertoets, maar eist wel een maatschappelijke inspanning. Men moet óf investeren in eigen kennisontwikkeling, óf een bijdrage leveren in de sfeer van de zorg.

Het pamflet laat de mogelijkheid passeren om een waarlijk radicale vernieuwing te bepleiten. De christelijk-puriteinse ethiek en het sociaal-democratische gedachtegoed, waarin betaalde arbeid de sleutel vormt voor de emancipatie in de samenleving, vormen een formidabele barrière tegen de introductie van een basisinkomen. Los van alle praktische bezwaren tegen zijn partieel arbeidsinkomen leed Douben uiteindelijk schipbreuk op het principiële bezwaar dat werk en inkomen niet gescheiden mogen worden.

Het diepgewortelde arbeidsethos staat onder druk. De wens naar meer vrije tijd, de populariteit van deeltijdwerk en de pogingen meer tijd vrij te maken voor opvoeding van kinderen en zorg voor de naasten, illustreren dat. De levensloopregeling haakt daar op in, maar moet ingepast worden in bestaande arrangementen, wat de duidelijkheid niet ten goede komt. Een langetermijnvisie die het taboe op het prestatieloos inkomen weet te doorbreken, voegt daar wezenlijk wat aan toe. Meer dan Wijffels c.s. nu doen met hun basisuitkering.

Hans Schlaghecke is redacteur van Het Financieele Dagblad.
Laatst bijgewerkt op: 27/10/2004 16:54

Klik hier voor het manifest  Sociale Zekerheid als Investering, naar een hervormingsagenda voor de sociale zekerheid

Bron:  2004 Het Financieele Dagblad

Zie hier de oude discussie uit 2004: https://basisinkomen.nl/vbiforums/index.php?showtopic=65

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube