Basisinkomen maakt arbeid goedkoper en vooral flexibeler

Facebooktwitterlinkedinmail

Flexibele arbeidIn de aanloop naar het Zwitserse referendum op 5 juni jl. over de invoering van het basisinkomen aldaar, werd veel geschreven over de voor en tegens van deze maatschappelijke innovatie.

Zeit Online geeft een mooi overzicht, en mocht de Duitse taal problemen geven, dan biedt De WereldMorgen of de Vereniging Basisinkomen een goed alternatief.  Ik beperk mij hier tot de discussie over het effect op de arbeidsmarkt. Een zwak argument tegen heb ik teveel gehoord, terwijl een krachtig argument vóór onvoldoende aan bod is gekomen. Laten we eerst dat tegenargument afhandelen.

 Dan wil niemand meer werken!

Luie kikkerDe bewering dat bij een gegarandeerd inkomen (te)veel mensen niet meer willen werken, lijkt mij in strijd met de menselijke natuur. Iedereen wil graag een paar keer met vakantie, maar alleen als ze de rest van het jaar mogen werken. Mensen met een uitkering – dus met een soort basisinkomen – sparen kosten noch moeite om aan een baan te komen, totdat ze eindelijk beseffen dat er op de arbeidsmarkt voor hen geen plek is. En wat te denken van al die mensen die – noodgedwongen – met pensioen gaan of in de WIA terecht komen? Velen komen dan in een flinke dip terecht, want hebben het gevoel dat ze niet meer meetellen. Kortom, ook bij een gegarandeerd basisinkomen wil bijna iedereen blijven werken.

Althans, wanneer aan bepaalde basisvoorwaarden wordt voldaan. Want wat de meeste mensen niet meer willen is de moderne vorm van slavernij: voortdurend tijdelijke aanstellingen, vijf of zes dagen beschikbaar voor de baas, ‘vrije tijd’ die opgaat aan woon-werk verkeer en ‘bereikbaarheid’, stress op het werk, of nutteloze werkzaamheden die van hogerhand (management) of buitenaf (overheid) worden opgelegd. En terecht, want ‘die armoe’ is in de 21e eeuw niet meer nodig, dankzij robots, slim organiseren én een basisinkomen.

 Dubbele dualiteit op de arbeidsmarkt

In analyses over de arbeidsmarkt worden zowel werknemers als werkgevers teveel over één kam geschoren. Vooral economen hebben de neiging de arbeidsmarkt op te vatten als een stelsel van communicerende vaten die via het loonmechanisme met elkaar in verbinding staan. Kort door de bocht: tekorten of overschotten op de ene deelmarkt worden na verloop van tijd opgeheven door instroom vanuit of uitstroom naar andere deelmarkten.

De realiteit is een tikkeltje anders. Aan de aanbodkant is er een steeds hoger schot tussen insiders en outsiders. Insiders hebben een vaste aanstelling met een redelijk omschreven functie die ze uitoefenen tot hun pensioen of – als ze pech hebben – tot de volgende ontslagronde. Outsiders – meestal jongeren, herintreders of mensen met een vlekje – hebben voortdurend tijdelijke aanstellingen, met relatief lage lonen,.

Los van allerlei nuances is er aan de vraagkant een duidelijk onderscheid tussen sectoren waar de meeste bedrijven voldoende geld hebben om hoge lonen te betalen, en sectoren die arbeidsintensief en laag-productief zijn, of om andere redenen last hebben van hoge loonkosten. Bij de eerste categorie kun je denken aan high-tech bedrijven, bepaalde overheidsorganisaties, grote banken en accountantskantoren, en andere bedrijven die zich relatief dure insiders kunnen veroorloven. Bij de andere groep gaat het om zorg- en onderwijsinstellingen, horeca, detailhandel e.d., die – mede onder druk van bezuinigingen in de collectieve sector – voortdurend goedkope outsiders moeten inschakelen om de dienstverlening nog enigszins op peil te houden.

Problemen aan de vraagzijde

(voor werkgevers)

Tweedeling aan de aanbodkant (werknemers)
outsidersinsiders
Te weinig doorstromingAB
Te hoge loonkostenCD

 Wet Werk en Zekerheid schiet tekort

Dat deze dubbele dualiteit op de arbeidsmarkt te weinig wordt onderkend, blijkt onder meer uit de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). Met deze wet, die op 1 juli 2016 zijn laatste fase ingaat, wil de regering ervoor zorgen dat outsiders op de arbeidsmarkt (A en C in de matrix) meer kans hebben om insiders (B en D) te worden, dus de benodigde zekerheden krijgen. Werkgevers willen juist meer flexibilisering, zodat ze de in hun ogen overbodige en ongeschikte insiders eerder kunnen lozen (B), of de loonkosten kunnen verlagen (D). Verdedigers van de WWZ, zoals Paul de Beer c.s., betogen dat de flexibilisering te ver is doorgeschoten en grote nadelen heeft, niet alleen voor werknemers maar ook voor de innovatiekracht die werkgevers willen realiseren. Werknemers die voortdurend het risico lopen om – eventueel tijdelijk – weggestuurd te worden, zullen immers niet investeren in kennis en competenties die vooral voor hun werkgever belangrijk zijn.

De Beer c.s. lijken te weinig oog te hebben voor de dubbele dualiteit op de arbeidsmarkt. Sommige outsiders willen helemaal geen insider worden, zeker zolang zij zich nog niet willen settelen. En voor sommige bedrijven en sommige werkzaamheden is het helemaal geen probleem om met tijdelijke aanstellingen te werken. Niet alle vormen van innovatie hebben last van flexibele arbeidskrachten. Silicon Valley is toonaangevend op het gebied van computer- en informatietechnologie mede dankzij ‘flexibel arbeidsmarktgedrag’ van hooggekwalificeerde medewerkers. Door snel van bedrijf te wisselen helpen die technologische kennis te verspreiden, en zorgen ze ervoor dat bedrijven met elkaar verbonden raken.

Het hoofdprobleem van de huidige arbeidsmarkt is aan de ene kant dat werknemers niet voldoende zekerheden (voor categorie A) of inkomen (C) krijgen op het moment dat die nodig hebben, bijvoorbeeld om eigen huis te kopen of een gezin te stichten. Aan de andere kant zitten veel werkgevers opgescheept met arbeidskrachten in vaste dienst die te duur (categorie D) of te weinig flexibel zijn (B). Het basisinkomen biedt zowel zekerheid – mits levenslang gegarandeerd – als een minimaal inkomen, met als gevolg dat de arbeidsmarkt voor alle partijen beter gaat functioneren.

Dat geldt zelfs voor werknemers die ogenschijnlijk in een ideale positie verkeren. Leeft u even mee met een willekeurige werknemer uit categorie B?

 Zonder basisinkomen zit ik in een gouden kooi

Al enige tijd heb ik het niet meer naar mijn zin op het werk, wat tot gevolg heeft dat mijn creativiteit en ambitie op een laag pitje staan. Ik ben daar niet blij mee en mijn werkgever evenmin. Hij zou mij graag ‘inruilen’ voor iemand die ’s morgens wèl fluitend naar zijn werk gaat. Maar als ik gewoon mijn werk blijf doen en mij niet misdraag, kan hij mij niet ontslaan. Terecht! Zolang ik geen andere uitdagende baan kan vinden die mij vergelijkbare arbeidsvoorwaarden biedt, blijf ik dus zitten waar ik zit. Want ik pas ervoor om vrijwillig weg te gaan, omdat ik dan geen recht heb op WW en word overgeleverd aan de bijstand met alle vernederende plichten en controles die daar bij horen. Zelfs als ik het op een akkoordje zou kunnen gooien met mijn werkgever, zodat ik een redelijke transitievergoeding – beter bekend als vertrekpremie – krijg, dan zal ik mij wel driemaal bedenken. Zeker wanneer er sprake is van opgroeiende kinderen en een huis dat ‘onder water staat’.

Ik ben niet bepaald de enige die in dit lastige parket zit, maar is het natuurlijk een luxe probleem vergeleken met de andere categorieën op de arbeidsmarkt (A, C en D)..

Met een basisinkomen zijn werknemer én werkgever beter af

Zal invoering van het basisinkomen enig verschil maken? Als ik dan ontslag neem, heb ik wellicht voldoende geld voor een basisbestaan, maar veel extra uitgaven – die ik gewend ben – kan ik mij dan niet meer veroorloven. Tenzij ik voor twee, drie of vier dagen een baan kan krijgen.

Dat gaat je niet lukken, hoor ik u zeggen. Als je eerder geen – fulltime – baan kon vinden, dan zal die andere baan er zeker niet zijn op parttime basis. Er zijn echter twee grote verschillen. Vanwege het gegarandeerde basisinkomen heb ik minder problemen met een tijdelijke aanstelling, en kan ik genoegen nemen met een lager uurloon. Het basisinkomen maakt mij dus een stuk aantrekkelijker voor mijn toekomstige werkgever.

Overigens geldt dat ook voor mijn huidige werkgever, in het geval ik ervoor kies om te blijven maar dan voor minder dagen. Ik kan mij dan beperken tot de werkzaamheden die mij nog wel voldoende arbeidsvreugd geven; de andere dagen kan ik besteden aan mijn gezin, mijn hobby’s, of aan een opleiding die mijn kansen op een andere baan aanzienlijk vergroot.

Wat schiet uw werkgever daarmee op, zult u tegenwerpen. Voor de overige dagen moet hij een ander in dienst nemen, en die doet dat niet voor niets. Klopt, maar dankzij zijn basisinkomen zal ook die ander genoegen kunnen nemen met minder ontslagbescherming of een lager loon. Zoals een hoge werkloosheid een neerwaartse druk op het loonniveau uitoefent, zo zal ook de invoering van het basisinkomen de lonen onder druk zetten; merkwaardig dat economen hierover zwijgen. Het grote verschil is dat nu werkgever én werknemer er beter van worden, en dat de koopkracht op peil blijft.

 Wordt de rekening bij de belastingbetaler gelegd?

Tegenstanders van het basisinkomen wijzen erop dat het onbetaalbaar is. Patrick van Schie, directeur van het wetenschappelijk bureau van de VVD, zegt het zo: “Als het al betaalbaar zou zijn, kan het uitsluitend bestaan doordat één deel van de samenleving zwoegt om een ander deel van de samenleving aan een voortdurende vakantie te helpen.” Een typisch populistisch VVD-argument, dat als demagogische prietpraat kan worden bestempeld. Dat ‘werkend Nederland’ netto zo weinig overhoudt, komt vooral doordat inkomen uit arbeid meer, en andere inkomens steeds minder worden belast. In de periode 2000-2011 is het aandeel van de loonbelasting in het BNP gestegen van 6 tot 8 procent, terwijl het aandeel van de vennootschapsbelasting daalde van 4 naar 2 procent, aldus Heleen Mees die toch niet op socialistische gevoelens kan worden betrapt. De effectieve belastingdruk op de grootste niet-financiële ondernemingen is gedaald van ruim 28 procent in 2004 tot minder dan 10 procent in 2011. De financiering van het basisinkomen wordt een stuk makkelijker als de belastingontwijking door bedrijven wordt aangepakt.

De rekening voor de belastingbetaler valt bovendien reuze mee omdat vrijwel alle bestaande uitkeringen kunnen worden geschrapt. Ook de hele poppenkast van loonkostensubsidies, activerend arbeidsmarktbeleid, huur- en zorgtoeslagen wordt door de invoering van een basisinkomen overbodig. Het gaat dan niet alleen om de directe uitgaven die met deze overdrachtsinkomens zijn gemoeid. Er zijn ook diverse indirecte kosten, die door economen onder transactiekosten worden gerekend. Heel veel functies die nu bij het UWV, Belastingkantoor en Sociale Dienst worden uitgeoefend, in de vorm van controleren, monitoren, beleid maken, managen enz., hebben we straks niet meer nodig, zodat de collectieve uitgaven een stuk lager worden. Een recent onderzoek naar de effecten van het Mincome-project, een Canadees experiment in de jaren ’70, laat verder zien dat – zeer opmerkelijk – de medische kosten behoorlijk omlaag gingen na invoering van het basisinkomen, wat eveneens tot lagere belastingen of premies leidt.

Er is nog een ander effect dat in de discussie te weinig aan bod komt: het basisinkomen maakt het grijze en zwarte circuit minder aantrekkelijk. De meeste mensen in de bijstand, of met een andere uitkering, zijn zeer creatief in het vinden van klusjes die hen extra inkomen, sociale contacten, structuur, eigenwaarde en zelfs status geven, kortom ongeveer alles wat een officiële baan zo aantrekkelijk maakt. Maar de uitkeringsinstantie mag dat allemaal niet weten, want dan worden ze gekort en beboet, en dus gaan ze ‘ondergronds’. Dat ze op die manier geen bijdrage leveren aan de Schatkist, is slechts één probleem. Veel groter is het gevaar dat ‘misdaad loont’, met alle negatieve consequenties voor de rest van de samenleving. Een basisinkomen daarentegen zorgt ervoor dat iedereen in alle openheid kan experimenteren met bezigheden die later eventueel commercieel aantrekkelijk kunnen worden. Het creëert als het ware allerlei broedplaatsen van innovatie en ondernemerschap. Niet zo vreemd dus dat juist in Silicon Valley sommige ondernemers voor een basisinkomen pleiten.

 Werken voor de gemeenschap

De sceptische lezer zal wellicht tegenwerpen dat niet iedereen in staat is zijn eigen werk te creëren of op de arbeidsmarkt emplooi te vinden, ter aanvulling op het basisinkomen. Helemaal mee eens, en daarom ben ik zeker geen tegenstander van experimenten met baangaranties en basisbanen. In plaats van een uitkering te verstrekken, zou de gemeente mensen die langdurig zonder werk zitten een arbeidsovereenkomst moeten aanbieden, zo is het voorstel. Als werkgever dient zij te zorgen voor geschikte werkplekken, binnen of buiten de overheidssector. Ik vrees echter dat het leidt tot een enorme bureaucratische rompslomp en het rondpompen van heel veel geld als de overheid gaat proberen werkgevers over te halen om mensen in dienst te nemen die ze eigenlijk niet nodig hebben. Ik zie meer in gemeenschapsprojecten die in maatschappelijke behoeften voorzien en de sociale cohesie versterken, en die zodanig zijn georganiseerd dat ook kwetsbare leden van de samenleving bij de uitvoering worden ingeschakeld. Die gemeenschapsprojecten kunnen beter door commerciële bedrijven en sociale ondernemingen worden ontwikkeld en uitgevoerd, want die doen dat creatiever en sneller dan de overheid. De lokale overheid hoeft alleen elk dorp of wijk een budget te geven, dat besteed moet worden aan gemeenschapsprojecten. en ervoor te zorgen dat alle bewoners kunnen stemmen over allerhande voorstellen van individuen en collectieven – al of niet in de vorm van commerciële bedrijven – die hun project willen financieren uit dit budget. Vanwege de goedkope arbeid die door het basisinkomen beschikbaar komt, kunnen deze arbeidsintensieve gemeenschapsprojecten toch relatief goedkoop blijven.

 Uitdagingen voor de vakbeweging

Zoals gezegd is het onvermijdelijk dat de lonen zullen dalen bij invoering van het basisinkomen. Vooral aan de onderkant zal de arbeidsmarkt flinke verschuivingen laten zien. Door verlaging van de loonkosten wordt het voor werkgevers veel minder aantrekkelijk om robots aan te schaffen of buitenlandse werknemers in te schakelen. In de stijgende vraag naar arbeidskrachten zal echter alleen worden voorzien als het werk voldoende aantrekkelijk wordt; het basisinkomen dwingt de werkgever goede werkomstandigheden te creëren. Bovendien zal een discussie losbarsten over rechtvaardige beloningen, bijvoorbeeld waarom een vuilnisman minder verdient dan een bankier. Als de vakbonden dit creatief aanpakken, ligt er hier een mooie taak voor de vakbeweging, om verder te gaan dan het verdedigen van verworven rechten.

Tot slot de vraag die iedere keer weer wordt gesteld: hoe hoog moet het basisinkomen worden, en dient te worden gedifferentieerd naar leeftijd of andere criteria? Om dit soort vragen te beantwoorden heb je geen referendum of CPB-analyse nodig, maar een brede maatschappelijke discussie, liefst zonder commissies met louter academici. We moeten vooral allerlei proefprojecten opzetten, om te kunnen profiteren van de heilzame werking van ‘trial and error’.Ik geef Gradus gelijk als hij stelt dat buitenlandse experimenten weinig zeggen over de Nederlandse situatie, maar dat pleit er juist voor om in eigen land proef te draaien, met verschillende financiële en organisatorische constructies. Als we dit goed aanpakken, kunnen we eindelijk een echt gidsland worden

Auteur: S. de Beter  m.m.v. Henk Natjes en Len Kuba

 

P.S. “maar het CPB heeft toch berekend ………………..”

Tja, het schijnt onvermijdelijk te zijn en begint inmiddels op een nieuw soort Dutch Disease te lijken: zodra het over vraagstukken met een economisch tintje gaat, kun je er zeker van zijn dat – vroeg of laat – het CPB erbij wordt gehaald. Ook door Gradus die bijna terloops vermeldt dat volgens CPB-berekeningen een basisinkomen gelijk aan de helft van het sociaal minimum (circa 750 euro) 350.000 banen kost, “op basis van een empirisch model voor Nederland” voegt hij er volledigheidshalve aan toe. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat Gradus – mede op basis van die CPB-studie – al een standpunt heeft ingenomen, en zich nu verdienstelijk probeert te maken door andere economen te bestrijden die wèl iets in een basisinkomen zien, in dit geval Bart Nooteboom.

Hoewel ik die CPB-voorspellingen als één grote poppenkast beschouw en altijd moet denken aan de keizer die geen kleren droeg, voelde ik mij moreel verplicht naar de betreffende CPB-publicatie te kijken. Ik hoefde gelukkig niet verder te gaan dan de CPB-site, want het bleek geen doorwrochte studie over het basisinkomen te zijn. In de publicatie van slechts 18 pagina’s worden tal van maatregelen onder de noemer ‘fiscaal participatiebeleid’ onderzocht. Dat is nu het handige van die macro-economische modellen: je stopt allerlei maatregelen of plannen in, en er rolt altijd iets uit. En dat schrijven ze zelfs op, ook als het indruist tegen het gezond verstand en de realiteit. Zo blijkt uit hun studie het volgende: “Het invoeren van een basisinkomen heeft een averechts effect. Dit geeft tweede verdieners een financiële prikkel om te stoppen met werken en deze groep reageert daar relatief sterk op.”. Ik stel mij voor dat een van de drie CPB-auteurs ’s avonds thuis komt, en als volgt reageert als zijn partner vraagt of hij die dag nog iets interessants heeft meegemaakt. “Ja”, zegt hij dan, “uit ons model blijkt dat jij gaat stoppen met werken als een gegarandeerd basisinkomen van 750 euro wordt ingevoerd”. Waarop zij – of hij – gevat reageert: “Natuurlijk, schat, ik hang mijn master-diploma Fiscale Economie aan de wilgen, neem afscheid van mijn uitdagende baan met leuke collega’s en een inkomen van ruim 2000 euro, want met dit fantastische basisinkomen ga ik weer lekker thuis zitten in onze Vinex-wijk waar overdag iedereen weg is of met de kinderen bezig, ik ga gewoon een hobby zoeken en zorg iedere avond dat het eten – en de pantoffels – voor je klaar staan”

Bron: http://eco-simpel.nl/2016/06/28/basisinkomen-maakt-arbeid-goedkoper-en-vooral-flexibeler/

Facebooktwitterlinkedinmail