Basisinkomen, De stand van zaken, maart 2017

Facebooktwitterlinkedinmail

Daartoe uitgedaagd heeft Bart Nooteboom een overzicht van de stand van zaken in de discussie over het basisinkomen opgesteld. Dit overzicht kan nog verrijkt worden door uit te werken wat we precies geleerd hebben van de experimenten tot nu toe, welke experimenten nu van start gaan en de zekerheden en onzekerheden in de berekeningen betreffende de financiering. Hulp daarbij is zeer welkom.

Inleiding

De discussie over het basisinkomen (BI) in Nederland loopt al sinds de jaren 1970. Hier zijn enkele gebeurtenissen uit die tijd. In 1977 neemt de PPR een voorstel voor een BI op in het verkiezingsprogramma. In 1982 wijst de WRR het af. In 1983 wijst een partijcongres van de PvdA het af. In 1983 en 1984 produceert D66 twee nota’s over het basisinkomen, maar komt niet met een voorstel. 1985 doet de WRR een voorstel voor een beperkt BI van 450 gulden per maand. In 1987 verklaren de jonge democraten zich voorstander, en verklaart de VVD zich tegenstander. In 1989 wordt de Vereniging Basisinkomen opgericht. In 1992 toont CPB directeur Zalm zich gecharmeerd over het Bi.

De publieke discussie raakt in de jaren 1990 uitgebrand, maar het denken gaat voort en het onderwerp blijft smeulen, en vlamt de laatste jaren weer op. De discussie is nu breder en hardnekkiger. Velen vinden het niet meer te idioot om over te praten. Er worden diverse experimenten gedaan, in binnen- en buitenland. In Nederland neemt een aantal gemeenten initiatieven voor experimenten die een stapje in de richting van een BI gaan: meestal alleen voor uitkeringstrekkers. Ruimte wordt gevraagd voor bredere experimenten, met beroep op de participatiewet, maar de staatssecretaris staat dat niet toe.

In 2015 berekent het CPB dat een BI onbetaalbaar is, een te grote belastingverhoging vergt, maar dat wordt betwist, met de stelling dat sommige cruciale effecten niet in de berekeningen opgenomen zijn, en dat dit ook lastig is. De discussie daarover gaat voort.
In 2017 geeft de staatssecretaris Klijnsma geen ruimte aan gemeenten voor experimenten met een BI. In de partijprogramma’s voor de tweede kamer verkiezingen van 2017 komt de vrijzinnige partij als enige met een regelrecht voorstel voor de invoering van een BI van 800 euro per persoon. Groen Links en de Partij van de Dieren willen het serieus onderzoeken, en D66 wil ook verder onderzoek.
In Zwitserland is in een volksraadpleging het voorstel voor een BI afgewezen, maar het is betekenisvol dat deze raadpleging plaats vond. In Finland wordt een uitgebreid experiment uitgevoerd.

De kwestie komt ook naar voren in discussies over de gevolgen van voortgaande automatisering/robotisering. Als dat leidt tot massale afbraak van werkgelegenheid dan wordt een BI onvermijdelijk. Maar of die afbraak zo radicaal plaats zal vinden wordt betwist.

Kortom: invoering van een BI is niet in zicht, maar het debat gaat voort. Het doel van dit stuk is om als basis daarvoor een overzicht te geven van wat we weten, inclusief over wat we niet weten. Dat is nodig om goed gebruik te maken van de over vele jaren vergaarde kennis,  en om een herhaling van zetten en onnodige misverstanden te voorkomen. Het valt op hoe vaak snelle oordelen over het Bi gebaseerd zijn op onkunde.

Wat is het?

Een BI is een onvoorwaardelijke uitkering aan iedereen, meestal boven de 18 jaar, ongeacht werk, inkomen, vermogen, en woonsituatie. Het voorgestelde bedrag per maand varieert tussen de 600 en 1.500 euro. Soms wordt ook voor kinderen beneden de 18 een bedrag voorgesteld.

Het wordt soms gecontrasteerd met een ‘Negatieve inkomstenbelasting’ (NIB), maar het is in de werking ervan identiek. Het verschilt alleen in hoe de geldstromen lopen. Bij een BI krijgt iedereen het BI en wordt los daarvan belasting geheven op inkomen uit arbeid boven het BI. Bij een NIB wordt het een en het ander met elkaar verrekend: van de te betalen belasting wordt het BI afgetrokken. Dat geeft een negatief bedrag, dus een negatieve belasting, dus een netto uitkering, als het inkomen na belasting lager is dan het BI.

Met een beetje wiskunde:

Stel: BI = basisinkomen, I = loon uit werk, t = belastingpercentage
Dan is:
bij BI: uitkering van BI, betaling van belasting tI, netto inkomen = BI + I – tI
bij NIB: uitkering BI – ti als dit positief is, dus als BI > tI, en belasting BI – tI als BI < tI
dus eveneens netto inkomen BI + I – tI

Het verschil ligt alleen in de geldstromen. Bij het NIB zijn die vanwege de verrekening kleiner, en dat is aantrekkelijk.
NB:
Verwarrend is dat we soms onder dezelfde naam een andere systematiek tegen komen, waarbij de Belastingdienst lage inkomsten aanvult tot de hoogte van het basisinkomen. De effecten hiervan zijn totaal anders dan bij een ‘echt’ BI.

De huidige experimenten bij gemeenten zijn meestal beperkt tot groepen uitkeringsgerechtigden, waarbij de uitkering wordt omgezet in een BI. Dat geeft de vrijheid al of niet betaalde activiteiten te ontplooien waarvan de opbrengsten niet ten volle, zoals nu, in mindering gebracht worden op de uitkering.

De vraag wordt vaak gesteld waarom ook werkenden een basisinkomen zouden moeten krijgen, zelfs rijken. Het antwoord is dat anders het systeem niet werkt. Dat zou oneerlijke concurrentie geven van mensen met een BI die werk erbij nemen, met mensen die in een baan zitten en blijven. Dan zou iemand met een baan daar uit stappen, werkloos worden om dan het BI te krijgen, en vervolgens weer een baan nemen, misschien zelfs wel bij dezelfde werkgever als eerst. En als men bang is dat rijken dan te rijk worden: dat wordt gecompenseerd in de belasting die ze betalen.

Hoe zit het met immigranten? En de ‘aanzuigende werking’ van een BI?  Het ligt voor de hand om immigranten pas het BI te verlenen bij het verkrijgen van een definitieve verblijfsvergunning, zoals ook de Vrijzinnige Partij voorstelt. Dan verschuift de vraag zich naar de voorwaarden voor zo’n vergunning. Dat is een kwestie van nadere studie en van onderhandeling.

Waarom?

De argumenten voor een basisinkomen zijn deels maatschappelijk/ideëel, deels economisch, en deels filosofisch, als volgt.

Maatschappelijk/ideëel:

  • Opheffing van de ‘armoedeval’: momenteel moeten uitkeringsgerechtigden als ze bij gaan verdienen dat weer inleveren als korting op de uitkering. Hun belastingpercentage is dan 100%. Met een BI gaan ze over dat inkomen boven het BI wel belasting betalen, maar heel wat minder (zeg 30%).
  • Het BI bevrijdt kansloze werklozen van onproductieve rompslomp, de vruchteloze verplichting tot solliciteren, en het verbod op scholing, en geeft ze de vrijheid om wat dan ook te gaan doen.
  • Het geeft mensen de basis om uit een ongewilde baan te stappen, omdat ze altijd nog het BI behouden, om te gaan doen wat ze echt goed kunnen of willen.
  • Omdat werknemers bij vertrek terug kunnen vallen op het BI kunnen ze gemakkelijker ontsnappen aan knellende voorwaarden, omstandigheden of kansen van arbeid. Het verstevigt hun machtpositie in een tijd dat die onder druk staat van o.a. flexibilisering. Het faciliteert die flexibilsering ook. Dat is prettig voor werkgevers maar waarschijnlijk sowieso onvermijdelijk en bovendien door vele (vooral jongere) werknemers zelf gewenst.
  • Een bijkomstigheid, maar niet zonder belang, is dat in één klap de huidige problemen met ZZP’ers weg zijn.

 

Economisch:

  • Er kan enorm veel bespaard worden, in geld en moeite, op allerlei sociale voorzieningen die tot een monsterlijke opeenstapeling en verwarring hebben geleid.
  • Het wordt gemakkelijker om uit een baan te stappen om ondernemer te worden, en met het BI te overleven in de moeilijke beginperiode waarin men nog niets kan laten zien om van anderen financiering te krijgen. Dat draagt bij tot de economie.
  • Misschien, maar dat is een keuze, en onderdeel van debat en politieke onderhandeling, kan met een BI het minimumloon sterk verlaagd of zelfs afgeschaft worden. Dat was ook als sinds lang een reden voor politiek rechts om voor een BI te zijn. De gedachte is dat mensen zich een laag loon kunnen permitteren boven het BI. Dat zou allerlei activiteiten economisch haalbaar maken die dat nu niet zijn, en dat zou eveneens een positieve bijdrage aan de economie geven, in uitbreiding van de vraag naar arbeid.

 

Filosofisch:

  • Economische activiteit is gebouwd op offers van voorgaande generaties, in de bouw van fysieke infrastructuur (wegen, bruggen ,dijken; havens, ..), kennis en technologie, en instituties (rechtsstaat, democratie). Iedereen heeft evenveel recht op het rendement daarvan. Dit is het argument voor het BI als ‘sociaal dividend’. Het is ook een argument naar ondernemers die belasting onrechtvaardig vinden omdat hun winst geheel hun eigen prestatie zouden zijn, terwijl zij in feite op de schouders staan van reuzen uit het verleden.
  • Het liberalisme heeft zijn focus gelegd op zg. ‘negatieve’ vrijheid ‘van’, d.w.z. vrijheid van bemoeienis. Er is ook vrijheid ‘tot’, d.w.z. vrijheid om deel te nemen, om toegang te krijgen tot de middelen nodig voor wat men kiest als het goede leven. Het BI geeft daar een basis, een opstap daartoe. Het is gericht op meer waarden dan alleen nut, en meer deugden dan alleen eigenbelang, zoals de klassieke deugden van redelijkheid, matiging en rechtvaardigheid.

 

Waarom niet?

Argumenten tegen het BI zijn als volgt:

Maatschappelijk/ideëel:

  • Werk is maatschappelijk en sociaal nodig voor een goed leven, in zelfredzaamheid, met verantwoordelijkheid, in contact met anderen. Met een BI is werk niet meer noodzakelijk, en dat is slecht voor mens en samenleving. Het neemt de druk weg om mensen tot werk te brengen en versterkt daardoor isolement. Voor vrouwen kan het een ‘aanrechtsubsidie zijn’, waardoor de vrouw niet meer het argument heeft van werk als noodzakelijk voor het inkomen van het gezin.
  • Werkenden en rijken krijgen het BI ook, en dat is onnodig.

 

Economisch:

  • Mensen gaan minder werken als ze geld krijgen zonder inspanning. Het arbeidsaanbod neemt af.
  • Mede daardoor is het BI onbetaalbaar: vergt een te hoge belasting, die werkt verder ontmoedigt. Daardoor een vicieuze cirkel van minder werk, minder belastinginkomsten, hogere belasting. Dat is aangetoond door berekeningen van het CPB.

 

Filosofisch:

  • Het BI is moreel onjuist. ‘In het zweet des aanschijns zal men werken’
  • Het is principieel onjuist om geld te geven zonder tegenprestatie.
  • De mens wordt gedreven door eigenbelang, werk is een last, en wordt alleen met de compensatie van loon verricht.

 

Discussie

Er zijn de volgende tegenwerpingen tegen de bezwaren tegen het BI.

De premisse dat met een BI mensen minder gaan werken, en daardoor het arbeidsaanbod daalt, is onjuist, of op zijn minst discutabel. De experimenten die zijn gedaan geven aan dat dit niet zo is, en dat het BI zelfs initiatief tot werk stimuleert. Indien waar, ontkracht dit de meeste argumenten tegen het BI.

Het argument tegen die experimenten is echter dat die niet geldig zijn voor Nederland, omdat zij betrekking hebben op: een ontwikkelingsland (Namibië, India), of op een ruraal gebied (Canada) terwijl Nederland in hoge mate verstedelijkt is, of op kleine gemeenschappen in een dunbevolkt land (Finland), in contrast met de dichtbevolkte Nederlandse agglomeraties. Of dat ze methodologisch niet in orde zijn, bijv. zonder gebruik van controle groepen, te kleine steekproeven hebben, of niet een volledig BI betreffen, voor iedereen, of dat ze lopen voor een te korte tijd om te effecten betrouwbaar te meten, of omdat er ‘spillover effecten’ zijn tussen plaatsen met en zonder BI.

De berekeningen van het CPB gelden niet omdat zij cruciale, en vooral positieve effecten niet meenemen. Niet de volle besparingen op bestaande sociale lasten, inclusief minder ambtenaren. Niet het effect op ondernemerschap. Niet het effect van een eventuele afschaffing van het minimumloon en de daardoor te verwachten daling van loon, wat de vraag naar arbeid verhoogt.

Als het arbeidsaanbod door een BI niet afneemt vervallen ook de morele tegenargumenten: men gaat als tegenprestatie voor een BI activiteiten ondernemen, en het zweet des aanschijns neemt misschien wel toe, met de vrijere keuze van activiteit.

Mensen zijn sociale wezens, niet alleen gericht op eigenbelang, en hebben ook gevoel voor werk als van intrinsieke waarde, naast beloning, en het leveren van een bijdrage aan de samenleving, ook waar daar niet voor betaald wordt.

Financiering

Discussies over financiering gaan meestal als volgt. Een berekening wordt gemaakt van wat het BI zou kosten, en van wat bespaard kan worden op uitkeringen. Daar is enige discussie over mogelijk. Niet alles kan afgeschaft worden, bijv. bij werkloosheid een afbouw van het loon tot het BI. Ook iets extra’s voor arbeidsongeschikten.

De berekening levert een tekort op, en de vraag is hoe dat te financieren. Het probleem is nu dat dit tekort onzeker is. Het hangt af van de gedragseffecten, in vraag en aanbod van arbeid, en ondernemerschap. Zie daarvoor de eerdere argumentatie. Dat is onzeker, en daarom wordt het vaak buiten beschouwing gelaten. Maar de niet meegenomen effecten zijn vooral positieve effecten, zeggen de voorstanders. Dat is onzeker en moet uitgezocht worden, maar dat blijft achterwege.

Vervolgens wordt het gat gedicht met verhoging van belasting, waarbij in eerste instantie gedacht wordt aan inkomstenbelasting en BTW. En dan is de conclusie al snel dat de belastingverhoging te groot zou zijn.

Maar men kan ook denken aan andere bronnen van inkomsten, Bijvoorbeeld: afschaffen van energiesubsidies aan bedrijven, betere bestrijding van belastingontwijking, vooral van grote multinationals, hogere (af andere) belasting op vermogensaanwas, aftoppen van hoge salarissen met een hoger toptarief van belasting, rekening rijden, belasting op financiële transacties (‘Tobin tax’), belasting op automatisering (robots), en nog meer.

Er zijn hierin vele keuzen te maken, en het voordeel daarvan is dat er ruimte is voor onderhandeling, tussen partijen die het BI een goede kans willen geven.

Voortgang

Waarschijnlijk het grootste twistpunt is de financiering. Het grote knelpunt daarbij is de onzekerheid over de gedragseffecten. Voor voortgang van het debat is nadere kennis hierover cruciaal. Dat vergt berekeningen, experimenten, en simulaties. Die moeten dienstig zijn om bestaande kennis en inzicht uit te breiden. Dat geeft de volgende voorwaarden.
Berekeningen door het CPB zijn politiek onvermijdelijk, en ook nuttig, mits die alle effecten meenemen, dus ook alle besparingen op sociale voorzieningen en inkrimping daarbij van het ambtenarenapparaat, en de gedragseffecten in aanbod van arbeid, ondernemerschap, lagere lonen bij afschaffen van het minimumloon, en besparingen op zorg en andere sociale diensten doordat mensen met een BI beter in staat zijn tot kosteloze hulp of hulp tegen een lagere beloning. Het lastige is nu dat die effecten nieuw zijn, dus niet in statistieken tot uiting komen, en dus niet mee kunnen in de schatting van parameters in de econometrische modellen.
Daar is methodisch wel een oplossing voor, door betreffende de gedragseffecten te werken met scenario’s met hoge en lage effecten, zoals het CPB wel eerder gedaan heeft. Lastig daarbij is dat al bij een klein aantal variabelen en varianten de complexiteit explosief toeneemt. Een probleem is ook het ‘so what’ effect: aan het eind blijft de vraag welke van de scenario’s zich nu voor zal doen, en de neiging in de politiek zal bestaan om dat scenario te kiezen dat past bij wat men vooraf al dacht.
Een vergelijkbare overweging past bij de overigens evenzeer gewenste methode van microsimulatie waarvoor de software en ervaring bestaan (in ‘agent-based modeling’).

De vraag over gedragseffecten is uiteindelijk een empirische vraag: hoe zit het in het echt. Voor inzicht daarin zijn experimenten nodig. Men kan wachten op bijv. het grootscheepse experiment in Finland. Maar ook dan blijft het punt dat Finland Nederland niet is.
Een aantal gemeenten is bezig met experimenten die een beetje de kant van een BI op gaan. Die hebben meestal de vorm van omzetting van een uitkering in een BI, waardoor vrijheid ontstaat in de keuze van activiteiten, vooral verlossing uit de armoedeval, wat een van de belangrijkste argumenten voor een BI is. Sommige van die experimenten zitten ook methodisch goed in elkaar, met bijv. controlegroepen, en met variaties in de voorwaarden.
Een bezwaar dat daartegen aangevoerd wordt is dat het te ver af staat van een volledig basisinkomen, voor iedereen, en met alle aanpassingen van belasting, minimumloon, en arbeidsrecht. Maar het kan een bijdrage geven aan inzicht in de belangrijkste vraag: wat gaan mensen doen met een BI?
Het is daarom van groot belang dat er ruimte gegeven wordt voor die experimenten, met de nodige diversiteit, wat momenteel niet het geval is, vanwege een verbod van staatssecretaris Klijnsma).

Een volledig experiment vergt nogal wat. Bijv. afschaffing van het minimumloon, met aantasting van bestaande CAO’s, en aanpassing van belastingen, ook op loon. Een zuiver experiment vergt ook dat de financiering van het BI gerealiseerd wordt met lokale belastingen, besparingen of afschaffing van regelingen. Er is ook het gevaar van zg. ‘spillover effecten’. Het is voor mensen van buiten aantrekkelijk om te verhuizen naar die gemeente. Dat kan afgedekt worden door het systeem alleen te laten gelden voor de bevolking ten tijde van invoering. Dan is er nog een probleem met forenzen uit een andere gemeente, in oneerlijke concurrentie tussen werknemers binnen en van buiten de gemeente: het is voor lokale ondernemers goedkoper om werkers van buiten te vervangen door werknemers van binnen. Dat kan worden afgedekt door een extra heffing op de werkgever voor het gebruik van lokaal personeel, ter grootte van het verschil in lokaal loon en loon buiten de gemeente, dat dan gebruikt wordt als bijdrage aan financiering van het lokale BI.
Dat is nogal wat. Toestemming voor dat alles is niet eenvoudig. Vandaar dat meer beperkte experimenten hun waarde hebben, totdat de resultaten zo overtuigend zijn dat verruiming ervan politiek haalbaar is.

Voorts lijkt het nuttig, hoewel misschien niet van de hoogste prioriteit, om in aanpalende beleidsterreinen nader onderzoek te doen naar effecten, zoals o.a. arbeidsrecht, huisvesting. In het voorstel van de Vrijzinnige Partij staat bijvoorbeeld dat met een BI de huidige ontmoediging van samenwonen, door vermindering van bijv. AOW, verdwijnt, wat kan leiden tot een betere bezetting van de woningvoorraad.

Politiek

Het probleem is momenteel niet alleen dat van onzekerheid, gebrek aan kennis over gedragseffecten, maar is ook, en misschien vooral, politiek en mentaal.
Standpunten van zowel voor- als tegenstanders komen vaak voort uit een ideologische of maatschappelijk/filosofische visie, zonder veel tussenkomst van kennis, analyse en argumenten, met gebruik van de kennis die er is.
De wetenschapper Max Planck heeft eens gezegd dat innovatie loopt van de ene begrafenis naar de andere. Verandering vindt pas plaats als de zittende generatie is uitgestorven.

Het is voor bijvoorbeeld socialisten, en vooral mensen uit de vakbeweging, die zich hun leven lang hebben ingezet voor de bevordering van betaald werk, moeilijk om te verkroppen dat dit nu niet meer hoeft. Maar vooral socialisten zouden zich moeten bekommeren om afschaffing van de armoedeval.

Liberalen hebben met de paplepel ingegoten gekregen dat mensen zich individueel in moeten zetten voor hun eigen heil. ‘De hand ophouden’ zonder tegenprestatie past daar niet in. Maar juist liberalen zouden zich moeten verheugen in de vergroting van keuzevrijheid in werk, en in de sanering van het apparaat van voorzieningen en regelingen.

Christelijken hechten aan werk als plicht, ‘in het zweet des aanschijns’. Echter, een BI is niet gericht op het einde van werk maar op grotere vrijheid daarin, deels onbetaald of laag betaald, ten behoeve van de medemens. De gedachte van een ‘sociaal dividend’ uit de gezamenlijke erfenis van natuur en mensenwerk zou ook een Christen aan moeten spreken.

Meer concreet is het nodig om in een politieke coalitie de ruimte voor lokale experimenten op te eisen. Dat is nodig om de intenties van de ‘participatiesamenleving’ waar te maken. Die coalitie kan ook degenen (bijv. onder de vlag van ‘code oranje’) omvatten die zoeken naar nieuwe vormen van lokaal bestuur, in ‘commons’, met beleidsvorming in burgerbestuur, complementair aan of in vervanging van partijpolitieke beleidsvorming. Ook dat vergt ruimte voor lokale experimenten.

Opgesteld door Bart Noteboom naar aanleiding van het minisymposium onderzoek basisinkomen,  geredigeerd en geplaatst door Reyer Brons, 15 maart 2017        

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube