Basisinkomen: Van herverdelingsideologie naar sociaal-culturele omwenteling en wat dat betekent voor de uitvoering.

Volgens Jan Stroeken is basisinkomen meer dan een herverdeling opdat mensen aan de onderkant van de samenleving het beter gaan hebben.
Het versterkt ook de individualisering en het leidt tot een sociaal culturele omwenteling, in de geest van Jan Rotmans, Yanis Varoufakis, Yuval Harari en M.J. Sandel.

Basisinkomen en herverdeling

De belangrijkste ideologie in het pleidooi om een basisinkomen in te voeren heden ten dage is een zodanige herverdeling van inkomens dat mensen aan de onderkant van de samenleving het beter zullen hebben. Dit wordt vervolgens ondersteund door de gedachte dat er genoeg mensen met hogere inkomens zijn die daar een bijdrage aan kunnen leveren.
Een basisinkomen zorgt voor inkomenszekerheid op minimumniveau.

Een basisinkomen is tevens een antwoord op de toenemende ongelijkheid als gevolg van de individualisering. Deze heeft geleid tot een toenemend aantal mensen met een zelfstandig inkomen. Het uniforme kostwinnershuishouden uit de jaren 50 bestaat niet meer. In die tijd was het gemiddeld inkomen per individu redelijk uniform. De individualisering met meer verschillende inkomens per huishouden en meer verschillende gezinsverbanden leidde er in de jaren 80 toe dat gemiddeld nog maar 4 personen afhankelijk waren van 1 inkomen. Nu is dat zelfs nog maar 2 personen. Dat is op zich niet het probleem maar wel de door individualisering ontstane groei in diversiteit van de gezinssamenstelling. Deze diversiteit maakt het gemiddelde inkomen per individu weliswaar moeilijk meetbaar, maar zeker is dat er grote verschillen zijn. Vergelijk het gezin met 2 verdienende ouders en 2 thuiswonende verdienende kinderen met een traditioneel kostwinnershuishouden. En als in deze tijden van individualisering de kostwinner ook nog eens vertrekt uit het gezin dan blijft er voor de rest van het gezin weinig meer over.
Het individueel uitgekeerde basisinkomen verschaft een oplossing want versterkt de individualisering.
Iedereen krijgt een inkomen, ook binnen de genoemde traditionele kostwinnershuishoudens. Individualisering wordt de norm. Daardoor vermindert het probleem van de inkomensongelijkheid tussen individuen.

De invoering van een basisinkomen verkleint dus de inkomensongelijkheid maar doet veel meer. Zo verkleint het ook het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde arbeid. Wellicht gaan mensen daardoor ook andere beroepen kiezen, er zijn zoveel door werknemers als weinig zinvol ervaren banen. Studenten hoeven niet meer te jobben of te lenen, ze kunnen rustig fulltime studeren. Mensen zullen vrijer kunnen kiezen, meer of minder betaald werken bijvoorbeeld. Ook meer of minder vrijwilligerswerk en mantelzorg behoort tot de mogelijkheden of toch maar eens meer tijd besteden aan die creatieve kant. En wat is trouwens werk? Als we voor andere kinderen zorgen is het wel werk, zorgen voor eigen kinderen is onbetaalde arbeid. Al met al, een basisinkomen leidt tot een sociaal-culturele omwenteling.

Basisinkomen en sociaal-culturele omwenteling

In de recente literatuur vinden we steeds meer indicaties voor zo´n omwenteling. Op een fantastische manier verwoordt hoogleraar transitiekunde Jan Rotmans dit in zijn boek ´Omarm de chaos´ (2021). We leven in een verandering van tijdperk waarin alles wat vanzelfsprekend is ter discussie komt te staan. We hebben maar liefst 10 grote omslagen nodig om naar een ander leefbaar tijdperk te komen, t.w. op het gebied van energie, grondstoffen, circulariteit, landbouw- en voedsel, ruimte, financiën, onderwijs, zorg, maatschappij en democratie. Het gaat om een diepe verandering met wezenlijk anders denken, handelen en organiseren. Dat leidt in eerste instantie tot chaos en onrust welke evenwel noodzakelijk is om verder te komen in de transitie. Deze chaos moet daarom worden omarmd, het leidt ons verder. Rotmans beschrijft op basis van deze 10 transities een toekomstvisie ´Nederland in 2121´ en neemt daar als vanzelfsprekend het basisinkomen mee als onderdeel. Het geeft volgens Rotmans de nodige sociale rust en zekerheid.

Rotmans geeft een alom visie van de sociaal-culturele omwenteling. Andere auteurs gaan in op onderdelen van deze omwenteling.
Yanis Varoufakis (De Mondiale Minotaurus, De Geus BV, 2018) pleit voor een overgang van het huidige aandeelhouderskapitalisme naar een meer coöperatief postkapitalisme met als belangrijk onderdeel een rechtstreekse inkomensstroom naar iedereen via de overheid door middel van een basisinkomen. Hij legt daarbij de nadruk op de opbrengsten die we collectief hebben gemaakt. Het hedendaagse paradigma is dat we een privé-productie van welvaart hebben welke de overheid vervolgens afroomt voor sociale doeleinden. In werkelijkheid is onze productie echter collectief, een samenspel van markt en overheid. Maar deze productie wordt vervolgens volledig privé toegeëigend. De onderdelen/technologie van een IPhone worden collectief geproduceerd en vervolgens door Apple volledig toegeëigend. Een rechtstreekse inkomensstroom, basisinkomen, naar iedereen brengt dat alles weer in balans.

Yuval Harari (21 lessen voor de 21ste eeuw, Thomas Rap, 2019) verwacht dat de arbeidsmarkt van 2050 wel eens gekenmerkt zou kunnen worden door een samenwerking van (hoogopgeleide) mensen en Artificiële Intelligentie (AI). Deze mensen zouden voortdurend in omscholingsprocessen zijn verwikkeld. Niet alleen de ‘baan voor het leven’, maar zelfs het idee van een ‘beroep voor het leven’ zou wel eens kunnen verdwijnen.
Een groot probleem is evenwel dat deze gevraagde expertise geen oplossing zal bieden voor de verdwijnende banen van laaggeschoolden. Het zou dus goed kunnen dat er een nieuwe klasse van ‘overbodigen’ gaat ontstaan, tenzij er andere modellen worden ontwikkeld voor samenlevingen, economieën en politieke systemen die niet meer op arbeid zijn gebaseerd. Die modellen zullen moeten uitgaan van de noodzaak om mensen te beschermen in plaats van banen. Harari (2019, hfst. 2) beschrijft vervolgens hoe het universele basisinkomen dan een reëel alternatief zal zijn, maar niet alles oplost. Door de verminderde werkgelegenheid voor lager geschoolden is de kans op een toenemende tweedeling tussen arm (alleen een basisinkomen) en rijk zeker aanwezig.

Een belangrijke rol in de sociaal-culturele omwenteling vormt de toenemende maatschappelijke discussie rond het thema meritocratie. Een goede beschrijving daarvan vinden we in De Tirannie van Verdienste van M. J. Sandel (2020). Zie mijn boekbespreking. . De analyse van Sandel is bijzonder scherp. Hij toont vooral aan hoe het hedendaagse populisme slechts zijdelings te maken heeft met een ongelijke verdeling van inkomens maar vooral een ethische en culturele component heeft. Een groeiend deel van de bevolking voelt zich ondergewaardeerd. Dat heeft alles te maken met de tirannie van verdienste als gevolg van het meritocratische ethos welk in de afgelopen decennia heeft geleid tot hoogmoed. Deze hoogmoed weerspiegelt de neiging van de winnaars die zich laten bedwelmen door hun eigen succes, en daarbij alle geluk en voorspoed buiten beschouwing laten die hen op weg hebben geholpen. Degenen die aan de top belanden geloven vol zelfvoldane overtuiging dat ze hun lot verdiend hebben en dat dat dus ook geldt voor de mensen die aan de onderkant terechtkomen. Dit laat weinig ruimte voor solidariteit. Die zou wel kunnen ontstaan wanneer we ons realiseren hoe lukraak talenten worden uitgedeeld en hoe willekeurig het lot ons kan treffen. Loon naar verdienste is volgens Sandel dan ook een vorm van tirannie – een onrechtvaardig regime – beleden door de aanhangers van een zelfvoldane overtuiging.

Sandel pleit daarom vooral voor een groot nationaal debat over hoe te komen van de huidige individualisering naar meer gemeenschapszin en zelfontplooiing voor iedereen. Essentieel is daarbij zijn conclusie dat voor een succesvol leven van velen, alle vormen van onderwijs en werk, serieus genomen zouden moeten worden. Zonder het te noemen wijst hij hiermee op de kern van wat de invoering van een basisinkomen beoogt: een gelijkere waardering voor het huidige betaalde en onbetaalde werk, een stimulans voor het volgen van onderwijs.

Uitvoering basisinkomen

Wat betekent dit alles nu voor de uitvoering van het basisinkomen? Grofweg gesproken zijn er 2 opties. Allereerst is er de mogelijkheid om iedereen, arm of rijk, direct een basisinkomen te geven, bijvoorbeeld zoals bij de AOW via een constructie bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Dan gaat het meteen om veel geld dat gefinancierd moet worden door hoge belastingopbrengsten (even afgezien van inverdieneffecten en eventueel andere belastingen). Dat betekent een groot bruto-netto traject, eerst een volledig basisinkomen ontvangen en later via hoge belastingen weer teruggeven.
Het eindresultaat, het nettoresultaat, is in principe evenwel hetzelfde als bij een Negatieve Inkomstenbelasting (NIB), de tweede optie. Bij een NIB gaat het om een eentrapsraket want basisinkomen en inkomstenbelasting zijn direct op hetzelfde moment aan elkaar gelieerd. Naarmate men meer gaat verdienen levert men geleidelijk basisinkomen in. Daardoor is het bruto-netto traject veel kleiner maar het netto resultaat in principe hetzelfde als bij de eerste optie.

In de huidige herverdelingsideologie lijkt veel mogelijk, zowel een optie als aparte constructie bij de SVB als een integratie binnen het belastingsysteem (NIB). Voor beide is in deze herverdelingsideologie wat te zeggen. Dat neemt niet weg dat bij een NIB het bruto-netto traject veel kleiner is en er dus minder belasting hoeft te worden betaald. Sommige voorstanders van een constructie via de SVB wijzen daarbij op de mogelijke complicaties bij de uitvoering van de NIB met de voorheffing en de voorlopige aanslag. Anderen wijzen juist op de eenvoud van uitvoering mits men gedisciplineerd omgaat met de voorlopige aanslag. In wezen lijkt er geen wezenlijk verschil tussen de uitvoering van de positieve als van de negatieve inkomstenbelasting. Bij een NIB kunnen deze ook prima op elkaar worden afgesteld in hetzelfde stelsel. Zowel NIB als een SVB-configuratie garanderen het minimum basisbedrag, los van welke verdiensten dan ook. Bovendien, zolang de invoering van een basisinkomen nog niet algemeen is geaccepteerd door de bevolking leidt de term NIB op korte termijn tot minder politieke weerstanden en maakt een snellere invoering waarschijnlijker.

De hier beschreven indicatie van een omwenteling naar een nieuw tijdperk en de rol daarbij van het basisinkomen laat uiteindelijk weinig twijfel over voor de definitieve uitvoeringsvorm. Het basisinkomen ontwikkelt zich geleidelijk van een gegarandeerd inkomen voor de lager betaalden naar een vanzelfsprekende plaats in het financieel-economische arbeidsbestel. Er vindt volledige inbedding plaats in een maatschappij met een breder zicht op werk waarin alle vormen van onderwijs en werk serieus genomen worden, waarin sociale rust en zekerheid heerst, waarin iedereen zijn rechtmatig deel krijgt uit het collectief geproduceerde en waarin hoogmoed heeft plaats gemaakt voor solidariteit en grotere maatschappelijke gelijkheid.

Het basisinkomen zal op een natuurlijke wijze deel uitmaken van het totale nationale uitkerings- en heffingssysteem.  De term NIB zal door deze integratie dan ook al snel uit beeld verdwijnen. Dat geldt uiteraard uiteindelijk ook voor de term basisinkomen. Ook deze term zal geleidelijk verdwijnen naar de geschiedenisboekjes.

Jan Stroeken. mei 2022

Dit artikel is ook gepubliceerd de website Joop.nl van BNNVARA