Boekbespreking: De Tirannie van Verdienste, Michael J. Sandel

Michael Sandel schreef een boek over de diepe oorzaken van ongelijkheid, een belangrijke drijvende kracht achter het populistisch protest.
Jan Stroeken bespreekt dit uitgebreid en ziet het als basis van rechtvaardiging voor de invoering van een basisinkomen!

Facebooktwitterlinkedinrssyoutubeinstagram

Twee aspecten van de mondialisering hebben volgens Sandel de omstandigheden gecreëerd die de drijvende krachten vormen achter het populistisch protest: het technocratische geloof in de werking van de markt voor het algemeen welzijn en de daardoor ontstane ongelijkheden enerzijds, de meritocratische wijze waarop voorstanders van de mondialisering winnaars en verliezers definiëren anderzijds.

Twee hoofdschuldigen populisme: Technocratische visie op de markt en meritocratie

Vanaf de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw hebben grote internationale handelsovereenkomsten en financiële deregulering vooral grote voordelen opgeleverd voor mensen aan de top maar hebben tegelijkertijd ook voor grote maatschappelijke ongelijkheid gezorgd. Omdat ook linkse partijen over de hele wereld deze ontwikkelingen van harte ondersteunden hebben ze veel van hun publieke steun verloren. De populistische revolte van de afgelopen jaren is hier een woedende reactie op.
De groeiende ongelijkheid heeft niet alleen een economische component maar ook een ethische en culturele component. Sandel noemt dit het meritocratische ethos welk in de afgelopen decennia heeft geleid tot meritocratische hoogmoed. Deze hoogmoed weerspiegelt de neiging van de winnaars om zich te laten bedwelmen door hun eigen succes, en daarbij alle geluk en voorspoed buiten beschouwing te laten die hen op weg hebben geholpen. Degenen die aan de top belanden geloven vol zelfvoldane overtuiging dat ze hun lot verdiend hebben en dat dat ook geldt voor de mensen die aan de onderkant terechtkomen. Dit laat weinig ruimte voor solidariteit welke wel zou kunnen ontstaan wanneer we ons realiseren hoe lukraak talenten worden uitgedeeld en hoe willekeurig het lot ons kan begunstigen of zwaar kan treffen.

Loon naar verdienste is volgens Sandel dan ook een vorm van tirannie – een onrechtvaardig regime. Vernedering is het belangrijkste gevolg van het meritocratisch geloof. Het denkbeeld dat je je lot in eigen hand hebt, you can make it if you try, is een tweesnijdend zwaard, en kan zowel inspiratie bieden als beledigend zijn. Het feliciteert de winnaars, maar kleineert de verliezers, zelfs in hun eigen ogen. Vernedering is de drijvende kracht achter het populistisch protest.

Op zich is de discussie rond de rol van de verdienste niet nieuw. Niettemin is volgens Sandel, van het confucianisme en platonisme tot aan het republikanisme,  verdienste verbonden met morele en burgerdeugden. Deze band is in onze technocratische versie van de meritocratie evenwel verbroken.
Sandel beschrijft in hoofdstuk 2 uitgebreid de geschiedenis van de religieuze achtergrond van de rol van de verdienste. Uiteindelijk gingen vele debatten vroeger over het belang van verlossing al dan niet via verdienste. Vandaag de dag gaat het om succes en wereldlijk slagen. Succes is daarbij geen kwestie van geluk of genade, maar iets wat ons toekomt op grond van ons eigen ingespannen streven. Daarbij is de gelukkige slechts zelden tevreden met het feit dat het lot hem gunstig gezind is geweest. Hij wil ook weten dat hij er recht op heeft en het ´verdiend´ heeft, en vooral ook dat hij meer verdiend heeft dan anderen. Dit is de kern van het meritocratische ethos volgens Sandel.

De retoriek van het opklimmen en ´Credentialisme´

Deze meritocratische wijze van denken heeft ook een keerzijde. Sandel:
Hoe meer we onszelf beschouwen als mensen die aan zichzelf genoeg hebben en zelf hun eigen bestaan hebben opgebouwd, hoe minder waarschijnlijk het wordt dat we ons zullen bekommeren om het lot van degenen die het minder getroffen hebben dan wijzelf. Als ik mijn succes aan mijzelf te danken heb, dan zullen zij hun mislukking ook wel aan zichzelf te wijten hebben.
Dit ondermijnt natuurlijk de gemeenschapszin en kwam bijvoorbeeld in de politiek tot uiting in een steeds grotere nadruk op individuele verantwoordelijkheid bij het beteugelen van de welvaartsstaat. De bijstand is er een goed voorbeeld van. Er ontstond in dit meritocratische ethos ook een ´retoriek van het opklimmen´:
als mensen werkelijk gelijke kansen krijgen, zullen ze het zover brengen als hun aanleg en inspanning maar toelaten. Hun succes zullen ze dan aan zichzelf te wijten hebben, en de beloningen die hun dat oplevert, zullen ze ook werkelijk verdiend hebben.
Het woord ´verdienen´ ging ook onze taal beheersen. In Amerika werd ´je hebt het verdiend´ een vast onderdeel van het presidentiële discourse en nog wel het meeste bij Obama. Trump maakte een eind aan dit meritocratisch project. Net zoals in vele andere landen steunde hij daarbij op het populistisch verzet tegen de meritocratische elites. Daarbij werd volgens Sandel niet de meritocratie als zodanig van de hand gewezen, maar omdat het de heersende maatschappelijke orde beschreef. Ze hadden zich onderworpen aan de discipline daarvan en het strenge oordeel over hun eigen verdienste aanvaard, en nu vonden ze dat anderen dat ook hoorden te doen. Als er sprake is van volstrekt uit de hand gelopen ongelijkheid en geblokkeerde sociale mobiliteit, leidt het uitentreuren herhalen van de boodschap dat we verantwoordelijk zijn voor ons eigen lot en krijgen wat ons toekomt niet alleen tot een erosie van de solidariteit, maar is dat ook zeer ontmoedigend voor mensen die de mondialisering niet hebben kunnen bijbenen.

Sandel wijdt vervolgens een volledig hoofdstuk aan wat hij noemt ´credentialisme´, oftewel diplomadiscriminatie, de nadrukkelijke verklaring dat een diploma van een instelling voor hoger onderwijs de belangrijkste route is naar een respectabele baan en een fatsoenlijk leven. Dit ondermijnt de waardigheid van arbeid en haalt de mensen die geen hoger onderwijs hebben genoten omlaag. Stimulering van onderwijs was in de afgelopen decennia in alle landen beleidsdoelstelling nummer een. De toenemende mondialisering werd als gegeven gezien en onderwijs het belangrijkste middel om ongelijkheid tegen te gaan.
De vraag is of dat wel zo is. De nadruk op onderwijs leidde de aandacht af van wat er werkelijk gebeurde in de echte economie, inhoudende een grote machtsverschuiving, met name door de financialisering en het ontstaan van grote, machtige bedrijven. Dit leidde tot toenemende ongelijkheid welke in combinatie met de sterke onderwijsgerichtheid leidde tot een gestage uitholling van de maatschappelijke status van mensen die niet gestudeerd hebben. Het alsmaar benadrukken van het belang van onderwijs door de ´geprivilegieerde´ klasse ontkent deze feitelijke systeemfout en laat daarmee weten aan de minder hoog opgeleiden dat ongelijkheid hun eigen schuld is. Sandel noemt dit meritocratische hoogmoed. De elites ontwikkelden in de afgelopen decennia de gewoonte om neer te kijken op mensen die niet opklommen.

Succesethiek

Niet alleen wordt in de praktijk niet aan het ideaal van de meritocratie voldaan, het hele ideaal deugt niet. Sandel voert twee belangrijke bezwaren aan. Het eerste bezwaar betwijfelt of zelfs een volledig gerealiseerde meritocratie, waarin banen en salarissen een zuivere neerslag vormen van de inspanningen en talenten van mensen, eigenlijk wel een rechtvaardige samenleving zou opleveren. Volgens Sandel verwerpen de meeste hedendaagse filosofen het idee dat de samenleving banen en salarissen zou moeten toewijzen op grond van wat mensen verdienen. Veel hangt namelijk af van toeval en geluk, onze talenten, de toevallige waardering van de samenleving voor een specifiek talent op dat moment, familieachtergrond, etc. Ook het morele belang van inspanning en hard werken wordt enorm opgeblazen.

Het tweede bezwaar stelt dat zelfs als een meritocratie eerlijk zou zijn, dat nog altijd geen goede samenleving zou opleveren. Ze zou gekenmerkt worden door hoogmoed en angsten onder winnaars en vernedering en afgunst onder verliezers.

Wat zou dan een rechtvaardige samenleving kunnen zijn? In de afgelopen halve eeuw hebben zich twee concurrerende opvattingen ontwikkeld. Enerzijds het vrije marktliberalisme /neoliberalisme met Friedrich A. Hayek als belangrijke vertegenwoordiger, anderzijds het liberalisme van de verzorgingsstaat met John Rawls als belangrijke verdediger. We laten de uitwerking van een en ander hier voor wat het is en vermelden slechts de belangrijkste conclusie dat zowel Hayek als Rawls de verdienste verwerpen als uitgangspunt van de gerechtigheid. Ook verwerpen zij beiden het idee dat economische beloning een afspiegeling zou moeten zijn van wat mensen verdienen.

Een volgend punt dat Sandel aanstipt: Marktwaarde door het tegemoetkomen aan de vraag van de markt is niet noodzakelijkerwijs hetzelfde als werkelijk een bijdrage leveren aan de samenleving. Vergelijk de salarissen van zorgmedewerkers en leraren met die van bankdirecteuren en casinobazen. Bovendien zijn behoeften op de markt product van de werking van het economisch systeem zelf. De aard van de vraag en de behoeften worden door het systeem zelf grotendeels uitgevonden en bepaald.

De rol van het onderwijs

Het overwinnen van de tirannie van verdienste betekent vooral dat we op een andere manier moeten nadenken over succes en vragen moeten stellen bij het meritocratische waandenkbeeld dat wie bovenaan de ladder staat, daar op eigen kracht is gekomen, aldus Sandel. Deze heroverweging zou vooral betrekking moeten hebben op onderwijs en werk. Sandel wijdt een volledig hoofdstuk aan de rol van de universiteiten hierbij. Vooral in de VS, maar ook elders, zijn de universiteiten er niet in geslaagd sociale mobiliteit te bevorderen. Bestaande privileges zijn juist beschermd. Testen om te selecteren op academische geschiktheid en aangeboren intelligentie meten vooral wie het rijkst is. Het verschijnsel ´helicopterouder´ ontstond. Ouders gingen het steeds meer als hun taak zien hun kinderen te ondersteunen bij hun meritocratisch succes: helpen met huiswerk, extra taken, extra cursussen, bijlessen, etc.

Er zijn inmiddels vele rapporten verschenen over hoe de neiging van ouders om het leven van hun kinderen intensief te sturen uit naam van het meritocratisch succes een hoge psychologische tol heeft geëist, zeker onder tieners in de jaren voorafgaand aan de universiteit. Het regime van de verdienste heeft aldus de tirannie in 2 richtingen uitgebreid. Sandel formuleert het als volgt:
Bij wie uiteindelijk boven komt drijven, zorgt het voor angsten, een verlammend perfectionisme en een meritocratische hoogmoed die maar met moeite een broos zelfvertrouwen weet te camoufleren. Bij wie uiteindelijk wordt afgewezen laat het een demoraliserend, ja zelfs vernederend gevoel over gefaald te hebben…… En dat allemaal als gevolg van het niet-aflatende meritocratische geloof dat we als individu volledig verantwoordelijk zijn voor ons eigen lot: als we succesvol zijn, is dat geheel aan onze eigen inspanningen te danken, en als we falen, kunnen we dat alleen aan onszelf verwijten.

Sandel doet weliswaar suggesties om de meritocratische machine te temperen via het verzachten van selectiemechanismes in het onderwijs, maar het belangrijkste is volgens hem er voor te zorgen dat er minder op het spel staat. Voor een succesvol leven van velen zouden alle vormen van onderwijs en werk serieus genomen moeten worden.

Waardering voor werk

Mondialisering en meritocratisering hebben in de afgelopen decennia voor het achterblijven van de lonen en een afname van het werk voor de mediane man gezorgd. Het ergste was daarbij dat het werk in de ogen van de samenleving en grotendeels ook in eigen ogen niet langer een gewaardeerde bijdrage was aan het algemeen welzijn. Deze miskenning leverde Trump in de VS veel proteststemmen op, ook al kon hij economisch weinig tot niets voor hen betekenen, zelfs geen rechtvaardige verdeling van inkomens. Elke serieuze reactie op deze frustraties zal volgens Sandel in moeten gaan tegen de neerbuigendheid van de elite en de vooroordelen rond de waarde van diploma´s. Daarnaast moet ze de waardigheid van werk tot het middelpunt van de politieke agenda maken. Sandel pleit voor een debat over wat werkelijk een waardevolle bijdrage is aan het algemeen welzijn en waar de markt wat dat betreft de plank misslaat. Zo´n debat zal ongetwijfeld niet tot overeenstemming leiden maar zou wel een einde maken aan onze vanzelfsprekende partijstandpunten en het publieke debat een nieuw moreel elan geven. De financialisering van de economie in de afgelopen decennia zou daarbij een belangrijk onderdeel moeten zijn van dit debat, aangezien deze wel eens veel schadelijker zou kunnen zijn voor de waardigheid van werk, en bovendien veel demoraliserender. Dat komt doordat ze in de moderne economie misschien wel het duidelijkste voorbeeld vormt van de kloof tussen wat de markt aan beloning toekent en wat werkelijk iets bijdraagt aan het algemeen welzijn.

Sandel pleit weliswaar ook voor concrete beleidsmaatregelen om de lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt te verbeteren zoals loonsubsidies en een verschuiving van de belastingdruk, weg van arbeid, richting consumptie, speculatie en vermogen. Niettemin is zijn pleidooi voor een debat het sterkst. We kunnen namelijk niet bepalen wat telt als een bijdrage die erkenning waard is, als we niet eerst discussiëren over de betekenissen en doelen van het leven dat we met elkaar delen. En we kunnen niet praten over die gezamenlijke doelen als we niet het gevoel hebben ergens thuis te horen, als we onszelf niet kunnen zien als leden van een gemeenschap waaraan we iets verschuldigd zijn. Maatschappelijk welzijn is afhankelijk van samenhang en solidariteit. In de afgelopen vier decennia hebben de door de markt gedreven mondialisering en de meritocratische opvatting van succes deze morele banden uiteengereten. We vertrouwen minder op onze medeburgers, zijn minder dankbaar voor het werk dat ze doen en we staan minder open voor aanspraken op solidariteit. Het meritocratisch idee dat mensen alle rijkdom verdienen die de markt hen doet toekomen vanwege hun talenten, maakt solidariteit welhaast een onmogelijk streven. Dat we in een maatschappij leven die waarde hecht aan onze talenten is een geluk dat we hebben, en niet iets wat ons toekomt. Een dergelijke bescheidenheid is het begin van een weg terug van de wrede moraal van het succes die ons verdeelt. Ze wijst voorbij de tirannie van de verdienste, naar een minder rancuneus en vrijgeviger openbaar leven.

Publiek Debat en Basisinkomen

De analyse van Sandel is bijzonder scherp. Hij toont vooral aan hoe het hedendaagse populisme slechts zijdelings te maken heeft met een ongelijke verdeling van inkomens maar vooral een ethische en culturele component heeft. Een groeiend deel van de bevolking voelt zich ondergewaardeerd. Dat heeft alles te maken met de tirannie van verdienste als gevolg van het meritocratische ethos welk in de afgelopen decennia heeft geleid tot meritocratische hoogmoed. Deze hoogmoed weerspiegelt de neiging van de winnaars om zich te laten bedwelmen door hun eigen succes, en daarbij alle geluk en voorspoed buiten beschouwing te laten die hen op weg hebben geholpen. Degenen die aan de top belanden geloven vol zelfvoldane overtuiging dat ze hun lot verdiend hebben en dat dat ook geldt voor de mensen die aan de onderkant terechtkomen. Dit laat weinig ruimte voor solidariteit welke wel zou kunnen ontstaan wanneer we ons realiseren hoe lukraak talenten worden uitgedeeld en hoe willekeurig het lot ons kan begunstigen of zwaar kan treffen. Loon naar verdienste is volgens Sandel dan ook een vorm van tirannie – een onrechtvaardig regime.

Sandel pleit daarom vooral voor een groot nationaal debat over hoe te komen van de huidige individualisering naar meer gemeenschapszin en zelfbeschikking voor iedereen. Essentieel is daarbij zijn conclusie dat voor een succesvol leven van velen alle vormen van onderwijs en werk serieus genomen zouden moeten worden.

Zonder het te noemen wijst hij hiermee op de kern van wat de invoering van een basisinkomen beoogt: een gelijkere waardering voor het huidige betaalde en onbetaalde werk, een stimulans voor het volgen van onderwijs.

In een VK-interview (20 september 2020) omschrijft hij het zelf als volgt wanneer hij het heeft over ´wat draagt bij aan de gemeenschap´ als belangrijk alternatief criterium voor louter prestatie/verdienste:
……. Maar het is in elk geval een democra­tischer methode, waarmee we bijdragen kunnen waarderen die nu genegeerd of ondergewaardeerd worden. Denk aan al het niet-betaalde werk dat wordt gedaan binnen huishoudens, het grootbrengen van kinderen, de zorg voor verwanten. Denk ook aan al het werk dat door de coronacrisis veel belangrijker blijkt dan de samenleving tot dusver liet blijken: verpleegzorg, schoonmaakwerk, de vuilnisdienst, transport en distributie. En afgezien van de vraag naar het nut: in elk mens ligt evenveel waardigheid; dat moet ook gevolgen hebben voor de waardigheid van ieders werk.”

Spijtig genoeg komt Sandel in het boek nauwelijks toe aan het formuleren van concrete oplossingen. Niettemin is zijn meest concrete suggestie in het kader van de herwaardering van werk, om de lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt te verbeteren zoals met loonsubsidies en met een verschuiving van de belastingdruk, weg van arbeid, richting consumptie, speculatie en vermogen.
Met name die laatste suggestie is natuurlijk uitstekend maar kan beter worden onderbouwd op een manier waarop ook de niet-betaald werkenden profiteren.
We komen bij die nadere onderbouwing tevens aan een tweede belangrijk argument om de rol van loon naar verdienste te relativeren. De band namelijk tussen de huidige verdiende inkomens enerzijds en de individuele arbeidsprestatie anderzijds, wordt steeds losser. Er is steeds minder sprake van persoonlijk verdiende inkomens. Het welvaartsniveau zoals wij dat nu kennen en zoals dat in eerste instantie tot uitdrukking komt in de primaire inkomens, is het resultaat van jarenlange productiviteitsstijgingen waaraan vele mensen en vele generaties een bijdrage hebben geleverd. Ons hoge inkomensniveau valt dus niet louter toe te schrijven aan de arbeid die op dit moment wordt verricht en het kapitaal dat nu in bedrijven is geïnvesteerd. In dit verband lijkt een koppeling van de primaire inkomensverdeling aan de direct bij het productieproces betrokkenen steeds minder voor de hand te liggen en ligt de invoering van een basisinkomen voor iedereen voor de hand, dus los van de positie in het op productiviteit gerichte arbeidsproces.

Het aftappen van gelden door de overheid rechtstreeks aan de bron, d.w.z. bij de productie van de onderneming, ligt dan voor de hand. De belastinggrondslag verschuift dan automatisch ook naar andere bronnen in plaats van alleen de productiefactor arbeid.

De cijfers wijzen uit dat er steeds meer mensen zijn die met het basisinkomen symphathiseren. Er is niettemin tevens een harde kern van mensen die tegen zijn en iedere keer tegenargumenten gebruiken die niet kunnen worden onderbouwd zoals nadelige effecten op de arbeidsmarkt en de onbetaalbaarheid. Die afwijzing zou wel eens weinig met die tegenargumenten te maken kunnen hebben maar vooral een belangrijke meritocratische inslag kunnen hebben. Invoering van een basisinkomen heeft dus een duidelijke relatie met het gewenste publieke debat van Sandel.

Tenslotte, de uitslag van de recente Nederlandse verkiezingen is prima te verklaren in de lijn van Sandels Tirannie van Verdienste. Enerzijds is er de stevige opkomst van populistisch-rechts. 1 op de 5 Nederlanders stemt op een sinds Fortuyn steeds extremer wordend populistisch-rechts: vol wantrouwen en bitterheid tegen alles en iedereen en met discriminatie hoog in het vaandel. Zelfs in de wetenschap dat deze partijen niet zullen meeregeren wordt er op gestemd. En met programma´s die in ieder geval sociaaleconomisch eerder tegen dan voor hen werken. Anderzijds hebben we de 2 winnaars van de verkiezingen, topmeritocraten bij uitstek, met VVD (de geslaagde medemens) en D66 ( de hoogopgeleide medemens).
Volop noodzaak dus om in de komende jaren een populistisch-links programma op te tuigen dat antwoord moet geven op 3 prangende issues:

  • Hoe zo snel mogelijk een duurzame wereld voor elkaar te krijgen
  • Hoe via verschuivende machtsverhoudingen een postkapitalisme te bewerkstelligen
  • Hoe in lijn van al het voorgaande de arbeidsmarkt structureel te veranderen op basis van een door Sandel voorgesteld nationaal debat, met in ieder geval als uitkomst:
    – een grootschalige verschuiving van belastingheffing op arbeid naar heffingen die direct aansluiten bij de productie van de onderneming
    – de invoering van basisinkomen.

Jan Stroeken, april 2021

Er is ook  een Engelstalige versie van deze bespreking (PDF) en een publicatie op de website van BIEN: ‘The Tyranny of Merit’ by Michael J. Sandel

De tirannie van verdienste - Boek omslag De tirannie van verdienste -
Michael J. Sandel
non-fictie
Ten Have
oktober 2020
Paperback, e-book
368
https://www.uitgeverijtenhave.nl/nieuws/de-tirannie-van-verdienste-van-michael-j-sandel/
9789025907501
€ 20, e-book € 5,99
Jan Stroeken

De democratie verkeert in zwaar weer. Dat is te zien aan de toenemende vreemdelingenhaat en de groeiende steun voor antidemocratische figuren die aan alle kanten de grenzen van de democratische normen opzoeken. Deze trends zijn op zichzelf al onrustbarend genoeg. Maar al net zo verontrustend is het feit dat de gevestigde partijen en politici maar heel weinig lijken te begrijpen van de onvrede die overal ter wereld de politiek doet gisten en kolken. Sommigen doen de golf van populistisch nationalisme af als weinig meer dan een xenofobe of zelfs racistische reactie op immigratie en multiculturalisme. Anderen begrijpen de onrust vooral in economische termen, als een protest tegen het verlies van banen en werkgelegenheid dat het gevolg is van steeds intensievere wereldhandel en nieuwe technologieën. Het is echter een vergissing om populistisch protest te beschouwen als niet meer dan racisme, of om daar alleen maar economische onvrede achter te zoeken.

Zowel de triomf van de brexiteers als de verkiezing van Donald Trump in 2016 was een boze veroordeling van tientallen jaren gestaag groeiende ongelijkheid en van een type mondialisering dat de bovenste lagen van de maatschappij veel oplevert, maar waardoor gewone burgers het gevoel krijgen met lege handen langs de kant te staan. Het was ook een afwijzende reactie op een technocratische benadering van de politiek die doof is voor het ressentiment van mensen die het gevoel hebben niet meer mee te kunnen komen in hun eigen economie en cultuur.