Brengt Ingrid Robeyns de discussie over basisinkomen op een hoger plan?

Facebooktwitterlinkedinmail

Ingrid Robeyns schreef een annotatie, niet met het doel om te pleiten voor of tegen een basisinkomen, maar om de lezer beter uit te rusten om zelf zijn of haar oordeel te vormen.
Een selectieve samenvatting daarvan en vooral een dubieuze kop in Trouw hielp daar niet echt bij.
Maar ze vraagt terecht aandacht voor een paar zaken die in de discussie te weinig aan bod komen.

In december 2018 verscheen een annotatie van de Utrechtse hoogleraar ethiek Ingrid Robeyns Het basisinkomen – Waarom zouden we dit (niet) willen? De teneur zou ik als mild-kritisch willen benoemen.
Op 12 januari verscheen een artikel (essay) van haar hand in Trouw (bijlage Letter en Geest) Hocus pocus basis pas – Iedereen rijk! De schimmige beloften van het basisinkomen. Daar is de kleuring niet zo mild als in de annotatie en de kop in de krant schiet natuurlijk wel erg door!
Zie een korte reactie van Norbert Klein in Trouw op het artikel in Trouw: Basisinkomen kan wel, maar is het dat waard? en een eerste reactie van Alexander Roo op deze website: Basisinkomen als tovenarij – brief aan Ingrid Robeyns.

De annotatie is geschreven in opdracht van het Instituut GAK en tegelijk gepubliceerd met een studie door de Antwerpse hoogleraar Ive Marx e.a. eveneens in opdracht van het GAK: Feit en fictie omtrent het basisinkomen in Nederland.
Beide hoogleraren gaven in juni 2018 in Utrecht voorpresentaties van hun bevindingen op een seminar genaamd Het basisinkomen in Nederland – empirische effecten en ethische kanttekeningen.
Alexander de Roo, die daar ook was, heeft in juni een stevig commentaar gegeven op de studie van Marx: Het ongelijk van Marx over het basisinkomen. Het definitieve rapport is volgens Alexander niet heel veel anders op de omstreden punten. Het wachten is op een goed onderbouwde kritiek op zijn rapport van dik 160 pagina’s.

De annotatie van Ingrid Robeyns beoogt de discussie tussen voor- en tegenstanders van basisinkomen minder op basis van retoriek maar met voldoende diepgang te voeren. Ze constateert dat voorstanders basisinkomen zien het als een radicaal voorstel dat de mens in de kapitalistische economie weer échte vrijheid zal geven, of als een voorstel dat een einde zal maken aan langdurige armoede. Tegenstanders stellen dat het een inefficiënte manier is om armoede te bestrijden, en dat het economische duurzame niveau van een basisinkomen te laag is om daadwerkelijk een verschil te maken.
Haar annotatie heeft niet tot doel om te pleiten voor of tegen een basisinkomen, maar om de lezer beter uit te rusten om zelf zijn of haar oordeel te vormen.

Haar tekst begint met een betoog over methodologie. Daar staan veel verstandige dingen in, waar zowel voor- als tegenstanders meer rekening mee zouden moeten houden.
Ik licht er twee punten uit:

  • Er is aandacht nodig voor menselijke diversiteit en heterogeniteit, met als voorbeeld een verschil in effecten voor mannen en vrouwen, waarbij cultuurpatronen van groot belang kunnen zijn.
  • Een idee als basisinkomen moet je beoordelen in vergelijking met andere ideeën die dezelfde doelen kunnen dienen. Dat is uiteraard waar.
    Mijn kanttekening daarbij is wel dat ze dat in haar tekst eigenlijk alleen refereert aan de verzorgingsstaat, daarbij negerend dat basisinkomen ook als doel heeft de relatie tussen werk en inkomen totaal te herzien. Met name de economische betekenis van het basisinkomen komt bij haar totaal niet uit de verf. Het uitbannen van de armoedeval is van een niet te onderschatten waarde en dat geldt ook voor de forse drempelverlaging naar de arbeidsmarkt, de ont-bureaucratisering, de verzoening tussen zekerheid en flexibiliteit (mits het basisinkomen hoog genoeg is), etc.

Daarnaast zal het basisinkomen ook verbeteringen van het belastingstelsel met zich meebrengen.

Vervolgens schrijft ze over vrijheid, waarbij ze onderscheid maakt tussen negatieve vrijheid (niet belemmerd worden) en positieve vrijheid (in staat gesteld worden). Voorbeeld: armen hebben vaak evenveel negatieve vrijheid als rijken, maar aanzienlijk minder positieve vrijheid.
Terecht stelt ze dat basisinkomen alleen de positieve vrijheid bevordert als dat hoog genoeg kan zijn.
Als een basisinkomen dat voor iedereen hoog genoeg is, niet financierbaar zou zijn, dan blijft het bestaande klemmende regime rond uitkeringen en toeslagen in tact.
Opvallend is dat dit wel een soort alles of niets benadering is. Stel dat een basisinkomen wel hoog genoeg kan zijn voor alle samenwonenden, maar niet voor alleenstaanden. Dan kun je het idee verwerpen omdat het niet iedereen helpt, maar je kunt ook omarmen dat het wel werkt voor een hele grote groep!
Ze noemt ook nog vrijheid als non-dominantie, met als voorbeeld de vrouw die zich in haar keuzes afhankelijk voelt van de wil van haar man.

Vervolgens stelt ze bestaanszekerheid en armoedebestrijding aan de orde. De dilemma’s die ze daar schetst kloppen, maar jammer dat het stuk doordrenkt is van het pessimistische beeld dat door de studie van Ive Marx c.s. wordt opgetuigd. In die studie zijn voor de doorrekening keuzes gemaakt die geen enkele serieuze voorstander van basisinkomen zou maken. Het is niet sterk je betoog zo te laten kleuren door vooral te putten uit één bron, waarvan ze weet dat die aan kritiek onderhevig is.

Datzelfde geldt helaas ook voor haar tekst over welvaart en kwaliteit van leven. Terecht vindt ze dat die alleen omhoog gaat bij een voldoende hoog basisinkomen, maar omdat Marx heeft laten zien dat dat onbetaalbaar is, kan dat niet …..
Ze waarschuwt overigens terecht dat we niet te naïef moeten zijn over sociale krachten die een rol spelen en die dat zullen blijven doen (soms wellicht sterker) als door een basisinkomen de noodzaak om betaalde arbeid te zoeken afneemt. Ook is niet zeker dat mensen in hun keuzes altijd de goede afweging maken tussen korte – en lange termijn overwegingen. In haar ogen miskennen voorstanders van basisinkomen dit soort zaken te vaak.

Haar volgende onderdeel betreft sociale en verdelende rechtvaardigheid. Ze richt zich daarbij specifiek op drie groepen minder bedeelden: kinderen, arbeidsgehandicapten en daklozen. Helpt basisinkomen deze drie groepen of zijn andere maatregelen wellicht geschikter? Ze stelt terecht dat daar wel over nagedacht moet worden bij het denken over basisinkomen. Zo kun je je de vraag stellen of een algemeen geldende hoogte van basisinkomen, die hoog genoeg is om alle arbeidsgehandicapten recht te doen, wel betaalbaar is.
Ook hier geldt trouwens weer dat ze neigt naar alles of niets redeneringen – mij lijkt het grote winst als een basisinkomen hoog genoeg is voor bijna iedereen maar daarnaast wel aanvullende zaken voor gehandicapten nodig zijn. Het apparaat dat dat uit moet voeren kan behoorlijk klein zijn in vergelijking met de huidige uitvoeringsapparaten.

Mooi is haar betoog rond de collectieve erfenis. We danken onze welvaart slechts voor een klein deel aan onszelf, maar vooral aan voorgaande generaties en gelukkige omstandigheden. Dat versterkt de notie van collectieve eigendom in plaats van alles terug te voeren op individuele factoren. Ze vindt dat een krachtig argument dat aanleiding is om veel verder te gaan met herverdeling dan thans gebruikelijk is. Dat leidt overigens niet automatisch tot basisinkomen, herverdelen kan ook met andere mechanismen.

Van heel andere orde is het wederkerigheidsprincipe. Ze houdt daar een behoorlijk genuanceerd betoog over wat uitmondt in de conclusie dat dit principe uitsluitend op het morele vlak zou moeten spelen, maar niet op het juridische en politieke, dat je dus mensen er niet concreet op af zou moeten rekenen en controleren.
Maar ze vermoedt dat deze opvatting niet leeft bij een groot deel van de bevolking, waar het sentiment overheerst dat men zijn uitkering moet verdienen. Dat is geen steun in de rug voor de invoering van basisinkomen.

Het artikel in Trouw heeft een kop en een subkop waar je als voorstander van basisinkomen niet goed van wordt.

Het artikel zelf stelt vooral vragen, hoewel soms ook wat gekleurd door een alles of niets benadering. Zo stelt ze dat een basisinkomen gebaseerd op opbrengsten van een CO2-belasting slechts een basisinkomen € 20 à € 100 op kan leveren zonder daarbij te melden dat geen enkel voorstander in dat geval de financiering tot deze bron zal willen beperken.
Ook leunt ze in dit artikel weer sterk op de eerder genoemde bevindingen van Marx cs.
De interessante verhandelingen over de collectieve erfenis en het wederkerigheidsprincipe komen in de krant niet aan bod.

Voor een goede discussie over het onderwerp is daarmee de annotatie een heel wat beter vertrekpunt dan het krantenartikel, ook al wordt dat heel plechtig een essay genoemd.

Haar conclusie in de annotatie herhaal ik als slot:

Voor wie de samenleving zorgzamer, beter, innovatiever, of minder gehaast wil maken, is het basisinkomen vaak een sympathiek idee. Maar wie zijn taak als burger in het publieke debat serieus neemt, moet zich verdiepen in de details en de alternatieven, vooraleer we de vraag kunnen beantwoorden of we voor een basisinkomen zijn. Gegeven de turbulente economische tijden waarin we ons bevinden, en de uitdagingen die we in de nabije toekomst mogen verwachten, verdient het basisinkomen het om een eerlijke kans te krijgen als alternatief voor het huidige stelsel van sociale zekerheid. Maar daarvoor moet het debat grondig en zorgvuldig gevoerd worden.

Ik voeg daar aan toe dat het idee van basisinkomen meer betekent dan alleen maar een alternatief voor het huidige stelsel van sociale zekerheid. Het betreft een vergaande herinrichting van onze maatschappij die niet alleen de sociale zekerheid betreft, maar tenminste ook de arbeidsmarkt en het fiscale regime.

Reyer Brons, januari 2019

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube