CPB maakt gehakt van basisinkomen, maar dan wel van plofkip!

Facebooktwitterlinkedinmail

De conclusie van het onderzoek van het CPB over de effectiviteit van fiscaal participatiebeleid,  van februari 2015, stelt dat het invoeren van generieke inkomensondersteuning via een basisinkomen een averechts effect op de arbeidsparticipatie. Het geeft tweede verdieners een financiële prikkel om te stoppen met werken.

Meer kansrijk is beleid dat het inkomensverschil tussen werken en niet-werken vergroot, zoals het verhogen van de arbeidskorting aan de onderkant of het verlagen van de bijstand. Dit laatste gaat dan wel ten koste van een stijging van de inkomensongelijkheid.

Alsof je gehakt maakt van plofkip

Het is duidelijk dat het financieel economisch beleid niet langer vol te houden is met de gangbare waarden en denkwijzen. Er is een volledig andere denkraam nodig om het CPB zaken te laten doorrekenen, Er dienen waarden en methoden gebruikt te worden waar nog geen ervaring mee is om te laten zien dat een echt basisinkomen een aanvaardbaar levensstandaard kan garanderen een heel ander effect heeft op de arbeidsmarkt en arbeidsparticiapatie dan het verlagen van de bijstand om mensen aan het werk te krijgen. Er moet gezocht worden naar modellen die zorgen voor inkomen zonder dat daar arbeid de hoofdmoot voor vormt. Zodat negatieve effecten zoals inkomensongelijkheid en bevordering van armoede geen gevolg zijn, maar juist de bestrijding daarvan het hoofddoel is.
Een onvoorwaardelijke basisinkomen met een hoogte die een aanvaardbare levensstandaard garandeert zou het uitgangspunt moeten zijn[1].

Hieronder hoofdstuk 4 uit het stuk dat te vinden is via http://www.cpb.nl/sites/default/files/publicaties/download/cpb-policy-brief-2015-02-de-effectiviteit-van-fiscaal-participatiebeleid.pdf 

Het “basisinkomen” waar het Centraal Planbureau hier van spreekt is dus geen reëel basisinkomen, maar een bijstandsuitkering zonder voorwaarden. 

4 Vlaktaks en basisinkomen niet effectief
Een andere vorm van generiek beleid, het uniformeren van de schijftarieven tot een vlaktaks, heeft zelfs een averechts effect op de arbeidsparticipatie, tenminste als de inkomensongelijkheid constant wordt gehouden. Generieke inkomensondersteuning via een basisinkomen heeft ook een averechts effect op de arbeidsparticipatie.
Kolom 1 in tabel 2 geeft de effecten van een budgettair neutrale vlaktaks waarbij de schijftarieven gelijk worden getrokken op 39,7%. Dit leidt per saldo tot een toename van de arbeidsparticipatie. Vrijwel alle groepen gaan meer werken.[12] Voor een belangrijk deel komt dit echter door een sterke daling van de netto uitkeringen vanwege de effectieve stijging van het eersteschijftarief. Deze simpele vlaktaks leidt dan ook tot een forse toename van de inkomensongelijkheid. Werknemers met een laag inkomen gaan er in inkomen procenten op achteruit.
Wanneer het effect op de inkomensongelijkheid wordt geneutraliseerd (kolom 2) met behulp van een nieuwe toeslag, dan neemt de arbeidsparticipatie af. Het gaat daarbij om een nieuwe toeslag voor alle personen die belastbaar inkomen hebben (niet-werkende partners krijgen deze toeslag dus niet, zij ondervinden immers ook niet direct de gevolgen van de vlaktaks). Om deze toeslag te financieren, stijgt het vlaktakstarief tot 45,3%. Dit betekent dat (meer) werken voor het merendeel van de personen minder oplevert. De participatie daalt met 0,9%. Een vlaktaks is minder gericht op het prikkelen van groepen die relatief gevoelig zijn voor financiële prikkels.
Generieke inkomensondersteuning, onafhankelijk van arbeidsparticipatie en het inkomen van de partner dan wel vermogen, heeft een sterk averechts effect op de arbeidsparticipatie. Kolom 3 in tabel 2 illustreert de effecten van de invoering van een basisinkomen, waarbij het basisinkomen 50% bedraagt van het netto sociaal minimum (! red.). De uitkeringen worden in deze variant dusdanig aangepast dat uitkeringsgerechtigden er netto niet op voor- of achteruit gaan. Voor het basisinkomen geldt geen partner- of vermogenstoets, niet-werkende partners in samenwonende stellen ontvangen dit basisinkomen dus ook. Het basisinkomen wordt gefinancierd met het afschaffen van de arbeidskorting (in lijn met de gedachte van inkomensondersteuning onafhankelijk van arbeidsparticipatie) en een vlaktaks van 56,6%.
Dit laatste betekent effectief een stijging van alle huidige schijftarieven, met name aan de onderkant. Het basisinkomen geeft tweede verdieners een forse financiële prikkel om te stoppen met werken, en deze groep reageert daar bovendien relatief sterk op. De financiering van het basisinkomen ontmoedigt daarnaast de arbeidsparticipatie van andere groepen op de arbeidsmarkt. De arbeidsparticipatie daalt met ruim 5%.
tabel2participatieeffect
noten 
  • [1] Dit betekent dat de netto-inkomsten minstens aan de armoede-risiconiveau volgens EU-normen moeten voldoen, wat overeenkomt met 60 % van het zogenaamde nationale mediaan netto-equivalent inkomen. http://basisinkomen.eu/2010-was-europees-jaar-tegen-armoede-wat-gebeurde-er-sindsdien/
  • [12] Alleen vrouwen in samenwonende stellen met jonge kinderen gaan minder werken. Zij hebben geen uitkering, en de vlaktaks betekent voor hen dat werken in de eerste schijf minder oplevert

Commentaar

Volgens nieuw modelletje CPB gaan 50.000 bijstandsgerechtigden opeens aan het werk als je ze allemaal voor 0,5 mld dieper armoede in douwt. Maar zou dat wel zo zijn? Als je nagaat waar het CPB die schatting op baseert, dan blijkt dat een berekening te zijn van datasets over de periode 2006-2009. Wat er uit die data aan verbanden tevoorschijn kan worden gehaald, wordt dus geëxtrapoleerd naar 2015.
Lees ook http://toegepastesocialewetenschap.blogspot.nl/2015/02/krijg-je-door-verlaging-van-de-bijstand.html

Facebooktwitterlinkedinmail