Drie uitvoerbare varianten van een basisinkomen (Startup model)

Als vervolg op de eerder gepubliceerde uitgangspunten presenteert Bert Voorneveld als eerst variant een Startup model, individueel basisinkomen van € 1.225 alleen voor volwassenen onder de AOW-leeftijd, met behoud van de huurtoeslag.
Kan budgettair neutraal worden ingevoerd.

Facebooktwitterlinkedinrssyoutubeinstagram

De eerste variant, het Startup model, geldt alleen voor volwassenen onder de AOW-leeftijd. Voor de gepensioneerden verandert er niets. In het fiscale stelsel, dat al op vrijwel alle relevante onderdelen onderscheid maakt tussen personen onder en boven de AOW-leeftijd, moeten ook de laatste standaardelementen (I.B. schijfgrenzen en -tarieven en de premies Anw en Wlz) leeftijdsafhankelijk worden gemaakt.

Zoals in de inleiding van deze serie is aangegeven, kies ik voor een basisinkomen op individuele grondslag dat minstens gelijk is aan het sociale minimum, inclusief toeslagen.

De belastingtarieven worden zodanig ingericht dat het netto inkomen vanaf ongeveer modaal niet of nauwelijks afwijkt van het huidige (Vanaf een bruto van € 50.000 is er een kleine min). Zouden we de belastingtarieven ongewijzigd laten dan wordt het stelsel niet alleen te duur, maar neemt ook de inkomensongelijkheid toe, want als we de heffingskortingen en toeslagen afschaffen ondervinden de hogere inkomens daar minder (resp. geen) nadeel van.

De kindregelingen blijven buiten beschouwing om discussie over (de rechtvaardigheid van) een eventuele inkomensherverdeling te vermijden en het model niet complexer te maken dan het al is.

In het Startup model komen voor de groep beneden de AOW-leeftijd de bijstand (€ 1.078,-) en de zorgtoeslag (€ 105,-) te vervallen. Samen goed voor € 1.183,- per maand. Het bedrag van het basisinkomen stel ik daarom op € 1.225,- per maand. De huurtoeslag blijft in deze variant bestaan.

Financiering

De kosten van het basisinkomen bedragen in dit geval ruim € 161 miljard.

Daar staat tegenover dat de afschaffing van enkele sociale voorzieningen ook besparingen oplevert. In de onderstaande tabel (linkerzijde) is aangegeven welke dat zijn. De bedragen zijn ontleend aan de Rijksbegroting 2021 (WW-budget pre-covid, 2019). Aangezien ook AOW-ers gebruik maken van de bijstand en de zorgtoeslag wordt van die budgetten een gedeelte voor hen gereserveerd.

Aan de rechterzijde is in de tabel het totaal van kosten en baten weergegeven. Onder de baten ook de meeropbrengst van de inkomstenbelasting box 1, als gevolg van de hogere tarieven.

Die meeropbrengst is berekend met een simulatiemodel dat ik daarvoor heb ontwikkeld. Het model bevat de spreiding van de bruto-inkomens; d.w.z. het aantal mensen dat een inkomen heeft op een gegeven inkomensniveau (bron: CBS). Daardoor kan het niet alleen uitrekenen wat het effect is op het netto als de tarieven worden gewijzigd, maar ook wat de wijziging betekent voor het totaal van de belastingopbrengst. De meeropbrengst komt in deze variant uit op een bedrag van € 122,5 miljard.

 

Soort regelingBudgetCorr.OpbrengstTotaal van kosten en baten
Bijstand c.a.8,11,76,4
Re-integratiekosten3,33,3WerkendenAOW-ersTotaal
Werknemersuitkeringen (basis)19,62,417,2Bedrag OBi pmnd1225nvt
Algemene nabestaandenwet Anw0,30,3
Aftrekposten zelfstandigen5,25,2Kosten161,4nvt161,4
Studiefinanciering2,12,1Opbrengst IB.122,5nvt122,5
Zorgtoeslag5,61,24,4In te verdienen38,9
Huurtoeslag4,3nvt
In te verdienen: 38,9Saldo0,0

De verrassende conclusie is, dat het Startup model zelfs budgetneutraal kan worden ingevoerd!

Inkomenseffecten

In onderstaande grafiek is voor ieder brutoniveau (tot een ton per jaar) aangegeven welk netto-inkomen iedere werkende inclusief het basisinkomen ontvangt in deze variant.

De lichtblauwe lijn van basisinkomen plus nettoloon blijft tot een bruto van ongeveer € 2.800,- per maand onder de rode. Dat wil zeggen dat men tot die grens in voorkomende gevallen een beroep zal moeten blijven doen op huurtoeslag. Hogerop verandert er per saldo weinig. Door deze strakke aansluiting op de bestaande situatie zijn er geen onaanvaardbare negatieve inkomenseffecten, want gunstig is voor het politieke draagvlak. Dit kan niet bereikt worden met een grof instrument als een vlaktaks, waar sommigen voor pleiten. Voor een fijnafste
mming als deze hebben we vier schijven met bijbehorende tarieven nodig. De bestaande heffingskortingen zijn bij deze groep afgeschaft en de premies volksverzekering zijn (neutraal) omgezet in belasting.

SchijfVanaf een inkomen vanTot en metTarief
1                nihil                € 20.00070%
2                € 20.001                € 36.00046%
3                € 36.001                € 70.00054%
4                € 70.001                en hoger58%

De verrekening vraagt bij de laagste inkomens uiteraard om een ander tarief dan bij de hogere.

Op het laagste niveau vormt het basisinkomen immers een veel groter bestanddeel van het totaal en zal de verrekening dus alleen plaats kunnen vinden via een hoog tarief in de eerste schijf. Vanaf de tweede schijf kunnen veel lagere tarieven worden gehanteerd en is het stelsel verder progressief.

Niettemin is dit voor velen, met name voor economen, een vorm van vloeken in de kerk. Het idee zondigt tegen de bestaande economische dogma’s, die zeggen dat we voor een goed draaiende economie niet alleen lage lonen nodig hebben, maar ook arbeidsdwang in combinatie met lagere tarieven op de lagere niveaus. Door de enkele invoering van een basisinkomen wordt sowieso de arbeidsdwang afgeschaft, ongeacht de belastingtarieven die ermee gepaard gaan. Dat is op zich al een economische ‘hoofdzonde’. Daar komt in mijn voorstel dus nog een tweede zonde overheen, namelijk een hoog tarief in de eerste schijf. Economen roepen dan onmiddellijk dat daarmee het z.g. marginale tarief veel te hoog wordt. Het marginale belastingtarief is het belastingtarief dat iemand betaalt over zijn laatstverdiende euro. In feite gaat het om de vraag: ‘Als ik bruto meer ga verdienen, hoeveel houd ik daar dan netto aan over?‘. Het marginale belastingtarief wordt daarom geacht van grote invloed te zijn op de bereidheid tot werken en in algemene zin is dat ook zo, dwz bij degenen zonder of met een parttime baan. Fulltimers kunnen moeilijk meer gaan werken dan ze al doen.

Echter, op het onderste niveau bestaat ‘het‘ marginale tarief helemaal niet. Voor iemand met een kost winnende partner zonder belang bij een zorg- of huurtoeslag kan het nul procent zijn en voor iemand die afhankelijk is van de bijstand en/of de toeslagen is het veelal honderd procent. Dat laatste noemen we dan de ‘armoedeval’. Die verdwijnt in dit voorstel, behalve voor ontvangers van de huurtoeslag.

Uit het tarief van 70% moet niet de conclusie worden getrokken dat de laagstbetaalden erop achteruit gaan, want het tegenovergestelde is het geval. Ze gaan er juist op vooruit.

Het nieuwe nettoloon is (door het hoge belastingtarief) weliswaar een stuk minder dan het huidige, maar daar moet het basisinkomen bij opgeteld worden. De laagstbetaalden gaan er daardoor per saldo op vooruit. Dat is goed voor het totaal van de consumentenbestedingen, want op de lagere niveaus wordt minder gespaard dan op de hogere.

Het voert hier te ver om er uitgebreider op in te gaan, maar naar mijn overtuiging weegt het grote voordeel van het goeddeels wegnemen van de armoedeval en de hogere consumentenbestedingen ruimschoots op tegen het bezwaar van een hoog tarief in de eerste schijf.

Waar zeuren we eigenlijk over, als het basisinkomen budgetneutraal ingevoerd kan worden?

Wordt vervolgd.

September 2021, Bert Voorneveld
Image jongleur via Public Domain

Dit is het tweede artikel in een reeks, die begonnen is met Drie uitvoerbare varianten van een basisinkomen (inleiding).
Bert Voorneveld nodigt iedereen die dat wil uit met hem van gedachten te wisselen via de
Denktank Basisinkomen.
Bert Voorneveld is auteur van ‘Plan voor een gelukkige samenleving‘.
Zie ook zijn artikel Het ene basisinkomen is het andere niet.