Een basis-inkomen voor iedereen – Jan Tinbergen 1932

Volgens Philippe van Parijs was Jan Tinbergen was de eerste ter wereld die het woord basisinkomen gebruikte, al in 1932.
Onder een basisinkomen verstaat  hij een periodiek inkomen, door de staat uit te keren.

Onder een basisinkomen versta ik een (b.v. wekelijks) inkomen, door de staat uit te keren, zoals tegenwoordig voor ondersteunde werklozen bestaat in de werklozensteun. De kwestie waarvoor ik hier aandacht zou willen vragen is de volgende: aan werkloze gezinnen, maar aan alle gezinnen een dergelijk „basis-inkomen” wordt uitgekeerd?
Naar ik meen is daar veel voor te zeggen. Ik wil enige der belangrijkste argumenten hier in het kort bespreken.
Om te beginnen wil ik er op wijzen, dat een dergelijk basisinkomen behalve voor ondersteunde werklozen in de tegenwoordige maatschappij ook reeds bestaat in een enkel ander opzicht.

Namelik in dit opzicht, dat kosteloos onderwijs, kosteloze geneeskundige hulp e. d. in bepaalde gevallen ook nu reeds een deel van het inkomen vormen, zodat ook nu reeds het inkomen bestaat uit twee delen: een basisinkomen, dat door de maatschappij (uit belastinggeld) wordt betaald en een bedrijfsinkomen, dat wordt verdiend in het bedrijf, waar men werkt. Alleen is tans het „basis-inkomen” zo klein dat het die naam ter nauwernood verdient. De bedoeling van dit artikel is de wenselikheid te betogen van een veel belangrijker „basis-inkomen”. Het spreekt vanzelf, dat daarbij dan gedacht wordt aan een aanvankelik even grote vermindering van het „bedrijfsinkomen.”

Wat is nu het voordeel van een der gelijke verschuiving? Dit moet vooral gezocht worden in de invloed die ze zou hebben op de werkgelegenheid. Inderdaad zou de werkgelegenheid door een dergelijke verschuiving, en onder overigens gelijke omstandigheden, waarschijnlik zeer belangrijk toenemen. Het zou toch immers betekenen dat een aanmerkelik kleiner deel van het loon voor rekening zou komen van de bedrijven, waardoor voor een aantal grensbedrijven, die in de huidige situatie niet kunnen werken, het draaien weer mogelijk zou worden. Men krijgt dan deze situatie, dat van de aldus aangestelde arbeiders –waarvoor ook tans de werklozensteun wordt betaald door de maatschappij een deel van het inkomen door de maatschappij en een deel door het bedrijf wordt betaald.
De maatschappij  — dat betekent in dit geval voor een belangrijk deel die bedrijven, welke een gunstiger positie hebben dan de overige, hetzij door een moderner outilage, hetzij door een zeer goede leiding, hetzij door een monopolie-positie’).
De werkgelegenheid zou voorts niet alleen direkt maar ook indirekt worden verhoogd, doordat bepaalde vormen van rationalisatie zouden worden voorkomen.

Een vraag, welke zich hier dadelik naar voren dringt, is deze: legt een dergelike maatregel niet een te grote ekstra-last op dergelijke goede bedrijven? Inderdaad is het duidelik, dat er grenzen zijn. Men zou het aldus ingevoerde basis-inkomen zo hoog kunnen opvoeren dat daardoor een te groot gedeelte van de opbrengsten dier beste bedrijven in beslag werd genomen. Te groot in deze zin, dat de kapitaalvorming, welke hoofdzakelik uit die bronnen moet geschieden, in gevaar zou worden gebracht. Wat zou betekenen, dat de vooruitgang in produktiemethode in gevaar zou komen. Ondertussen; men kan dit gevaar vermijden en toch met voordeel de aangegeven methode van een basis-inkomen.

Ondertussen: men kan dit gevaar vermijden en toch met voordeel de aangegeven methode van een basis-inkomen volgen. Reeds tans toch  — ik wees er reeds op — worden de beste bedrijven en de daaruit getrokken hoge inkomens via de belasting als bron voor de werklozensteun gebruikt. Er zou dus betrekkelik weinig behoeven te veranderen in dit opzicht: de belasting zou niet veel, of niet, hoger behoeven te zijn. Ze zou alleen op andere wijze aangewend worden.
Doch er is nog iets anders. De aangegeven vorm van inkomensverdeling is speciaal dàn aan te bevelen wanneer het verschil tussen de kostprijzen van de beste en de slechtste ondernemingen groter is geworden dan voorheen. Want dan krijgt men, bij handhaving van het tegenwoordige stelsel van loonbetaling — d. w. z. in hoofdzaak door de bedrijven —, een vermeerdering van het arbeidsloos inkomen,  — dat vooral voortvloeit uit de verschillen tussen beste en slechtste ondernemingen waartegenover geen evenredige vermeerdering van het arbeidsinkomen staat, zelfs een vermindering daarvan kan staan.
Er is nu aanleiding om aan te nemen, dat na de oorlog zich een dergelijk verschijnsel inderdaad heeft voorgedaan. Sterker kan men het helaas niet zeggen, omdat elke statistiese informatie op dit zo uitermate gewichtige punt ontbreekt. Kostprijsgegevens worden door partikuliere bedrijven, uiteraard slechts zelden openbaar gemaakt. Er is echter toch aanleiding, zoals gezegd, om, aan te nemen, dat het verschil tussen de beste en de slechtste ondernemingen  — in eenzelfde tak van bedrijf — groter is dan voorheen. Dat verschil hangt n.l. samen met het tempo van de kostprijsverlaging, tengevolge van het invoeren van nieuwe methoden van produktie. Hoe sneller dat tempo, des te groter het onderscheid tussen de bedrijven die juist de nieuwste methoden hebben ingevoerd en degene die nog oudere methoden gebruiken. Dat tempo is snel geweest na de oorlog, sneller dan daarvoor.
We kennen het verschijnsel alle in de vorm \ welke ons het Schlagwort „rationalisatie” voor de geest roept. Er zijn ook enkele statistiese gegevens, die die versnelling van het tempo demonstreeren. En om die reden verdient tans het vraagstuk van een „basis-inkomen” nog ekstra aandacht.
Jan Tinbergen, december 1932

Met de mededeling dat de term basisinkomen  in Nederland voor het eerst gebruikte is, begon Philippe van Parijs zijn lezing in Amsterdam op 4 juni 2022. Zie hier een video van deze lezing.
De bron van de tekst is het blad Tijd en taak – religieus-socialistisch weekblad, jrg. 31, 1932, nummer 12.
Link naar PDF van blz 1 en 9 van dit nummer.

Het is overigens niet zo dat Jan Tinbergen een fervent voorstander van basisinkomen is geweest. Zie een bericht op blz. 4 van deze editie van het Vrije Volk van 3-10-1985.