Een beleidstheorie voor het basisinkomen

Facebooktwitterlinkedinmail

Om tot betere experimenten te kunnen komen en een beeld te hebben bij de aanpak van voorgenomen experimenten, is een aanpak gemaakt met 9 punten.
In dit artikel werkt Peter van Hoesel punt 2 uit met de presentatie van een beleidstheorie, waarin de belangrijkste effecten van basisinkomen worden geformuleerd.

Elke beleidsmaatregel of beleidsprogramma is gebaseerd op een aantal veronderstellingen over de werking ervan. Die veronderstellingen worden lang niet altijd expliciet gemaakt, als gevolg waarvan veel beleid berust op (deels) onjuiste aannames.
Aangezien een eventuele invoering van een basisinkomen een drastische beleidsingreep zou zijn, lijkt het nuttig vooraf na te gaan op welke veronderstellingen deze ingreep kan worden gebaseerd.
In deze notitie worden deze veronderstellingen op een rij gezet. Bij elke veronderstelling wordt voorts een korte onderbouwing gegeven in die zin dat de plausibiliteit ervan wordt beschreven. Van een wetenschappelijke toetsing met referenties aan de wetenschappelijke literatuur is in dit stuk geen sprake.
De notitie kan worden gebruikt ten behoeve van nader onderzoek m.b.t. het basisinkomen, bijvoorbeeld t.b.v. experimenten of simulaties, maar is ook een aangrijpingspunt voor verdere discussie tussen voor- en tegenstanders.

Bij het concept ‘basisinkomen’ wordt in deze notitie uitgegaan van de definitie die door de VBI wordt gehanteerd:
Een basisinkomen is een periodiek en vrij besteedbaar bedrag voor iedere burger, dat voldoende is om volwaardig van te leven, zonder dat daar een verplichting tegenover staat en ongeacht het inkomen, vermogen of de samenstelling van het huishouden.

Veronderstelling 1

Het basisinkomen zorgt voor onvoorwaardelijke bestaanszekerheid voor iedere burger.
In het huidige stelsel is een uitkering gekoppeld aan vele voorwaarden, die op hun beurt gekoppeld zijn aan allerlei negatieve financiële gevolgen. Zulke voorwaarden worden niet gesteld aan het basisinkomen.
Armoede kan ermee worden voorkomen, tenzij van een te laag niveau wordt uitgegaan.
Wat hierbij ook helpt is dat het basisinkomen niet lager wordt als mensen gaan samenwonen.

Veronderstelling 2

Het basisinkomen leidt tot een drastische inperking van de bureaucratie in vergelijking met het huidige stelsel van sociale zekerheid. Door het onvoorwaardelijke, universele en individuele karakter van het basisinkomen vervalt de noodzaak om rond elke uitkering veel administratie te organiseren en regelmatig diverse controles uit te voeren.
Voor burgers vervalt hiermee het onoverzichtelijke bestaande stelsel, waarvan telkenmale blijkt dat burgers in de knel kunnen komen door allerlei uitvoeringsproblemen ten gevolge van de complexe regelgeving.

Veronderstelling 3

Het individuele karakter van het basisinkomen zal leiden tot vermindering van het aantal eenpersoonshuishoudens. Een partnertoets of huishoudtoets ontbreekt immers. Dat heeft gunstige gevolgen voor de woningmarkt, zoals een grotere woningvoorraad en lagere prijzen. 

Veronderstelling 4

Het basisinkomen gaat niet gepaard met armoedevaleffecten. Andere inkomsten gaan immers niet ten koste van het basisinkomen. Dit geeft de meeste mensen een positieve prikkel om betaalde arbeid te gaan verrichten.
Eventuele toeslagen boven het basisinkomen zullen overigens wel een armoedevaleffect met zich mee brengen.

Veronderstelling 5

Het basisinkomen vergroot per saldo de arbeidsparticipatie.
Met name in bepaalde levensfasen zullen sommige mensen ervoor kiezen om minder te gaan werken. Aan de andere kant zullen de meeste mensen hun basisinkomen juist graag willen aanvullen. En dat kan ook omdat de arbeidsmarkt veel toegankelijker wordt. Allerlei werk dat momenteel onbetaalbaar is (minimumloon plus wig) kan betaalbaar worden gemaakt. Verder krijgen mensen een grotere keuzevrijheid om werk te zoeken dat bij hen past. Om- en bijscholing worden bovendien laagdrempeliger.
Het basisinkomen levert voorts een financiële basis voor onbetaalde arbeid, zoals vrijwilligerswerk, mantelzorg, gezinszorg, politieke activiteiten, creatieve activiteiten. Het zal ook makkelijker worden om onkosten van vrijwilligers te compenseren en/of hen enigerlei vergoeding te verschaffen voor hun werk.

Veronderstelling 6

Het basisinkomen zorgt voor evenwichtiger arbeidsverhoudingen.
Werkgevers kunnen mensen niet langer onder druk zetten om werk tegen lage betaling of slechte arbeidsomstandigheden te accepteren. Dat pakt positief uit op de kwaliteit van de arbeid.

Veronderstelling 7

Het basisinkomen zorgt voor meer arbeidssatisfactie, omdat mensen geen werk hoeven te accepteren dat niet bij hen past en omdat een hogere werkdruk voor het verwerven van een hoger inkomen voor de meeste mensen niet langer de enige manier is om inkomen te verwerven.
Als gevolg hiervan zal tevens het ziekteverzuim dalen en de productiviteit per saldo toenemen.

Veronderstelling 8

Het basisinkomen voorkomt nutteloze arbeid. Mensen hoeven zich minder in bochten te wringen om diensten en producten op de markt te brengen waar ze zelf niet eens achter staan, om arbeid te verrichten waar ze eigenlijk niet in geloven of om hun heil te zoeken in criminele activiteiten.
Daardoor zal het verschijnsel van nutteloze arbeid fors verminderen. Dat biedt de nodige ruimte voor het scheppen van nuttig werk in sectoren waar tekorten zijn (bv. zorg, onderwijs, techniek). 

Veronderstelling 9

Het basisinkomen maakt een evenwichtiger inkomensverdeling mogelijk, tenzij er van een te laag niveau wordt uitgegaan.
De laagste inkomens zullen wat hoger uitpakken en met name hoge inkomens die voortkomen uit vermogen zullen wellicht met een hoger belastingtarief te maken krijgen. Daarbij kan worden bedacht dat in het huidige systeem de belastingregels voor inkomens uit vermogen een degressieve werking hebben, in tegenstelling tot die voor inkomen uit arbeid.

Veronderstelling 10

Het basisinkomen zorgt voor meer levensgeluk, omdat mensen meer vrijheid krijgen om zich bezig te houden met zaken die hun geluk kunnen bevorderen, zoals: alleen werk accepteren dat bevalt, meer mogelijkheden om tijd te besteden aan het gezin, opnemen van een sabbatical, meer ruimte voor ‘levenslang leren’, meer mogelijkheden om als zelfstandige te gaan werken.

Veronderstelling 11

Basisinkomen heeft positief effect op de gezondheid.
Als gevolg van de grotere keuzevrijheid en bestaanszekerheid plus de toegenomen arbeidssatisfactie, betere arbeidsverhoudingen en geringe bureaucratie zal er minder stress ontstaan en een hoger niveau van welbevinden, met als gevolg minder ziekte.

Veronderstelling 12

Het basisinkomen is niet mogelijk zonder tevens het beleid op diverse aanpalende gebieden van het sociaaleconomisch beleid fors aan te passen, zoals het belastingstelsel, het pensioenstelsel, het arbeidsrecht, de regels m.b.t. de volkshuisvesting.
Invoering van een basisinkomen kan worden beschouwd als een mooie uitdaging om andere stelsels die ermee te maken hebben te verbeteren.

Veronderstelling 13

Er zijn voldoende financieringsbronnen beschikbaar om het basisinkomen te betalen, mits er voldoende politieke wil is om die bronnen ook aan te boren. Belasting heffen is een vanzelfsprekende bron, maar er zijn ook diverse andere bronnen denkbaar (ter illustratie: afschaffen onnodige bureaucratie, afschaffen van obsoleet beleid, aanpassen arbeidsrecht, maatschappelijke dienstplicht, terugdringen overbodige productie).
De financiering van het basisinkomen kan in principe zo worden geregeld dat er geen schade ontstaat voor de economie, bijvoorbeeld wegens een te hoge belastingdruk of een te hoge inflatie (die het basisinkomen weer zou uithollen) of een te lage arbeidsparticipatie.

Veronderstelling 14

Invoering van een basisinkomen zal bijdragen aan een herstel van vertrouwen van burgers in de overheid en omgekeerd.
Dankzij het huidige stelsel staan overheid en burger nogal eens tegenover elkaar: de regels dwingen uitvoerders van het overheidsbeleid om burgers te wantrouwen en burgers krijgen nogal eens het deksel op de neus. Dit is niet langer het geval bij een basisinkomen.
Het vertrouwen in het politieke systeem zal er ook door toenemen.

Peter van Hoesel, juli 2018
Herziening november 2018 (toevoeging punt 11, gezondheid)

Dit artikel past als stap 2 in een reeks artikelen over experimenten, die begonnen is met de tekst Hoe komen we tot een goede aanpak van experimenten met basisinkomen?
Volg voor meer artikelen over experimenten deze link.
Zie voor meer informatie over het gebruik van beleidstheorieën (en kennis in het algemeen) het artikel Een positieve relatie tussen beleid en kennis van Peter van Hoesel en Max Herold.

 

Facebooktwitterlinkedinmail