Een Copernicaanse omwenteling moet zorgen voor een wikimaatschappij

Facebooktwitterlinkedinmail

Arjen Nijeboer geeft in in LOCOMOTIE van  28 juni 2011 (het blad van de OSF -de Onafhankelijke SenaatsFractie) in het artikel “vraagtekens bij het basisinkomen” uitvoerig commentaar op de idee van een basisinkomen. Nijeboer is blijkbaar goed op de hoogte van de discussies over het basisinkomen en komt via de “koppen” : Varianten, Recht, Betaalbaarheid, Armoedeval, Banen, Bureaucratie en Wederkerigheid 1) tot de uiteindelijke conclusie:

„Het idee van het basisinkomen komt in feite voort uit de wens om niet meer te hoeven luisteren naar de behoeften van anderen, om financieel onafhankelijk te zijn van andere mensen. Hoe hoger het basisinkomen is, hoe meer de directe relatie tussen de vraag naar en het aanbod van producten en diensten verbroken wordt en hoe minder er in functie van de vraag dreigt te worden geproduceerd. Dat is kort gezegd het kernprobleem van het basisinkomen.“

Precies die onafhankelijkheid is een pleidooi c.q. een argument voor de invoering van een basisinkomen. Zolang de eerste levensbehoeften van een mens niet zijn vervuld valt er voor hem weinig te kiezen, hij kan dan alleen maar kiezen voor zelfbehoud, voor voortbestaan. Pas als hij voorzien is van zijn eerste levensbehoeften, zijn basisinkomen, is hij bij machte om keuzes te maken, pas dan is hij een „volwaardige marktpartij“.

Immers zolang als dat basisinkomen, die bestaansbasis, deel uitmaakt van het loon, zoals dat nu het geval is, is de loonafhankelijke, ook voor zijn naakte bestaan afhankelijk van zijn loon en dus van zijn werkgever. Op straffe van de bedelstaf moet hij in ieder geval met zijn werkgever door één deur.

Een onvoorwaardelijk basisinkomen maakt hem pas tot „echte“ vrager, tot echte deelnemer aan de samenleving; alleen als hij onvoorwaardelijk zeker is van zijn bestaan, is hij pas in de positie om als volwaardige partner met de anderen, partij te zijn op de markt van vraag en aanbod. Pas dan kan hij, zonder last of ruggespraak gaan voor zijn eigen „belangen“. Ware democratie is feitelijk ook daarvan afhankelijk, je moet niemand “naar de ogen hoeven te kijken”.

Dat zoals nu, het basisinkomen onderdeel is van het loon, staat de marktwerking op de arbeidsmarkt, de flexibiliteit van de arbeidsmarkt, in onze samenleving nu net in de weg.

Precies het borgen van de bestaanszekerheid van de werknemer brengt ons immers ertoe om ontslagvoorwaarden en andere “waarborgen” in te bouwen in een arbeidsovereenkomst. Zodoende is het voor de werkgever niet alleen de arbeidskracht die hij “koopt” nee hij moet daarbij de mens, zelf “op de koop toe” nemen met alle onzekerheid van dien. Aan de andere kant is het voor de werknemer ook niet meer zijn vrije tijd die hij, tegen een loonbetaling opoffert, nee hij moet zijn hele bestaan aan zijn baan ophangen.

In een zorgzame samenleving, waarin de onderlinge solidariteit het leidend beginsel is, is het “logisch” dat de werkgever met de in dienst name van de arbeider ook verantwoordelijk wordt voor diens sociale verband. In een samenleving echter waarin de zorgzaamheid is “geregeld” en waarin de individuele vrijheid het leidend beginsel is, dient dan ook het ‘naakte’ bestaan geregeld te zijn.

Deze verandering, deze evolutie heeft zich in onze samenleving ontwikkeld, parallel aan de wijze waarop wij onze goederen en diensten zijn gaan produceren. In de solidaire samenleving is het duidelijk (transparant) wat iedereen betekent voor de samenleving, ieder heeft zijn rol, zowel in economisch als (dus ook) in sociaal opzicht. In een welvaartsmaatschappij draagt ook iedereen zijn steentje bij, alleen hij is niet meer “meester” van zijn bijdrage, hij is consument geworden en aan de producten die hij gebruikt, die hij koopt heeft “iedereen”, ook hijzelf (een beetje) meegewerkt. Hij is afhankelijk geworden van de organisatie van de samenleving, van de politiek (?). Deze samenleving kent aan hem, zoals aan ieder lid van de maatschappij het recht toe op een menswaardig bestaan, op een basisinkomen dus. (Europese rechten van de mens)

Dat aan het ontvangen van zo’n basisinkomen alle mogelijke “eisen” worden gesteld is feitelijk niet in overeenstemming met onze huidige organisatiegraad, het is een overblijfsel uit een vroegere ordening van de maatschappij, waarin ieders bijdrage duidelijk was en hard nodig.

Het huidige systeem van productie en consumptie is het stadium van het pure overleven ver voorbij en het is makkelijk in staat, om ieder van zijn deelnemers het bestaan te gunnen c.q. te garanderen 2).

Pas dan kan een samenleving van echte vrijheid ontstaan waarin de productie en consumptie, een werkelijke afspiegeling zijn van ieders voorkeuren.

De instandhouding van de bron van alles, de aarde is dan logischerwijze ieders verantwoordelijkheid en ieders belang. Dat laatste is dan net zo duidelijk als de arbeidsverdeling was in de tijd dat arbeid schaars was en ieders maximale inspanning op dat vlak was vereist.

Wederkerigheid staat dan in een ander licht; pas met een bestaanszekerheid in zijn rug kan de mens productief en constructief worden voor de samenleving. De ordening die we nu hebben steunt op een illusie van “wij” verdienen en “zij” verbrassen. Maar ieders bijdrage aan de samenleving kan niet geïsoleerd worden, op zichzelf heeft die immers geen waarde. Dat is een feit, wij zijn allen op een ingewikkelde manier, van elkaar afhankelijk geworden.

Het is dan ook niet goed om sociale lasten te “heffen” en ze dan “uit te keren”. Het moet duidelijk zijn dat wij met zijn allen zorgen voor elkaars bestaan en dat we vervolgens ieder vrij laten in zijn eigen levensinvulling : meer welvaart, meer vrije tijd, meer zorg, meer kunst… Dat moet ook uit de belastingheffing blijken, iedereen betaalt al naargelang hij “verbruikt”c.q. middelen onttrekt (aan de aarde).

Bij invoering van een basisinkomen, met “ingroei” in de “lonen” en de vervanging van belasting op inkomen door belasting op “onttrekking”, op verbruik, is een bureaucratie die alle mogelijke regelingen toeziet feitelijk “overbodig”. De enige regels die dan gelden zijn die van wellevendheid, de rest kan aan de markt worden overgelaten.

Het begrip baan als afhankelijkheid van een “werkgever”, zal een volledig andere invulling krijgen en de productie zal meer op basis van (vrijwillige) samenwerking geschieden. Of er dan voldoende banen zijn, hangt van ieders creativiteit c.q. behoefte af. De “wiki-maatschappij”, waarin vanuit de anonimiteit van de samenleving zelf, alle mogelijke nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden, komt dichterbij en kan dan pas echt tot ontplooiing komen.

Verder moge het duidelijk zijn dat een gedeeltelijk basisinkomen, geen basisinkomen is en eerder de naam afvalputje verdient. Dat is dus geen echte variant en de armoedeval is ten principale opgeheven. Wezenlijk is natuurlijk ook dat het basisinkomen persoonlijk is en onvoorwaardelijk.

Het basisinkomen omvat uiteraard alle vormen van “sociale” zekerheid, omdat het nu net sociale zekerheid is. Zorg bv. gehandicaptenzorg is natuurlijk iets anders, deze dient opnieuw georganiseerd te worden.

Verder kun je het basisinkomen ook als een negatief recht zien, het is immers “bescherming” tegen armoede, anderen “gunnen” mij het bestaan.

Het is een illusie om te denken dat degene die werkt, verdient en betaalt, hij werkt en verdient alleen bij gratie van de anderen, zodoende is zijn “loon” niet meer dan toevallig, het had ook een stuk lager (of hoger) kunnen zijn. In de welvaartsmaatschappij zijn de prestaties niet individueel toe te rekenen, ieder is alleen maar productief dankzij een hele boel anderen. Samen vormen zij de maatschappij, enorm complex en op een bijzondere wijze samenhangend.

In onze maatschappij werkt ongeveer 35% van de mensen, onderzoek leert dat 40% daarvan zijn werk met meer of minder tegenzin doet, waarom hangen wij dan onze hele maatschappelijke ordening op aan betaald werk ?

Het is hoog tijd voor een Copernicaanse omwenteling en het onvoorwaardelijk basisinkomen is daar de kern van.

Maastricht, 4 juli 2012  Leon J.J. Segers, econoom

 

1) deze koppen komen in het artikel in de conclusies aan de orde en zijn daar vet gedrukt

2) Omdat iedereen nu ook al een “basisinkomen” heeft, niemand gaat immers dood van honger in Nederland, is de betaalbaarheid het probleem niet, het wordt nu immers ook “betaald”, zij het via een hoop bureaucratie. Het is alleen een kwestie van herschikking.

Overigens kost een OBI van € 10.000,- in Nederland ± 20% van het BNP, dus ook langs die kant gedacht is betaalbaarheid geen probleem, het is alleen een kwestie van politieke wil.

 

Facebooktwitterlinkedinmail