Elementaire relatietypen voor samenlevingen en basisinkomen

Facebooktwitterlinkedinmail

Als we de mensheid als gemeenschap zien, is op ethische gronden een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen voor de hand liggend.
Met de bestaanszekerheid die dit biedt kan iedereen in vrijheid participeren op de markten voor goederen, diensten en arbeid.

Voor wat hoort wat.
Vaak zegt iemand  dat (onvoorwaardelijk) basisinkomen in strijd is met de wederkerigheid en dat daarmee het sociale cement in onze samenleving zou verdwijnen.
Deze stelling miskent dat ons intermenselijk relatienetwerk veel complexer is dan met deze invalshoek verklaard kan worden.

Elementaire relatietypen

In de antropologie (een tak van wetenschap die op dit moment niet zo heel populair meer is)  bestaat de relational models theory waarin vier elementaire relatietypen worden onderkend. Zie vooral ook het bronartikel daarvoor uit 1992 van de antropoloog Alan Page Fiske The Four Elementary Forms of Sociality: Framework for a Unified Theory of Social Relations .
In het artikel maakt Fiske aannemelijk dat er niet meer dan deze vier elementaire typen zijn.
In een uitgebreid artikel (Over de Magie van de Anti-Kwetsbaarheid) brengt Hans Konstapel deze vier typen in verband met diverse moderne en klassieken manieren om naar de wereld en de mensen te kijken (levensproblemen, wereldbeelden, archetypen van Jung etc.). Dat valt verder buiten de scope van mijn betoog.
In niet goed vertaalbaar Engels zijn de vier relatietypen  Communal Sharing (iets gemeen hebben) Authority Ranking (ordenen in een hiërarchie), Equality Matching (streven naar evenwicht) en Market Pricing (afrekenen via prijzen).

Ik zal de begrippen van Fiske in het vervolg van deze tekst benaderen met de termen Gemeenschap, Hiërarchie, Evenwicht en Afrekenen.

In het artikel laat Fiske op een twintigtal aspecten de verschillen tussen de typen zien.
Ik beperk me hier kort tot drie aspecten:

  • Leeftijd: Een baby start in de gemeenschap, pas vanaf een jaar of drie worden autoriteiten gezien, voor wat hoort wat begint omstreeks het vijfde jaar en pas rond het tiende jaar ontstaat begrip voor relatieve
  • Werk: In de gemeenschap doet iedereen vanzelfsprekend wat hij kan, In de hiërarchie doet iedereen wat de hoger geplaatste zegt, bij evenwicht doet iedereen bij toerbeurt hetzelfde en in de markt wordt een salaris uitbetaald.
  • Seks kan zowel als intense romantische liefde, als onderdrukking van de vrouw door de man, door zorg te dragen dat ieder aan zijn trekken komt en tenslotte via betaalde prostitutie.

 

De elementaire typen kunnen geschakeld worden. Zie als voorbeeld de rechter (een erkende autoriteit) die een prijs (strafhoogte) bepaalt voor een vergrijp. In een school is de docent de autoriteit die hoort te zorgen dat alle leerlingen gelijk aan bod komen.

Het kan fout gaan als er onvoldoende correctiemechanismes bestaan in een samenleving met een overheersend relatietype.
Zo kan een gemeenschap heel hard zijn in het uitsluiten van degenen die afwijken van de standaard.
En ook kan een gemeenschap ontaarden in een sekte waarvan de (meestal toch ontstane) leider als vanzelfsprekend recht heeft op de mooiste vrouwen. Of is er om het ideaal van de gemeenschap te verspreiden eerst een strakke hiërarchie nodig waar geen tegenspraak geduld wordt.
Zodra de eis van wederkerigheid verder gaat dan een moreel appel onder mensen die elkaar kennen, ontstaan dwaze regels zoals sollicitatieplicht voor 60-jarigen en het als invalide jaarlijks opnieuw met een medische verklaring moeten aantonen dat je been nog niet is aangegroeid.
Een zuivere markt is genadeloos voor degenen die het het slechtste hebben. Maar ook is zeer aannemelijk dat de mechanismes in de markt leiden tot een steeds schevere verdeling waardoor een financieel-economische hiërarchie ontstaat.

Tenslotte iets over schaalgrootte. De typen gemeenschap en evenwicht kunnen alleen op redelijk overzichtelijke schaal werken omdat de deelnemers elkaar moeten kennen of kunnen herkennen.
Hiërarchie en afrekenmechanismes kunnen wel gemakkelijk grootschalig geregeld worden, het zijn systemen waar alle mensen zich maar naar te voegen hebben.

Basisinkomen en relatietypen

We kunnen er in eerste instantie heel kort over zijn: basisinkomen is in geen van de elementaire relatietypen zonder meer voor de hand liggend. Ik bedoel uiteraard het basisinkomen dat voldoet aan de kenmerken voor iedereen, individueel, onvoorwaardelijk (geen tegenprestatie, geen toets op inkomen en vermogen) en hoog genoeg.

In een gemeenschap wordt alles gedeeld en draagt iedereen zijn steentje bij. Geld speelt geen rol, inkomen dus ook niet.
In een hiërarchie bepaalt de top wat de lagen daaronder krijgen en wat men er voor moet doen. Een ruimhartige top zou ook de onderste lagen een leefbaar bedrag kunnen gunnen, maar de eis iets te presteren is er zeker ook.
Bij wederkerigheid wordt gestreefd naar een evenwichtige balans, via tegenprestaties. Dat komt het beste tot zijn recht zonder de mogelijkheid dat af te kopen met geld. Basisinkomen past daar niet bij.
Op de markt gebeurt niets voor niets, alles wordt afgerekend. Niemand krijgt zo maar iets, dus ook geen basisinkomen

Maar de vier relatietypen komen zelden in zuivere vorm voor, dus we kunnen wel verder pogen te komen door te combineren.

Voor een basisinkomen is erkenning nodig dat de mensheid als gemeenschap wordt gezien, waar iedereen ongeclausuleerd in redelijke mate aan kan deel nemen. We kunnen beginnen met een land, maar het moet natuurlijk uiteindelijk wereldwijd gelden.
Dat zijn ethisch inzichten die niet wereldschokkend zijn (er is al sinds 1948 een universele verklaring van de rechten van de mens), maar het  betekent wel dat een kleinschalig relatietype grootschalig moet werken en dat gaat niet vanzelf, mede door het wantrouwen van onbekenden.
Voor die grootschaligheid is waarschijnlijk nodig dat dit inzicht aan de top hiërarchisch wordt verankerd en daarmee richtinggevend (afdwingbaar) voor iedereen. Het betekent uiteraard dat de geldstromen een tikkeltje anders moeten gaan lopen dan nu.
In onze huidige wereldorde betekent dat als hoofdlijn invoering van een stelsel met een basisinkomen per land.
Maar wel  met de wenselijkheid dat dat tussen de landen evenwichtige afspraken worden gemaakt over de aansluiting van hun stelsels. Immers zowel mensen als liquiditeiten willen soms een landsgrens over en dat moet wel zo geregeld worden dat misbruik in ethische zin ook juridisch wordt belemmerd.

Buiten de basisregelingen hoeven niet persé zaken dwingend geregeld te worden. Het ligt voor de hand dat in kleine kring zaken op basis van wederkerigheid gedaan kunnen worden en dat grootschalig allerlei marktmechanismes zullen gaan werken.

Het voorgaande kun je ook zien als een ideologisch compromis tussen socialisme en liberalisme.
Via het basisinkomen wordt bestaanszekerheid geregeld. De mensen kunnen zich met die zekerheid vrij op de markt bewegen, waar verhouding tussen vraag en aanbod de prijsvorming zal regelen van goederen, diensten en arbeid. Ruilhandel en wederkerigheid is eveneens mogelijk, maar is alleen kleinschalig te verwachten.

Conclusie

Als we de mensheid als gemeenschap zien, is op ethische gronden een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen voor de hand liggend.
Met de bestaanszekerheid die dit biedt kan iedereen in vrijheid participeren op de markten voor goederen, diensten en arbeid. Afrekenen gebeurt op die markten vooral in geld, wederkerigheid zal slechts een beperkte rol spelen.

Reyer Brons, maart 2019

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube