Geef mensen geen gelijk percentage, maar een gelijk bedrag

Facebooktwitterlinkedinmail

Het kabinet moet niet de koopkracht met een gelijk percentage laten stijgen, vindt Joop Böhm, maar met een voor iedereen gelijk bedrag. Dat is meteen een mooie start met een klein basisinkomen.

Prinsjesdag komt weer in zicht en dat betekent dat de regeringscoalitie zich weer gaat buigen over de koopkrachtplaatjes. Dan wordt er gespeculeerd over het percentage dat bepaalde groepen in de samenleving erop voor- of achteruit zullen gaan. Dat is ook nu weer het geval.

Volgens een bericht in het Algemeen Dagblad heeft de augustusbesluitvorming, waarbij over de koopkrachtplaatjes wordt onderhandeld, inmiddels geresulteerd in een gemiddelde koopkrachtstijging van 1,2%. De stijging van de koopkracht van gepensioneerden en mensen met een lager inkomen blijft echter steken op 0,6%.

Op deze wijze wordt, ook dit jaar weer, de ruimte voor koopkrachtverbetering oneerlijk onder de bevolking verdeeld. Mensen met goed betaalde banen gaan er in procenten flink op vooruit, terwijl gepensioneerden en mensen met lage inkomsten wederom het gelag kunnen betalen. In plaats van de schrijnende ongelijkheid in de samenleving te reduceren wordt die nog eens extra aangedikt!

En dan hebben we het nog niet eens gehad over mensen zonder inkomen. Ook hun kosten gaan immers elk jaar omhoog. Mogen zij niet mee delen uit ‘de Hoorn des overvloeds’?

Nee, het kabinet moet niet de koopkracht met EEN GELIJK PERCENTAGE willen doen stijgen. Dan krijgt iemand met een hoog inkomen er meer bij dan iemand die weinig of niets verdient. Dat is niet eerlijk. Zo hoort dat niet in een democratische rechtsstaat.

Het kabinet zou de koopkracht met EEN GELIJK BEDRAG moeten doen stijgen.  Als er budgettair ruimte is om de inkomens met 1,2% te laten stijgen dan zou iedere Nederlander recht moeten hebben op een bedrag dat gelijk is aan 1,2% van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI).

Dat zou in praktijk gebracht kunnen worden door iedereen met actief kiesrecht een bedrag toe te kennen gelijk aan 1,2% van het bruto nationaal inkomen (BNI) per hoofd van de bevolking. Maandelijks zou dan 1/12 deel daarvan aan hen kunnen worden uitbetaald.
Dat is simpel en eerlijk.

Deze handelwijze heeft bovendien het voordeel dat daarmee een  lucratieve proef met een Universeel Basisinkomen (UBI) in gang wordt gezet. Het UBI-bedrag is natuurlijk (nog) wel heel laag, maar het effect kan versterkt worden:

  • door bijvoorbeeld het onbillijke eigen risico in de ziekenzorg te schrappen en
  • niet langer belasting te heffen over de noodzakelijke kosten van levensonderhoud, die voor veel mensen een belangrijk deel uitmaken van hun vaste lasten.

Op deze wijze kan binnen enkele jaren worden geanalyseerd wat de effecten zullen zijn wanneer tot invoering van een Universeel Basisinkomen wordt besloten.

Joop Böhm, Amersfoort, augustus 2019
Afbeelding van moerschy via Pixabay

 

Facebooktwitterlinkedinmail