Hardnekkige weerstanden tegen het basisinkomen

Facebooktwitterlinkedinmail

Waar komt die hardnekkige tegenstand tegen het basisinkomen vandaan? Welke motieven zitten daarachter en welke belangen spelen daarbij een rol?
Hieronder een poging om de tegenkrachten m.b.t. een basisinkomen op een rij te zetten.
In willekeurige volgorde.
Het is niet de bedoeling van dit stuk om de tegenkrachten te ontzenuwen of te bevechten, maar om rekening te kunnen houden met bestaan ervan bij pogingen om de discussie over het basisinkomen op een effectievere wijze te kunnen voeren.

Vakbonden

Vakbonden houden graag vast aan de klassieke verhoudingen in de polder, omdat zij bang zijn voor verlies van hun bestaande maatschappelijke machtsposities wanneer de arbeidsmarkt wordt gemoderniseerd.Een basisinkomen kan ervoor zorgen dat hun strijd voor werknemersbelangen minder noodzakelijk wordt. Zeker als bij een voldoende hoog basisinkomen de arbeidsmarkt verder zal worden geliberaliseerd, lijkt er weinig over te blijven om voor te strijden.
Cao’s geven vakbonden in het bijzonder veel macht, maar een basisinkomen zou het belang van cao’s wel eens kunnen ondermijnen.
Daar komt bij dat de factor arbeid geleidelijk minder belangrijk lijkt te worden vanwege automatisering/robotisering, waardoor de activiteiten van vakbonden minder belangrijk zouden kunnen worden, waarbij een basisinkomen het belang van een arbeidzaam leven nog eens verder zou kunnen ondergraven.
De grotere vrijheid van mensen om werk te aanvaarden dat ze naar inhoud en vorm al of niet bevalt biedt minder aanknopingspunten voor bemiddeling van vakbonden.
Vrijere arbeidsverhoudingen tussen werkgevers (c.q. opdrachtgevers) en werknemers (c.q. zelfstandigen) zijn vakbonden een doorn in het oog. Zij denken dat werknemers/zelfstandigen zonder hun bemoeienis altijd het onderspit zullen delven.
Maar met een onvoorwaardelijk basisinkomen dat ruim genoeg is om ‘neen’ te kunnen zeggen tegen werkgevers is het de vraag of die opvatting ook dan nog geldig is.
Vermoedelijk vrezen vakbonden dat het antwoord op die vraag negatief is, daarom tonen ze zich tamelijk terughoudend in het debat over het basisinkomen. Het is wel een dilemma voor ze, want het is niet moeilijk in te zien dat een basisinkomen een oplossing biedt voor vele problemen op de arbeidsmarkt waar zij momenteel strijd over voeren. Misschien telt voor vakbonden ook mee dat ze niet goed kunnen overzien wat een basisinkomen allemaal teweegbrengt en waar de vakbondsstrijd dan over zou moeten gaan.

Dit alles neemt niet weg dat ook binnen vakbonden wordt nagedacht over modernisering van de arbeidsverhoudingen, over het groeiende belang van zelfstandigen, over nieuwe vormen van dienstverlening van vakbonden in de moderne arbeidsmarkt en daarin kan een discussie over het basisinkomen waarschijnlijk een positieve rol spelen.

 

Werkgeversorganisaties

Werkgeversorganisaties ontlenen een deel van hun machtspositie aan de huidige verhoudingen in de polder. Met de invoering van een basisinkomen zou die positie minder belangrijk kunnen worden.
Cao’s geven werkgeversorganisaties grip op werknemers. Natuurlijk zijn zij niet altijd blij met de concessies die aan vakbonden moeten worden gedaan, maar zodra dat is geregeld hebben ze hun werknemers weer aan banden gelegd.
Een vrijere arbeidsmarkt die wordt gestut met een basisinkomen geeft werknemers/opdrachtnemers een sterkere positie tegenover werkgevers/opdrachtgevers.
Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat allerlei laagbetaalde arbeid onder relatief slechte arbeidsomstandigheden niet langer mogelijk is. Aan de andere kant wordt er waarschijnlijk ook allerlei betaalde arbeid mogelijk die voor werkgevers momenteel te duur is, hetgeen zowel werkgevers als werknemers nieuwe kansen biedt.
Invoering van een basisinkomen zorgt hoe dan ook voor de nodige onzekerheid m.b.t. toekomstige arbeidsverhoudingen.
Een ander aspect is dat werkgevers bevreesd zullen zijn voor de fiscale consequenties van een basisinkomen. In hoeverre zullen zij de lasten hiervan moeten dragen? Lagere loonkosten zullen wellicht niet opwegen tegen een lastenverhoging als gevolg van de invoering van een basisinkomen.

Werkgevers zijn altijd wel bereid om na te denken over een modernisering van de arbeidsmarkt en zij zien ook wel in dat steeds meer flexibele arbeid tegen zo laag mogelijke tarieven uiteindelijk slecht uitpakt voor de economie als geheel. Het basisinkomen zou in dat denken best een rol kunnen gaan spelen.

Wetenschappers

Hoewel wetenschappers intrinsiek nieuwsgierig zijn en in principe open staan voor nieuwe denkbeelden, laten ze de theorieën waarin ze zijn opgeleid niet zomaar vallen.
Dat is ook logisch want met die theorieën zijn ze een heel eind gekomen en zolang er geen harde bewijzen zijn voor alternatieve theorieën zullen ze die niet overnemen.
In geval van het basisinkomen is dat goed te zien. De meeste economische theorieën gaan uit van de gedachte dat mensen in hoge mate geleid worden door financiële prikkels en over het algemeen klopt dat ook wel.
Aan de andere kant zijn er bijvoorbeeld gedragseconomen en sociaal-psychologen die laten zien dat het ingewikkelder ligt en dat mensen ook door andere zaken worden gemotiveerd.
Het probleem is dat de invloed van een basisinkomen op het individuele gedrag van mensen en op de dynamiek in de samenleving nooit behoorlijk kon worden onderzocht. Al het bestaande onderzoek m.b.t. arbeid en inkomen is uitgevoerd binnen het bestaande systeem, dat stevig gegrondvest is op klassiek economisch gedachtengoed.
Dat maakt het voor wetenschappers die om (in hun ogen) goede redenen tegen een basisinkomen zijn makkelijk om te betogen dat zo’n maatregel niet deugt. Jammer genoeg staan ze niet open voor de hypothesen van wetenschappers die voorstander zijn van een basisinkomen, want die hypothesen liggen in hun ogen te ver af van de kennis die zij hebben opgedaan.
Toch ligt hier een kans, want elke wetenschapper is uiteindelijk geen dogmaticus, anders is het geen wetenschapper.
Meer onderzoek naar de hypothesen van voorstanders zou tot een kentering kunnen leiden.

Politieke partijen

Voor politieke partijen geldt dat een basisinkomen in de meeste gevallen indruist tegen hun bestaande ideologie. Veel rechtse zowel als linkse partijen vinden dat mensen moeten werken voor hun geld (hoewel ze dat standpunt niet laten gelden voor renteniers) en dat uitkeringen hoogstens bedoeld zijn ter overbrugging van een periode waarin het arbeidsinkomen tekortschiet.
Die ideologie verschafte ze tot nu toe een machtsbasis, hoewel die tegenwoordig behoorlijk onder druk is komen te staan wegens de opkomst van nieuwe politieke partijen. Het loslaten van ideologische standpunten zou wel eens verlies van macht tot gevolg kunnen hebben, zo wordt wellicht gedacht.
Daar komt bij dat invoering van een basisinkomen diverse drastische stelselwijzigingen met zich mee zou brengen (zoals bij de sociale zekerheid en de belastingen), waarvan men de consequenties niet kan overzien, waardoor de onzekerheid over de eigen positie nog heel wat groter dreigt te worden dan nu al het geval is.
Sommige partijen, met name aan de linkerkant, zijn wellicht nog meer beducht voor een verlies aan bestaansrecht zodra er geen strijd meer hoeft te worden gevoerd voor mensen met een laag of onzeker inkomen.

Dat neemt niet weg dat politieke partijen ook wel aanvoelen dat de huidige regelgeving aan een (grondige) herziening toe is. Zodra ze via toenemende maatschappelijke protesten worden aangemoedigd om hier serieus over te gaan nadenken, kan hieruit naar voren komen dat het basisinkomen een uitgelezen mogelijkheid zou kunnen zijn om de samenleving beter te laten functioneren en het beleidssysteem op belangrijke punten sterk te vereenvoudigen. Dat zal wegens het grote aantal partijen dan wel de nodige onderlinge samenwerking vereisen.

Groepen mensen met een hoog inkomen

Mensen met hoge inkomens zijn beducht voor de nivellerende effecten van een basisinkomen.
Men vreest niet alleen voor hogere belastingen, maar ook voor andere wijzigingen die voor hen nadelig kunnen uitpakken zoals: meer belasting op inkomen uit vermogen, versoepeling arbeidsrecht (waardoor ze makkelijker hun goedbetaalde baan kunnen verliezen), hogere uitgaven voor klussen in en om het huis (omdat zwart werk wellicht in mindere mate zal worden aangeboden), hogere kosten levensonderhoud.

Dat neemt niet weg dat een zekere nivellering ook positieve kanten heeft. De kwalitatieve verbeteringen die een basisinkomen zal hebben voor de samenleving als geheel maken het leven voor mensen met hoge inkomens uiteindelijk ook plezieriger.

 

Diverse groepen bureaucratische dienstverleners zoals: uitvoerders, consulenten, juristen, adviseurs, bemiddelaars

Allerlei professionele dienstverleners (in publieke zowel als private sectoren) ontlenen hun werkgelegenheid aan de ingewikkelde bureaucratie. Met een basisinkomen kan een deel van hun werk overbodig worden. Denk bijvoorbeeld aan uitvoerders sociale zekerheid, juristen arbeidsrecht, belastingconsulenten, arbeidsbemiddelaars, schuldhulpverleners.

Voor hen geldt dat het eigenlijk beter is om niet vast te houden aan achterhaalde banen, maar naar nieuwe mogelijkheden te zoeken om interessant werk te doen en daarmee de maatschappelijke betekenis van hun werk op een hoger niveau te brengen.

 

Diverse sectoren in het bedrijfsleven

De woningbouwsector zou de gevolgen kunnen merken van een basisinkomen, als het aantal eenpersoonshuishoudens sterk zou gaan krimpen.
Als daardoor tevens de prijzen van woningen omlaag zouden gaan kan dat ook gevolgen hebben voor de financiële sector, omdat er dan minder dekking zal zijn van de hypotheekschulden.
Sectoren die relatief veel overbodige (of zelfs schadelijke) diensten/producten op de markt brengen zullen wellicht meer moeite krijgen om personeel te vinden dat hun producten wil maken of verkopen.

Het bedrijfsleven is wel gewend om voortdurend te zoeken naar nieuwe mogelijkheden om de markt te bedienen, want de markt is altijd in beweging, en de invoering van een basisinkomen biedt ongetwijfeld ook diverse nieuwe kansen.

 

Diverse groepen mensen in de samenleving

Als het basisinkomen een aanzuigende werking heeft op arbeidsmigranten, kan dit als bedreigend worden ervaren door mensen die laagbetaald werk verrichten, omdat de concurrentie op de arbeidsmarkt dan zou toenemen.
Ouderen die altijd hard hebben gewerkt kunnen wellicht moeite hebben met het geven van geld aan mensen die er niet hard voor hebben gewerkt en er misschien nooit hard voor hoeven te werken.
Feministen kunnen bevreesd zijn voor de mogelijkheid dat er weer meer huisvrouwen komen en of dat vrouwen makkelijker laagbetaald werk zullen accepteren.
Conservatieve eenverdieners kunnen juist bevreesd zijn voor de mogelijkheid dat hun partner de vleugels gaat uitslaan.

Voor al deze groepen geldt dat een basisinkomen ook diverse voordelen zal hebben voor allerlei andere groepen in de samenleving, waarvan zij uiteindelijk ook kunnen gaan profiteren.

 

Religies

In veel religies wordt luiheid als een zonde gezien. Het basisinkomen zou mensen kunnen verleiden om niet gaan werken en uitsluitend te gaan leven van een basisinkomen. Dat staat haaks op het beginsel dat mensen ijverig dienen te zijn.
Het basisinkomen kan een emanciperende werking hebben in die zin dat huishoudelijk werk beter kan worden verdeeld tussen mannen en vrouwen. Dat staat op gespannen voet met sommige religies.
De betreffende religies zouden daarbij in overweging kunnen nemen dat een basisinkomen ook heel veel mensen die nu niet werken juist kan activeren.

Religies die moeite hebben met emancipatie van vrouwen zouden in deze moderne tijd toch beter enig begrip kunnen tonen voor de wens van veel vrouwen om gelijkwaardig te worden behandeld.

Carlijn van Tijen, Peter van Hoesel, Reyer Brons, januari 2019
aangevuld met het tekstje over wetenschappers op 11-3-2019

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube