Het basisinkomen bekeken vanuit een economisch perspectief

Facebooktwitterlinkedinmail

paul-mackayDe financiering van een basisinkomen is een kwestie van de economisch goed doordachte en sociaal rechtvaardige vormgeving van de toename en verdeling van waardecreatie.

Wanneer we tegenwoordig praten over de mogelijkheid van een basisinkomen in Europa, dan danken we dat aan ontwikkelingen waarvan de principes na de Middeleeuwen in de periode van de Verlichting aanvaard werden. Zij brachten ingrijpende veranderingen met zich mee:

  1. Op cultureel gebied trad de secularisatie in waardoor er een scheiding kwam tussen kerk en staat. De kerk boette aan maatschappelijke dominantie in. Tegelijkertijd ontstond een humanistisch mens- en wereldbeeld.
  2. De deling van de macht door de scheiding van de uitvoerende-, wetgevende- en rechterlijke macht heeft een moderne rechtsstaat mogelijk gemaakt.
  3. De deling van de arbeid werd de basis voor het bedrijfsleven, dat een
    wereldwijde economische dimensie kreeg.

Door arbeidsdeling is het economische leven compleet veranderd en wel van zelfvoorziening naar een wereld omspannende ordening. Dit ging gepaard met de fabricage van een diversiteit aan productiemiddelen. Daardoor kon de economische productiviteit aanzienlijk toenemen. Een overdaad aan waardevermeerdering was geboren. De toename ervan brengt het vraagstuk van de verdeling van waardecreatie met zich mee. Een basisinkomen krijgt in deze context een economische grondslag. 

Belasting van de consumptie

Het rationele aspect van de arbeidsdeling is onomstreden. De arbeid wordt opgedeeld zodat de productie op een meer effectieve manier kan plaatsvinden. Daar waar mogelijk wordt arbeid door mensen vervangen door machines, die dit vaak beter kunnen. Daarom wordt mensenwerk in de productie steeds meer overbodig. Tegelijkertijd groeit de productiecapaciteit. Hier begint het probleem van de werkloosheid. Om de maatschappelijke gevolgen op te vangen, werden in de 20ste eeuw sociale systemen gecreëerd. Deze systemen bouwen voort op ideeën over verzekeren, dat wil zeggen, degene die een inkomen heeft dat afhankelijk is van arbeid betaald uit voorzorg premie voor het geval hij of zij arbeidsongeschikt of werkloos wordt. Dit betekent dat de factor arbeid belast wordt met extra kosten, de zogenaamde bijkomende loonkosten. Dit maakt de factor arbeid steeds duurder, waardoor nog meer druk op het economische systeem wordt uitgeoefend om deze factor te vervangen door machines. Hierdoor ontstaat een vicieuze cirkel die niet meer te stoppen is. De enige remedie die de situatie verder kan helpen, is een heroverweging van het systeem.

De nu beschikbare productiecapaciteit maakt het mogelijk om iedereen van een inkomen te voorzien, waarmee men zijn basisbehoeften kan dekken. Dit inkomen kan het best gefinancierd worden door het gebruik te belasten. Bij consumptie gaat het om goederen en diensten die door samenwerking van de productiefactoren arbeid en kapitaal (als productiemiddelen) mogelijk zijn gemaakt. Belasting op consumptie ontlast daarmee de factor arbeid. De hoogte van de belasting kan variëren afhankelijk van de aard van de goederen of dienstverlening. Luxe goederen kunnen hoger belast worden dan goederen die aan elementaire behoeften tegemoet komen. Een belasting op de consumptie kan gezien worden in de context van wat door Rudolf Steiner als een heffing op uitgaven aangeduid wordt:

“Geld wordt pas concreet wanneer het wordt uitgegeven. Dan doet het weer mee in het economische verkeer, onverschillig of ik het voor mijn plezier of voor mijn lichamelijke en geestelijke behoeften uitgeef of dat ik het op een bankrekening zet, zodat het daar in het economische proces gebruikt wordt. Als ik het op de bank zet, is het een andersoortige uitgave die ik doe – dat is natuurlijk om het vast te houden. […] En het bijzondere blijkt nu: de inkomstenbelasting moet omgezet worden in een belasting op uitgaven. […]” (GA 332a, lezing van 25 oktober 1919).

Prijsvorming als uitgangspunt

Maar begint het basisinkomen niet vanuit de verkeerde hoek? Gaat het in het economische proces niet om de prijsvorming? Rudolf Steiner definieerde in een cursus voor studenten van ’s lands economie op 29 juli 1922 (GA340) de juiste prijs als volgt:

“Een goede prijs is die waarbij iemand voor een product dat hij gemaakt heeft, zoveel aan tegenwaarde krijgt, dat hij aan zijn behoeften, aan de som van zijn behoeften, waarin natuurlijk de behoeften van zijn naasten zijn meegenomen, kan voldoen, zo lang, totdat hij weer een vergelijkbaar product zal hebben vervaardigd.”

Rudolf Steiner legt uit dat deze formule, zo abstract zij is, toch voldoet, zoals de stelling van Pythagoras alle rechthoekige driehoeken volledig verklaart. Een van de essentiële aspecten in deze formule is dat het verwijst naar datgene wat eerst komt: de overbrugging van de tijd waarin het volgende product vervaardigd moet worden is belangrijk, en niet de tijd waarin dit product vervaardigd werd. De juiste prijs moet niet gezien worden als betaling voor geleverd werk, maar als een inschatting van de arbeidsinspanningen die hij nodig heeft om een vergelijkbaar product te maken. Dus ik kan begrijpen dat mensen zich afvragen of het basisinkomen inzicht geeft in de echte economische vraag, namelijk het vraagstuk van de prijs. Ik bedoel te zeggen, dat een basisinkomen en de prijskwestie elkaar niet uitsluiten. Bovendien zegt de definitie dat de behoeften van degenen die ook hun bijdrage aan de prestatie geleverd hebben er eveneens deel van uitmaken. Sinds de invoering van het sociale zekerheidssysteem zijn dat niet alleen familieleden, maar allen die bij het sociale zekerheidsstelsel betrokken zijn, dat wil zeggen de hele bevolking. Opgeschaald naar het macrosociale niveau, is zodoende in de prijsvorming een samenhang bereikt tussen de gemeenschappelijke economische prestaties en de hoogte van de financiering van de behoeften van mensen, die elkaar wederzijds sociale bescherming gunnen. Als het sociale verzekeringssysteem zich nu niet alleen op bijzondere gevallen, zoals een ongeluk, ziekte of werkloosheid zou richten, maar zich zou verbreden naar een algemene basisverzekering, beweegt het in de richting van het basisinkomen. Dan zou het ook mogelijk zijn om de hoogte van een basisinkomen af te stemmen op de gezamenlijke economische productie.

Basispensioen als bestaansminimum

Rudolf Steiner heeft, voor zover ik weet, het basisinkomen niet direct aan de orde gesteld. Wel heeft hij op 25 oktober 1919 (GA 332a) een hint in die richting gemaakt:

“Maar deze vraag (naar spullen) is immers daarom in ons huidige sociale leven een echt problematische, omdat ze altijd het probleem oproept of ook op de vraag de corresponderende middelen, de bijbehorende bezitsverhoudingen beschikbaar zijn. Men kan behoeften hebben: als je niet beschikt over de middelen die nodig zijn om ze te bevredigen, dan kan je er helemaal niet om vragen.”

Ook heeft hij op 16 februari 1919 in een lezing over het ‘basispensioen’ gesproken (GA 189). Hij karakteriseert het basispensioen als

“de economische waarde van de grond en de bodem in een gebied in verhouding tot de productiviteit”.

Rudolf Steiner legt uit dat er een noodzakelijke verhouding tussen dit basispensioen en een leefbaar bestaansminimum bestaat. Hij raadt aan om voor een bepaald gebied het basispensioen te nemen en dit door het inwonertal van het betreffende gebied te delen. Het bestaansminimum is dan het quotiënt dat je krijgt. Dat duidt Rudolf Steiner aan als ‘het primaire’. In werkelijkheid verdient niemand in een sociaal organisme meer,

“dan wat het gezamenlijke basispensioen gedeeld door het inwonertal oplevert. Wat meer verdiend wordt, is het gevolg van coalities en organisaties, waardoor verhoudingen geschapen worden, waarin een individu meer nut kan verwerven dan een ander.”

In zijn laatste college voor macro-economie studenten op 6 augustus 1922 (GA 340) komt Rudolf Steiner terug op dit quotiënt tussen het grondoppervlak en het aantal inwoners. De kwestie van de prijsvorming moet herleid worden naar de zogenaamde ‘oerproductie’:

“[…] als ieder mens bij zijn geboorte zo en zo veel [aan grondoppervlak] meekreeg, dan zouden prijzen ontstaan, die werkelijk op een dergelijke oppervlakte kunnen ontstaan, omdat dingen dan hun vanzelfsprekende ruilwaarde hebben.”

Tegen deze achtergrond, vult Rudolf Steiner aan, betekent werken:

“Het in circulatie brengen van producten die geruild kunnen worden; en de ruilwaarde wordt uitgedrukt in de prijsvorming.”

Waardecreatie als fundament 

Als een basisinkomen in relatie wordt gezet met het door Rudolf Steiner geschetste basispensioen, is het geen abstracte kwestie meer, maar kan het op ‘het primaire’ teruggevoerd worden. Door een toename van de productie kan de hoogte van het basisinkomen in principe boven het basispensioen uitkomen, dat wil zeggen boven het bestaansminimum. Het zou dan een zaak zijn van een contract tussen generaties.

De kwestie van de financiering van een basisinkomen is het vraagstuk van de economisch verstandige en sociaal rechtvaardige vormgeving van de toename en verdeling van de creatie van waarde – ze zijn twee kanten van een en hetzelfde ding. Een economisch verstandige wording van waardecreatie heeft behoefte aan een sociaal rechtvaardige verdeling ervan, en een basisinkomen kan worden gezien als onderdeel van een dergelijke verdeling.

  • Auteur: Paul Mackay
  • Gepubliceerd in: Het Goetheanum, nr. 23 · 8 juni 2013
    Er is geen link naar het origineel. Van Paul Mackay is toestemming om het vertaald op onze website weer te geven
  • Vertaling: Florie Barnhoorn
  • Paul Mackay is hoofd van de sectie Sociale Wetenschappen aan het Goetheanum. In deze bijdrage reageert hij op vragen gesteld tijdens het congres Burgerinitiatief voor een onvoorwaardelijk basisinkomen – is het zinvol? Gehouden op 9 maart 2013 bij het Goetheanum. Hij baseert zich op twee bijdragen in het boek Entgegensprechen 3, uitgegeven door KunstRaumRhein, gesowip-Verlag, 2013.
  • Meer info: http://www.goetheanum.org/
Facebooktwitterlinkedinrssyoutube