Hoe staat het met het basisinkomen? (2007)

Facebooktwitterlinkedinmail

Het was GroenLinks (met name het PPR-smaldeel) dat eind jaren ’90 het idee van een basisinkomen vertaalde in een politiek voorstel: het voet-inkomen. Dit betrof echter zo’n gering geldbedrag dat al gauw gezegd werd: op één voet kun je niet lopen. Daarna zweeg de Nederlandse politiek over het basisinkomen

(afgezien van wat losse flodders van onder meer D66 en Gerrit Zalm). Pas tien jaar later is er in de maatschappelijke discussies weer sprake van ‘basisinkomen’, maar daarbij wordt meestal iets anders bedoeld. Ging het aanvankelijk om een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedere volwassen burger, nu worden er beperkende voorwaarden gesteld. Zo zegt een gezelschap uit werkgevers- en werknemerskring dat de ontvanger van een basisuitkering beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt en moet “investeren” in zijn of haar employability. En GroenLinks vindt nu zelf dat een (gedeeltelijk) basisinkomen alleen aan werkenden gegeven mag worden. Zo gaat het idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen de mist in. We kunnen pogen de mist te laten optrekken door de term ‘basisinkomen’ te vervangen door een minder beladen term, bij voorbeeld door de term “leefpremie” van Arjen van Witteloostuijn. De mist is echter niet zozeer terminologisch alswel ideologisch van aard, en zal pas optrekken als het basisinkomen niet alleen taalkundig maar ook politiek verduidelijkt wordt.

Ierland en België 
In Ierland is in 2002 geprobeerd het basisinkomen politiek te verduidelijken: door een maatschappelijke discussie via een ‘green paper’ (een rapport met regeringsvoorstellen dat gepubliceerd wordt ter stimulering van discussie). Maar uiteindelijk durfde de Ierse politiek het toch niet aan om het van alle kanten bediscussieerde voorstel – een basisinkomen met een vlaktaks van 42% – ter besluitvorming voor te leggen aan het parlement. Hoewel de Ierse discussie nauwelijks tegenargumenten tegen het basisinkomen had opgeleverd, was men toch erg beducht voor onvoorzienbare gevolgen.

Zulke gevolgen zullen er vast wel zijn, maar – denk ik dan – ook het afzien van een basisinkomen heeft onvoorzienbare gevolgen. En bovendien: je bent er zelf bij en je kunt dus passende maatregelen nemen al naar gelang het onvoorzienbare zich voordoet.

In België is een nieuwe politieke partij opgericht om het basisinkomen in te voeren: Vivant. Terwijl in Nederland de discussie stilviel werd het basisinkomen in België politiek bediscussieerd. Het Belgische commitment is naar Nederlandse maatstaven benijdenswaardig hoog, maar toch werd het basisinkomen ook in België tot nu toe geen politiek succes. Wat positief opvalt is dat in België de wetenschappelijke belangstelling voor het basisinkomen groter is dan in Nederland en dat er een soort natuurlijk experiment gaande is: de loterij ‘Win for life’. De winnaars krijgen een leven lang basisinkomen, wat wetenschappers de kans geeft om effecten van een basisinkomen op de levensloop empirisch te onderzoeken. Eén effect is de onderzoekers nu al duidelijk: basisinkomen maakt de mens niet lui. 

Buiten Ierland en België was er in ontwikkelde landen weinig politieke discussie over het basisinkomen, in weerwil van af en toe een welkome bijdrage aan het maatschappelijke debat door een eigenzinnige wetenschapper (zoals de socioloog Ulrich Beck die basisinkomen verbond met het concept ‘risicosamenleving’).

Stom Nederland
In ons eigen land was het dus lang stil. Deels omdat de euvele gedachte aan arbeidsloos inkomen indruist tegen onze calvinistische inborst, en deels omdat de geregistreerde werkloosheid hier in vergelijking met andere landen erg laag was. Door de banengroei in de jaren ’90 konden meer mensen een arbeidsinkomen verwerven – veel vrouwen ruilden het aanrecht in tegen betaald werk buitenshuis. In die situatie leek de terugkeer van volledige werkgelegenheid aanstaande en de komst van het basisinkomen een utopie. In de eerste vijf jaar na 2000 was er echter geen banengroei maar banenkrimp. Tegen die achtergrond verbaast het niet dat de term basisinkomen weer opduikt. Het echte onvoorwaardelijke basisinkomen komt onverwacht weer aan de orde als het Centraal Planbureau begin 2006 “Reinventing the Welfare State” publiceert. Maar het politieke tij keert dan niet ten gunste van het basisinkomen. De variant van basisinkomen die het CPB doorrekende was wel een zuivere, maar ook een onrealistische. Men wist daar niet dat binnen de Vereniging Basisinkomen intussen meer realistische varianten in opmars waren (waarover straks meer). De CPB-exercitie met basisinkomen had geen impact op de politiek. Het basisinkomen werd als volslagen onrealistisch weggezet. Nederland verkeerde bovendien in hoogconjunctuur: door de aantrekkende werkgelegenheid leek volledige werkgelegenheid binnen handbereik. Deze waan is terug te lezen in de partijprogramma’s voor de Tweede Kamer verkiezingen 2006.

Het kan nog even duren alvorens de waan van de dag wegebt en het besef doordringt dat niet het basisinkomen maar de volledige werkgelegenheid een utopie is. Zodra de hoogconjunctuur voorbij is, kan pijnlijk duidelijk worden dat het in Nederland gekozen beleidsalternatief – vermenging van sociale zekerheid met arbeidsplicht – geen werkgelegenheid maar verlegenheid creëert.

Verlegenheid
Wat moeten we met het feit dat de Nationale Ombudsman op het gebied van de sociale zekerheid zoveel klachten van burgers noteert én honoreert (meer dan op enig ander gebied)? Wat moet de baanloze burger met een beschikbaarheidseis als de beschikbare banen er niet zijn? Nederland kent ruim 7 miljoen banen. Dus 3 miljoen te weinig voor de ruim 10 miljoen arbeidsgeschikten in de leeftijd 16-65 jaar. Wat moet de werkgever met een overvloed van plichtmatige sollicitanten? Hoe moeten burgers echt met elkaar samen leven als de werkende meerderheid de minderheid niet accepteert zoals ze is (baanloos) maar wil dwingen om deel te nemen aan betaald werk (dat er niet is)?

Met een basisinkomen kan Nederland zoveel beter. Dan kunnen werkende en baanloze burgers zonder verlegenheid met elkaar in gesprek gaan, is er meer oog voor de vraag op welke manieren ieder zijn tijd besteedt en hoe zinvol die manieren zijn – los van de vraag of de tijdsbesteding loon oplevert. Dan kan de stigmatiserende tweedeling tussen werkenden en baanlozen verdwijnen.

Auteur: Vereniging Basisinkomen in Werklozenkrant van juni 2007
Bron: http://www.unitasnijmegen.nl/archief/krant/werklozenkrant-2007/werklozenkrant-juni07.html#basis

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube