Leden D66 voelen voor basisinkomen voor allen (1995)

Facebooktwitterlinkedinmail

Binnen D66 bestond in 1995 veel enthousiasme voor het idee van een basisinkomen voor iedereen. Dat bleek op het toen gehouden partijcongres in Arnhem, waar de democraten hun hoofdbestuur opdracht gaven een discussiestuk te maken, op basis waarvan het congres volgend jaar een definitieve uitspraak kan doen.

Het hoofdbestuur moet daarbij rekening houden met een aantal uitspraken van het congres, dat zich zaterdag met grote meerderheid schaarde achter een aantal stellingen, waarin voordelen van zo’n basisinkomen worden opgenoemd. Uitgangspunt in de discussie was een basisinkomen van 50 procent van het netto minimumloon, 800 tot 900 gulden per maand. Daarop heeft dan iedereen recht, ongeacht leefsituatie en eventuele andere inkomsten.
De democraten denken dat invoering van zo’n basisinkomen de mogelijkheden voor mensen vergroot om betaald werk te verrichten en daardoor bijdraagt aan de emancipatie van achterstandsgroepen. Verder krijgen mannen en vrouwen meer vrijheid om werk buitenshuis en zorgtaken binnenshuis eerlijker te verdelen, zo is de overtuiging van de D66-achterban.
De uitspraak van het congres – hoewel nog geen definitief ja voor invoering – brengt de Tweede-Kamerfractie van D66 in een lastig parket. De D66’ers in het parlement, onder aanvoering van sociaal-economisch woordvoerder Bert Bakker, neigen er nu juist naar om het basisinkomen niet in te voeren. Zij zien er veel te veel nadelen aan.
Bakker toonde zich in een eerste, wat emotionele reactie, dan ook behoorlijk teleurgesteld over de gang van zaken. “Ik ben nu twintig jaar bij deze partij, maar dit is het verdrietigste dat ik heb meegemaakt”, verwoordde hij zijn teleurstelling.
Volgens Bakker is er geen behoorlijke discussie gevoerd over het onderwerp. In de diverse deelbijeenkomsten, waaruit de stellingen voortkwamen die aan het congres werden voorgelegd, zouden vooral de voorstanders zich hebben geroerd, terwijl veel verklaarde tegenstanders zich niet zouden hebben laten zien. Verder lopen de motieven van voorstanders van een basisinkomen volgens Bakker te zeer uiteen: “De één ziet het als de vervolmaking van het stelsel van sociale zekerheid, de ander als het einde ervan.”
Bakker gelooft niet dat de invoering van een basisinkomen – dat moet worden betaald uit geld dat nu aan sociale zekerheid wordt uitgegeven – een bijdrage levert aan de bestrijding van de werkloosheid. De brutoloonkosten (dat wat een werkgever inclusief belastingen en premies kwijt is aan een werknemer) blijven te hoog.
Bakker ziet daarom meer in plannen zoals van PvdA-minister Melkert om die te verlagen, vooral op het niveau van het minimumloon. Dat schept nieuwe banen voor lager opgeleide werkzoekenden, is hun overtuiging. Bakker vindt een basisinkomen bovendien onrechtvaardig: het systeem zorgt ervoor dat er ook geld gaat naar mensen die het niet nodig hebben, en dat gaat ten koste van de sociale uitkeringen aan mensen die daar niet buiten kunnen.
Binnen D66 zijn echter ook vooraanstaande leden die er wel wat in zien, zoals bijvoorbeeld partijvoorzitter Vrijhoef en minister Wijers van economische zaken. De bewindsman hield op het congres andermaal een pleidooi voor zo’n stelsel, zij het dat het volgens hem pas op zeer lange termijn kan worden ingevoerd.
Volgens Wijers is de Nederlandse cultuur er te veel op gericht dat mensen worden opgevoed tot werknemer. Die cultuur moet volgens de minister verdwijnen. Mensen in Nederland moeten zich er meer op gaan instellen dat zij, afgezien van het basisinkomen voor iedereen, zelf als een klein ondernemertje in hun levensonderhoud voorzien door hun diensten aan te bieden. Wijers: “We zouden eens moeten kijken hoe we met het systeem van een basisinkomen de creativiteit van mensen de ruimte kunnen geven. Het huidige systeem stimuleert dat niet, integendeel, een regeling als de bijstand bijvoorbeeld remt dat af.”
Facebooktwitterlinkedinrssyoutube