Links zou moeten stoppen met de ideologie van betaalde arbeid.

Facebooktwitterlinkedinmail

Velen proberen de betekenis van werk te beperken tot betaalde arbeid of inkomstenverdienende activiteiten. Het is volgens Guy Standing onvergeeflijk voor degenen van politiek links om dat te doen. Sociaaldemocraten betalen een zware politieke prijs omdat ze dit in de 20e eeuw hebben gedaan.
Ze vielen in hun eigen politieke valkuil, waardoor het concept van volledige werkgelegenheid op een voetstuk kwam, terwijl dat niet veel meer betekende dan het maximaliseren van het aantal mensen in arbeid, in posities van ondergeschiktheid aan bazen.
Tenzij de linkerzijde kan ontsnappen aan de dwaasheid om arbeid gelijk te stellen met werk, zullen ze de nodige steun verder verliezen en blijven ze afdrijven in de politieke marges. Waarom zouden zoveel mogelijk mensen in ‘banen’ moeten worden opgevat als een bepalende progressieve politiek?

Guy Standing schreef dit in maart 2018 in een artikel Left Should Stop Equating Labour With Work. Hij is overtuigd voorstander van het basisinkomen, maar dat woord komt in het artikel slechts terzijde voor. Is ook niet nodig, lezers kunnen zelf wel bedenken dat er weinig andere oplossingen zijn om mensen aan inkomen te helpen als betaling voor werk of arbeid niet langer het hoofddoel is.
Van zijn artikel is door Christine Lambrecht een vertaling gemaakt onder de titel Links zou moeten stoppen om arbeid met werk gelijk te stellen.
Een lastig punt is dat de tegenstelling tussen de Engelse woorden work en labour nauwelijks terug komt in de Nederlandse woorden werk en arbeid. Bij ons zijn werk en arbeid bijna synoniemen, we moeten steeds preciseren of we al dan niet betaald werk of betaalde arbeid bedoelen.
Dat moet je in het achterhoofd houden bij lezing van het artikel, de vertaling van Christine en de ingekorte versie hieronder.

Sociaaldemocraten moeten er volgens Guy Standing aan worden herinnerd dat de gedurende vele decennia de term ‘in loondienst’ een kwestie was van spijt, een erkenning van een lage sociale status, meestal toegepast op alleenstaande vrouwen die verplicht waren om laagbetaalde posities in te nemen in huishoudens onder leiding van de bourgeoisie of aristocratie.
Gedurende de 20e eeuw maakte een eigenaardige alliantie van politieke ideologieën arbeid verplicht, behalve door de landadel en de ‘nutteloze rijken’. Wat hoogstens als een zware noodzaak in een kapitalistisch systeem moest worden beschouwd, werd in de Sovjetgrondwet een pathologische plicht ‘Hij die niet arbeidt, mag niet eten’ en nam een even anti-emancipatorische vorm aan in alle vormen van de sociale democratie.
Opzettelijk was het recht op een fatsoenlijke sociale zekerheid beperkt tot degenen die arbeid verrichtten voor bazen, of die op een vernederende manier een bereidheid demonstreerden om arbeid te verrichten, of die, op een afgeleide, achtergestelde manier, getrouwd waren met iemand die arbeid verrichtte, of een lange periode in dienst had doorgebracht om dat te doen.

Dwangarbeid

Helden en heldinnen van de sociaaldemocratie namen dat allemaal aan als logische conclusies. Zo pleitte Beatrice Webb openlijk voor werkkampen, waarbij ze desnoods geweld gebruikte.
William Beveridge, beschermheilige van de Britse verzorgingsstaat, geloofde, in ‘de zweep van de honger’ om arbeiders te dwingen te werken.

De politieke linkerzijde moet de confrontatie met deze ongemakkelijke oorsprong durven aangaan en niet zomaar wegwuiven. Sociaaldemocraten zijn opmerkelijk stil geweest over de systematische verstoring van werk naar betaalde arbeid. Ze hebben er aanvankelijk niets aan gedaan om de retoriek te veranderen of de statistische weergave van werk dat sinds de jaren dertig in de nationale rekeningen en arbeidsstatistieken is gebruikt in twijfel te trekken. Tenzij ze veranderen, kunnen ze niet hopen de politieke hoogten te heroveren, en ze zullen het niet verdienen om dat te doen.

Als je zes uur per dag voor een ouder familielid zorgt, is dat in sociaaldemocratisch en neoliberaal taalgebruik geen werk. Als je drie uur per dag besteedt aan het zorgen voor het oudere familielid van iemand anders voor een loon, wordt dat werk genoemd en wordt je verheven tot fatsoen als ‘werknemer’ en wordt je waarschijnlijk op de een of andere manier beschermd door arbeids- en socialezekerheidswetten. Deze discriminatie is absurd.

Op dit punt moet men dit algemene sociaaldemocratische brutaliteit durven te noemen: de bewering dat het hebben van een baan iemand ‘waardigheid’, ‘status’ en de middelen van sociale integratie geeft, een gevoel van verbondenheid met de samenleving.
Vertel maar eens aan een man, die door een riool gaat om buizen te repareren, dat dit hem waardigheid en een gevoel van verbondenheid met de maatschappij oplevert. Verwacht maar een onwelkom antwoord.
Vertel maar eens aan een vrouw , die ’s morgens met tegenzin haar bed verlaat om elders de vaat schoon te maken, dat ze wordt geïntegreerd, en dat ze dankbaar moet zijn voor het hebben van een baan. Je weet welk antwoord je kunt verwachten.

Voor de meeste mensen zijn banen een instrument, niet iets om te denigreren of te romantiseren. Er is geen gerechtvaardigde reden om ze boven andere vormen van werk te plaatsen. Dit hebben de sociaaldemocraten wel gedaan. Dat is geen progressieve positie. Marx had gelijk toen hij arbeid een ‘vervreemdende activiteit’ noemde.

Populistische denkfout.

Er zijn echter andere redenen om te zeggen dat alle progressieven radicaler en intellectueel eerlijker moeten zijn over werk. Het is steeds storender om vol te houden dat betaald werk geldt als norm. Het groeiende precariaat weet dit maar al te goed. Dat is een reden waarom ze neigen naar nieuwe progressieve bewegingen die oude sociaaldemocraten maar al te graag afwijzen als ‘populistisch’.

Twee dualismen die de basis vormden van sociaaldemocratisch sociaal- en arbeidsbeleid waren de ‘werkplek’ versus andere plaatsen en ‘arbeidstijd’ versus andere tijdsbesteding. Er wordt steeds meer werk gedaan buiten de formele werkruimten en buiten de arbeidstijd. Degenen die in het precariaat zitten, besteden vaak meer tijd aan werk-voor-arbeid en werk-voor-de-staat dan aan feitelijke arbeid. Sociaaldemocraten zeggen impliciet dat dit geen echt werk is.

Als men deze realiteit aanvaardt, moet men erkennen dat bestaande nationale arbeidsstatistieken steeds meer de beelden van werk en de manier waarop mensen leven, verstoren. Sociaal beleid afhankelijk maken van geregistreerde arbeid is onverdedigbaar voor iedereen die beweert links te zijn. Voor iemand aan de rechterkant is de vervorming fantastisch. Bescherming moet alleen worden gegeven aan mensen met zichtbare arbeid.

Workfare

Men moet het aan het geweten van sociaaldemocraten overlaten om uit te leggen waarom zij niets hebben gezegd over de aard van nationale arbeidsstatistieken.

Wim Kok, die de Derde Weg smeedde, maakte de weg vrij voor de Nederlandse PvdA  die de afgrond inging.
New Labour verloor het Britse precariaat , en bevrijdde het spook van Universal Credit gedurende vele decennia als het meest oneerlijke sociale beleid.
Guy Standing noemt ook ontwikkelingen in Duitsland en Italië.

Ouderwetse sociaaldemocraten houden zich meer bezig met het aanvallen van het basisinkomen, dat naast het bieden van inkomenszekerheid, werk aanmoedigt ongeacht de betaling. In plaats van de werklast te bekritiseren, dwingen ze de werklozen tot dwangarbeid.

Tenzij sociaaldemocraten hun toewijding aan arbeid kunnen en durven terugdraaien, zijn ze zeker niets meer als politieke kracht. Zo fundamenteel is het.

Er is echter nog een andere reden om progressief te denken over werk die nog belangrijker is en deze staat in de context van de ecologische crisis die ons tegemoet snelt.
Helaas hebben links in het algemeen en sociaaldemocraten in het bijzonder een slechte reputatie op ecologisch vlak. Wanneer er een conflict was tussen het creëren van banen en de omgeving, hebben ze voorrang gegeven aan banen, zogenaamde ‘arbeidersklasse’-banen.

Groen, links en groei

De linkerzijde moet opnieuw beginnen. Beschouw het volgende dilemma. Als alleen arbeid wordt vastgelegd in nationale statistieken en als alleen arbeid wordt geaccepteerd door de bureaucraten die sociaal beleid voeren, wordt ‘economische groei’ onderschat en leggen we te veel nadruk op activiteiten die leiden tot uitputting van hulpbronnen. Als in plaats daarvan een niet-labour-geïnspireerde benadering zou worden gevolgd, zou de ruilwaarde van werk dat geen arbeid is – gewoonlijk ‘gebruikswaarde’ genoemd – minstens even groot zijn als de waarde van arbeid.

Voor iedereen die Groen en Links is,  zou dit een geweldige aantrekkingskracht moeten hebben. Het zou hen in staat stellen om de onhandigheid van de term ‘degrowth’ te overwinnen. Als activiteiten die erop gericht zijn hulpbronnen te behouden en onszelf en onze gemeenschappen te versterken, onze commons dezelfde waarde krijgen als uitputtende middelen, en vervolgens van de laatste naar de vorige overschakelen, zou dit geen ‘groei’ of ‘degrowth’ inhouden. Het is moeilijk om een politieke campagne van degrowth te ondersteunen als dat betekent dat de economische groei moet worden verlaagd, omdat met conventionele statistieken de gemiddelde levensstandaard moet worden verlaagd. Voor een overtuigd Groen aanhanger, kan zich nog zo deugdzaam en principieel voelen, maar het is onwaarschijnlijk dat hij voor de deur van de typische kiezer nieuwe aanhangers wint.

Als werk dat geen betaalde arbeid is, gelijk (of idealiter) meer gewicht en aandacht krijgt in statistieken, in progressieve retoriek, en in artikelen en boeken geschreven door progressieven, zou dat iedereen mogelijk maken om ‘groei’ op een meer ecologisch verantwoorde manier te meten.

Guy Standing, vertaald door Christine Lambrecht en ingekort door Reyer Brons, april 2018

Facebooktwitterlinkedinmail