Niet-werken is in toenemende mate het voorportaal geworden van uitsluiting, armoede en sociaal isolement

Facebooktwitterlinkedinmail

Femke Roosma, duoraadslid voor GroenLinks in Amsterdam, houdt een warm pleidooi voor het basisinkomen. “Niet-werken is in toenemende mate het voorportaal geworden van uitsluiting, armoede en sociaal isolement.”

Mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt worden steeds meer uitgesloten van werk en een fatsoenlijk inkomen. Eén van de oorzaken hiervan is de groeiende focus die gelegd wordt op het belang van renderend werk. Iedereen móet meedoen: daar is men het van links tot rechts over eens. Zó over eens, dat niemand het ter discussie wil stellen. Maar participatie wordt steeds meer gezien als iets wat moet worden uitgedrukt in economische waarde: renderende arbeid. Een voorbeeld is het voorstel van dit kabinet om arbeidsongeschikten te be-talen naar hun “loonwaarde” (de waarde die ze kunnen produceren) en ze langdurig onder het minimumloon te laten werken. De nadruk op renderend werk leidt tot een groeiende kloof tussen competitieve mensen met een hoge arbeidsproductiviteit en mensen met een lage arbeidsproductiviteit die niet mee kunnen komen in de rat race om status en geld. Werken is daardoor in toenemende mate een toegangsbewijs tot meedoen geworden, en niet-werken het voorportaal van uitsluiting, armoede en sociaal isolement.

Meer dan alleen geld verdienen

Maar werk is een veel rijker begrip dan alleen “rendabele arbeid”  Werk is belangrijk voor afleiding, voor een gevoel van bekwaamheid, voor identiteitsvorming. Die waarden vinden we niet alleen in rendabele arbeid maar ook in vrijwilligerswerk, vormen van dagbesteding en gesubsidieerde arbeid. Het is een hard gelag dat het kabinet juist op die vormen van participatie bezuinigt. De sociale zekerheid en gereguleerde arbeidsmarkt zouden mensen veel meer moeten stimuleren om de juiste balans te vinden tussen werk,vrije tijd, ontwikkeling en de zorg voor anderen. Werk zou moeten samenbinden in plaats van tweedelen. Werk zou de basis moeten zijn van solidariteit en niet de aanjager van ongelijkheid. Maar hoe kunnen we onze overspannen prestatiemaatschappij bijsturen in de richting van een ontspannen, ongedeelde en solidaire samenleving? Het vrijzinnig paternalisme suggereert inbouwen van nudges (duwtjes) om mensen “betere” keuzes te laten maken.

Het invoeren van een basisinkomen (een onvoorwaardelijk inkomen voor iedereen), in combinatie met het creëren van (beschut) werk aan de onderkant van de arbeidsmarkt, is een belangrijke nudge die de ontspannen, ongedeelde en solidaire samenleving dichterbij kan brengen. Het basisinkomen compenseert de oneerlijke verdeling in inkomen, bezit en talenten. Het bevrijdt mensen van de knellende economische definitie van arbeid. Het beloont en waardeert niet renderende vormen van arbeid zoals mantelzorg en vrijwilligerswerk, het biedt meer ruimte voor ontplooiing en scholing en voor het combineren van verschillende levensdoelen. Maar bovenal versterkt het de positie van de mensen die het zwakst staan op de huidige arbeidsmarkt. Het biedt hen de mogelijkheid slecht betaalde junk jobs af te wijzen en versterkt daarmee het recht op een eerlijke en goede baan die loont. Het biedt hen meer bestaanszekerheid, maar vooral ook meer vrijheid en een grotere autonomie.

Femke Roosma

Dit artikel is een bewerking van het hoofdstuk Werk, sociale zekerheid en het “goede leven” in het boek Vrijzinnig paternalisme – Naar een groen en links beschavingsproject dat het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks in oktober uitbrengt.

Oorsprong: GroenLinks Magazine via Issu: http://issuu.com/groenlinksmagazine/docs/september2011/25

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube