Pleidooi voor invoering van een basisinkomen in Nederland

Facebooktwitterlinkedinmail

 

Mijn-idee-isIdeeën, artikelen, TV uitzendingen, praatprogramma’s, bijeenkomsten over het basisinkomen zijn ‘hot’ vandaag de dag. Maar de invoering van een basisinkomen in Nederland is nog ver weg. Zodra voorstanders van de invoering van het basisinkomen zich uitspreken valt half Nederland over hen heen en roepen:

  • Wat, gratis geld voor mensen die daarna op hun gat gaan zitten om lekker niets te doen, of
  • Pas op, het arbeidsaanbod zal dalen, vanwege het basisinkomen laten mensen het afweten werk te zoeken, of
  • Hiermee wordt het probleem van een stagnerende werkgelegenheid niet opgelost, of
  • Hoe dat te betalen?

Deze tegengeluiden worden gehoord, zowel in rechtse, linkse als confessionele hoek, en uitgesproken door de regering en politieke partijen. Ook respectabele instituten als de vakbeweging, het CPB, CBS zien er niets in. Waarom gaat bij deze instituties het licht niet aan?

Gelukkig komt er wat meer beweging. Op stedelijk en regionaal wordt op steeds meer plekken gesproken over de start van experimenten die richting basisinkomen wijzen. Wethouders, sommige lokale afdelingen van politieke partijen en groepen voorstanders basisinkomen maken zich sterk voor proeven met een tijdelijk ‘regelloze’ uitkering van de bijstand.

Dit artikel focust op een aanzienlijk bredere reikwijdte: invoering van een basisinkomen voor en in heel Nederland. Daartoe de volgende drie paragrafen:

  1. Wat is een basisinkomen, voor wie, welk bedrag?
  2. Argumenten voor een basisinkomen.
  3. Invoering basisinkomen met rekenmodellen.

1.  Wat is een basisinkomen, voor wie, welk bedrag?

Het basisinkomen is een bij maatregel wettelijk jaarlijks vast te stellen en aan te passen bedrag. Het basisinkomen wordt maandelijks aan Nederlanders

  • vanaf 18 jaar
  • met een Nederlands paspoort
  • woonachtig in Nederland
  • tot aan zijn/haar dood door de staat uitbetaald.

In hoeverre EU- en andere regels uitbetaling van een basisinkomen aan Nederlanders niet in Nederland woonachtig, respectievelijk aan niet-Nederlanders wel in Nederland woonachtig, kan verbieden of juist verordonneert, zal nader moeten worden uitgezocht.

Het verwerven van inkomen naast het basisinkomen wordt niet door regels verboden. Verdiensten in geld of natura via betaald en onbetaald werk zijn toegestaan. Het delen met een ander of meer personen van een woning en/of huishouden staat behoud van ieders individuele basisinkomen niet in de weg. Ook vermogen is geen sta in de weg, voor zover niet aan banden gelegd door bestaande en nieuwe belastingwetten.

Meningen en standpunten over de hoogte van het basisinkomen verschillen, ook in de kring van voorstanders. Aan het eind van dit artikel worden rekenmodellen getoond met varianten van €1000 (oplopend met steeds €100) tot €1800 per maand. Dit artikel kiest voor de variant van een basisinkomen van €1500 bruto per maand.

Dit artikel kiest er ook voor Nederlanders vanaf 18 – 24/25 jaar een getrapt basisinkomen te verstrekken. Vanaf 18 jaar loopt het basisinkomen op van €800 (18,19 en 20 jaar) naar €900 (21 – 22 jaar), naar €1000 (23 jaar) en €1100 (24 jaar).

 2.  Argumenten voor het basisinkomen

Een bredere kijk op arbeid en werk, en de vele daaraan gekoppelde zaken als arbeidsmarkt, loon/salaris, werkeloosheid, arbeidsmotivatie, werkgelegenheid, etc. etc.

Deze bredere kijk houdt in dat onder werk zowel betaalde als onbetaalde arbeid wordt verstaan. Er zijn drie groepen werkers te onderscheiden.

De eerste groep omvat de betaalde werkers/arbeiders, zoals de bouwvakker, de ambtenaar, de ceo van een wereldconcern, de voetbalprofessional, de medicus, de verpleegkundige, de zzp-er, de opbouwwerker.

De tweede groep zijn de onbetaalde arbeidskrachten: de mantelzorgers, de vrijwilligers, de huisvrouwen/mannen, de arbeidsgehandicapten, de studenten, de stagiaires, etc. etc.

Dus ook studeren, een opleiding of stage doen, wordt hier als onbetaald werken begrepen. Dit geldt eveneens voor de vrijwilligers, die soms – veelal kleine – vergoedingen in geld of natura krijgen (bijvoorbeeld de bioscoop vrijwilliger die gratis toegang krijgt in zijn/haar bioscoop).

De derde groep zijn diegenen die zowel betaald als onbetaald werk verrichten: de advocaat met een onbezoldigde bestuurs-baan in zijn vrije tijd, de zzp-er die onbetaald klusjes bij ouderen doet, de AOW-er die tegen een klein loon kranten bezorgd, de huisvrouw die een dag per week als invalkracht betaald werkt in het onderwijs, de student met in de avond een betaald horecabaantje etc. etc.

Waarom rekenen wij al die drie groepen niet tot de gezamenlijke groep van werkers, die betaalde en/of onbetaalde arbeid verricht? Waarom tellen al die mensen niet mee in statistieken over werkgelegenheid, de arbeidsmarkt, etc. Alleen op die manier is een juist en echt beeld te krijgen hoe het feitelijk met de werkgelegenheid, de arbeidsethos van de Nederlander boven de 18 jaar is gesteld.

De hamvraag is natuurlijk of wij Nederlanders het er over eens zijn dat al de genoemde mensen arbeid/werk verrichten.

Het antwoord op deze vraag is ja. Immers, zijn wij het er niet over eens dat opvoeding en verzorging van kinderen werken is? Geldt niet hetzelfde voor de mantelzorger, de studerenden? Niet alleen de professional werkt, ook de vrijwilliger zonder loon/salaris.

Zo redenerend is vast te stellen dat velen in Nederland werken/arbeiden, betaald en onbetaald. Het is tijd om anders aan te kijken tegen betaald en onbetaald werken, en daarmee het huidige gebruik van de begrippen werk en arbeid aan te passen met de daaraan gekoppelde begrippen arbeidsmarkt, werkeloosheid etc. etc. En ook om afstand te nemen van kwalificaties van zij die geen betaald werk hebben als ‘luiaards, bankzitters, profiteurs’.

Vandaag de dag spelen met name de automatisering en robotisering een grote rol en doen hun effecten op de betaalde werkgelegenheid gelden. Feit is dat voor de 50 plusser het vinden van een betaalde baan kan worden vergeten. In plaats van een stijgen van de huidige betaalde werkgelegenheid kan beter van een daling worden uitgegaan. Een oplossing voor de structurele aanwezigheid van een fors tekort aan betaalde arbeidsplaatsen is er niet, ondanks al het positieve geluid dat vele partijen steeds maar uitdragen, tegen beter weten in.

Anderzijds, wij worden steeds ouder, er ontstaat een kolossale vraag naar mantelzorg voor ouderen. Ook de druk van de politiek op de burger om – onbetaald – mee te doen aan onze participatiemaatschappij, wordt steeds opgevoerd. Met andere woorden: genoeg onbetaalde werkgelegenheid.

Laten wij hierop inspelen en het betaald en onbetaald werken meer als gelijken naast elkaar zetten. Dit niet alleen in waardering, voelen en morele erkenning, maar ook met geld in de vorm van het basisinkomen. Inderdaad, daarom wordt van inkomen gesproken en niet van een uitkering.

Een steviger bestaanszekerheid en afdekking van inkomensrisico’s, ontstaan van een relaxter maatschappelijk gebeuren met meer ruimte voor duurzaamheid, cultuur, gezondheid, solidariteit, eigen ondernemingszin en minder dominantie van vraag en aanbod van enkel betaald werk.

Met het basisinkomen verwerven Nederlanders vanaf 18 jaar tot aan zijn/haar dood bestaanszekerheid. Net zoals nu de AOW doet voor de oudere en tot voor 5 jaar geleden de algemene heffingskorting elke Nederlander van 18 – 65 jaar zonder uitkering een bedrag uitkeerde of ervoor vrijstelde van inkomstenbelasting. In 2011 was dat €165 per maand, de zgn. ‘aanrechtsubsidie’. Beide zaken zouden opgevat kunnen worden als een soort basisinkomens avant la lettre.

Ontslagen worden, starten als zzp-er, stage doen zonder loon, doorstuderen vanaf je 18e, opleidingen volgen, in

deeltijd betaald gaan werken, als huisvrouw/man taken op je nemen, al deze zaken krijgen een wat makkelijker te (ver-) dragen opgave door de aanwezigheid van een basisinkomen.

Net zoals bij die bredere kijk op werk en arbeid, waardoor meer gelijkheid tussen onbetaald en betaald werken kan worden ervaren, geeft de zekerheid van een basisinkomen meer vertrouwen bij burgers in een functioneren als volwaardig lid van de gemeenschap. Het maatschappelijk gebeuren krijgt daardoor een relaxter karakter, met meer ruimte voor duurzaamheid in de wereld, minder nadruk op als maar meer en meer consumeren, aandacht voor (geestelijke) gezondheid, meer plek voor cultuur en ondernemingszin en ook plaats voor de gehandicapte mens: kortom inperking van de overmatige aandacht voor bijna uitsluitend groeicijfers en de markt van betaald werken. Invoering van het basisinkomen roept een halt toe aan de steeds toenemende tweedeling in onze maatschappij en geeft meer ruimte voor groei van de noodzakelijke solidariteit tussen burgers.

De-bureaucratisering, meer transparantie en eenvoud, afslanking overheidsapparaat, ontstaan van een reservoir aan arbeidskrachten beschikbaar voor nieuwe taakinvulling, en afname fraudegevoeligheid.

Invoering van een voldoende basisinkomen betekent dat een veelheid van regelingen, wetten, toeslagen, uitkeringen etc. etc. in de prullenbak kunnen verdwijnen. De overheid wint hiermee aan transparantie en eenvoud.

Het effect van zo’n de-bureaucratisering is nauwelijks te bevatten. Wel is duidelijk dat het overheidsapparaat kan afslanken. Daarnaast is het potentieel aan arbeidskrachten bij de overheid ook deels inzetbaar en te gebruiken voor:

  • versterking sectoren als belastingdienst, zorg,onderwijs, schuldhulpverlening, milieu
  • opknippen van fulltime banen in deeltijdwerk voor verruiming aanbodszijde van betaald werk
  • initiëren van nieuwe en aanvullende taakopvattingen in overheidsbanen met meer aandacht voor maatwerk, actief de wijk ingaan om daar onderzoek te doen naar de werkelijke (financiële) problemen van de burger en te vragen naar zijn/haar maatschappelijk functioneren (betaald en onbetaald werken, beheersing Nederlandse taal, leerplicht, ondernemerspraktijken, woonsituatie).

De de-bureaucratisering van het overheidsapparaat is een grote operatie en vraagt om de nodige reorganisaties, herschikkingen en om- en bijscholing, op gemeentelijk zowel als rijksniveau.

De rechtvaardiging voor deze veranderingen komt voort uit de opvatting dat burgers niet alleen rechten hebben, maar dat de democratische samenleving ook verplichtingen inhoudt. Uitdrukkelijk is geen optreden aan de orde vanwege het streven van de overheid naar George Orwell’s ‘big brother watching you’ staat. Noch is de opzet in het geding af te glijden naar een maatschappij van willekeur waarbij de nieuwe ambtenaar wel even bepaalt wie wat en hoe. Het gaat om een optreden met open vizier, gegrond op eenduidige regels, gericht op uitleg voor en controle van de burger en in voorkomend geval leveren van maatwerk. Hierbij zijn ook beoordelingen aan de orde.

Een ander beoogd effect van deze de-bureaucratisering is de afname van de fraudegevoeligheid. Controles, onderzoek, interviews blijven weliswaar bestaan, maar gebaseerd op een eenvoudiger en eenduidiger systeem, met als doel een meer waarheidsgetrouw en realistischer beeld te verkrijgen over theorie en praktijk. Dit kan bijdragen tot een relaxter maatschappelijk gebeuren: burgers weten waar zij aan toe zijn, geen verlokkingen meer om te frauderen vanwege ons huidig te complex geworden stelsel van sociale zekerheid, met mazen in het net op velerlei gebieden, zowel voor de lagere, midden als hogere inkomens.

De invoering van een basisinkomen in heel Nederland is financieel haalbaar.

Het vierde argument voor invoering van het basisinkomen in

Nederland betreft de financiële haalbaarheid. Weliswaar eerder een constatering dan een argument, maar daarom niet onbelangrijk, gegeven de vele sombere geluiden tegen het basisinkomen.

De derde paragraaf gaat dieper hierop in door cijfermatig de besparingen en tekorten van de overheid te benoemen die door de invoering ontstaan. Voor dit moment wordt volstaan met de constatering van financiële haalbaarheid, ondanks tekorten.

Natuurlijk zijn financiële cijfers van groot belang bij het bepalen wat wel en niet mogelijk is. Tegelijk is er de waarheid dat die cijfers niet uitsluitend de bepalende factor zijn. Anders gezegd: een tekort hoeft voor de staat niet tot afwijzing van een idee als het basisinkomen te leiden. Hoeveel heeft ons als belastingbetaler niet de redding van de banken gekost, Betuwelijn, Deltawerken, de hoge snelheidslijn NS, de diverse ICT- projecten, de nationale politie, Griekenland? Kosten, ook nog vaak eens met honderdtallen miljoenen overschreden. En al die kosten zijn inmiddels weer in de in- en uitkomsten van de staat opgenomen. Wij kunnen leven met een staatsschuld anno 2015 van €467 miljard, in 2009 was dat bedrag €349 miljard (Miljoenennota 2015). Een stijging in 7 jaar met €118 miljard.

Waarom steekt ons land niet de nek uit met het basisinkomen! Dit is een project met zeer grote intrinsieke waarde en kan nationaal een totaal nieuwe en uitdagende leefomgeving scheppen: werken om te leven en niet werken om te overleven.

Wellicht doen effecten op de langere termijn zelfs tekorten verdwijnen, het basisinkomen als geniale vondst en duurzaam medicijn voor vele kwalen.

Laten daarom de politieke partijen is ons land zich voor de invoering van het basisinkomen sterk maken en dit punt gezamenlijk als een soort nationaal programma boven op hun agenda zetten.

De wetenschappelijke bureaus van de verschillende partijen moeten zich wat wetenschappelijker met het fenomeen basisinkomen gaan bezig houden op grond van helderder en bredere definiëring van wat begrippen als werk en arbeid (betaald en onbetaald) en daaraan gekoppelde zaken inhouden.

Ditzelfde geldt trouwens voor andere wetenschappelijke instanties zoals het CPB en CBS en natuurlijk voor de diverse faculteiten van onze universiteiten. Voor die faculteiten komt er een ‘mer a boire’ aan mogelijkheden voor nieuw evaluatief onderzoek over de effecten van invoering van het basisinkomen op terreinen als gezondheid, gezondheidszorg, cultuur, samenleving, onderwijs etc. etc.

Ook de vakbeweging zou zich opnieuw kunnen uitvinden door zich niet alleen sterk te maken voor haar betaalde arbeiders, maar ook de niet betaalde werkers tot haar doelgroep te rekenen en er voor te zorgen dat de belangen van niet betaalde werkers inzake opleiding, positie en werkomstandigheden, aandacht krijgen.

Een vergezicht doemt op met beelden uit het verleden waarbij Adam Smith en Karl Marx gebroederlijk de arena betreden om hun reactie te geven op het onderwerp basisinkomen. In de plenaire discussie moeten beiden ruiterlijk toegeven dat hun theorieën niet tegenover elkaar staan, maar elkaar aanvullen: Marx voor het solide en solidaire fundament in elke maatschappij via het wettelijk basisinkomen. Smith met zijn mechanisme van vraag en aanbod, de markt, die mogelijk maakt dat individuen met een basisinkomen zich toch kunnen onderscheiden – binnen de grenzen van de wet – door over meer of minder middelen te beschikken om te leven naar eigen behoefte en goeddunken.

Beide heren als steunpilaren voor het basisinkomen. Geen vergezicht is tenslotte onmogelijk. Om met Rutger Bregman en Joris Luijendijk te spreken: ook de slavernij is uiteindelijk afgeschaft en het vrouwenkiesrecht is er ook gekomen. Nu is het tijd voor invoering van het basisinkomen, overal en te beginnen in heel Nederland.

3. Invoering basisinkomen met rekenmodellen.

Het is van essentieel belang de invoering voor heel Nederland te doen plaatsvinden.

Inderdaad, er worden op dit moment initiatieven ontwikkeld voor experimenten op gemeentelijk en/of regionaal niveau. Vaak dragen deze experimenten slechts ten dele de kenmerken van het basisinkomen zoals in dit artikel gepresenteerd. Zelfs indien die experimenten wel alle kenmerken zouden dragen, zullen er jaren van onderzoek volgen om het stempel ‘goedgekeurd’ te verwerven en de rest van Nederland kijkt toe en wacht de resultaten af.

Voorkeur verdient de start van het basisinkomen op nationaal niveau te doen plaatsvinden. Dan gaat het om een echte omwenteling, revolutie, op alle niveaus van onze samenleving. En gelijk die regionale experimenten is zo’n nationale omwenteling ook te begeleiden met wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek dat resultaten oplevert, die aanleiding kunnen zijn tot bijstelling van het landelijk basisinkomen.

Na invoering in heel Nederland zijn heel wat zaken vervallen en vervangen door ieders individuele basisinkomen van €1500 bruto per maand. Het staat ieder individu vrij verdere verdiensten uit eigen inkomen en/of vermogen te genereren.

Wat is er verdwenen?

  • Verdwenen zijn AOW/ANW, Bijstand, Werkloosheiduitkeringen, Toeslagen huur, zorg, kinderopvang, kindgebondenbudget,
  • Arbeidsongeschiktheidsregelingen.
  • Ook geschrapt is de algemene heffingskorting.

Invoering van het basisinkomen maken wellicht ook zaken als het bestaan van jeugdloonregelingen overbodig. De eis van het minimumloon wordt gehandhaafd.

Het overzicht aan het eind van dit artikel toont een financieel plaatje met verschillende varianten (blz. 11). Dit artikel kiest voor de €1500 variant.

Variant €1500 bruto

In het voorgaande is kort aandacht besteed aan de AOW en de zgn. ‘aanrechtsubsidie’, als een soort basisinkomens avant la lettre (blz. 4). Op gelijke wijze is een basisinkomen van €1500 per maand te definiëren als een soort algemene heffingskorting van dezelfde hoogte voor iedere individuele burger.

In het financieel overzicht op blz. 11 worden zowel de directe besparingen vermeld als de extra inkomsten van de overheid via de inkomstenbelasting over alle basisinkomens die door diezelfde overheid worden uitbetaald. De uitbetaling van het basisinkomen gaat er vanuit dat de inkomsten van de overheid op peil blijven zoals vandaag de dag gelden. Met andere woorden premies volks- en werknemersverzekeringen, en inkomstenbelastingen box 1 blijven gehandhaafd. Misschien zijn enkele aanpassingen noodzakelijk, maar de essentie ervan blijft vooralsnog in takt.

De keuze voor de €1500 bruto variant vraagt mindere inkomens – en zeker diegenen die enkel het basisinkomen ontvangen – extra inspanningen te doen hun inkomen op te vijzelen. Bijvoorbeeld door het aannemen van betaald werk, of door met anderen een gezamenlijk huishouden vorm te geven.

Niettemin, er blijven mensen zonder energie/opleiding/ talent, met faillissementen/schulden, met te hoge leeftijd om meer inkomen te genereren dan die €1500 basisinkomen, of op andere wijze hun bestaansniveau op te waarderen.

Het NIBUD heeft uitgerekend dat tenminste €1300 netto per maand nodig is voor alleenstaande personen om een eigen huishouden te kunnen voeren. Daarom zal er – naar voorbeeld van de recent ingevoerde gemeenteregeling ‘individuele inkomenstoeslag’ – een reparatie-pot moeten komen voor de werkelijk tekortkomende gevallen. Deze reparatie is nog niet opgenomen in het financieel overzicht.

Met de uitvoering van die reparatie-pot worden ambtenaren belast van wie door het wegvallen van het hele huidige

regel- en wetgevingspakket de taken zijn verdwenen. Zij krijgen – zoals hiervoor beschreven – de nieuwe taak om de burger vertrouwd te maken met het fenomeen basisinkomen, zo nodig onderzoek te doen en aanvragen te beoordelen .

In de hiervoor om te vormen overheidsdiensten dient ook de schuldhulpverlening een plaats te krijgen. Het is een illusie te denken dat met de invoering van het basisinkomen deze kwestie tot het verleden zal gaan behoren.

Het eindsaldo van de berekening bij een basisinkomen bruto van €1500 komt uit op een tekort van €44 miljard. Er resteert dus een fors jaarlijks tekort. Veel besparingen zijn mogelijk. Een zeer redelijke en politiek haalbare maatregel zou zijn het verminderen van het basisinkomen voor jongeren tot 25 jaar. Daarmee kan ±5 miljard bespaard worden.

Als ook wordt meegenomen het eventueel afschaffen van de hypotheekrenteaftrek (10 miljard) en zelfstandigenaftrek (1,7 miljard) komt het tekort uit op (44 miljard, – 5 miljard, – 10 miljard, – 1,7 miljard) 27,3 miljard.

Daarnaast valt te denken aan afschaffen/beperken kosten voor re-integratie naar betaald werk van uitkeringsgerechtigden, verhoging sommige BTW tarieven (elektronica), legalisering softdrugs en daar accijns op heffen, verhoging belastingtarief op vermogen (box 3).

Dit zijn slechts enkele voorbeelden. Er ontstaan ook besparingen op terreinen van milieu, gezondheidszorg, duurzaamheid. Besparingen die niet op grond van feitelijke gegevens hier en nu in geld zijn uit te drukken. Daarom neemt dit artikel de vrijheid het in de tabel op blz. 11 vermelde eindsaldo van -/- €44 miljard (na extra genoemde besparingen €27,3 miljard) zonder aarzeling gewoon te laten staan. Dit in de overtuiging dat het tekort in de zich ontwikkelende praktijk na de invoering van het basisinkomen – ondersteund door divers gedegen onderzoek –, op termijn een substantieel minder drastische omvang zal aannemen.

Dus, met de landelijke invoering van het basisinkomen wordt een fundamenteel andere weg ingeslagen naar een meer egalitaire relaxtere, meer solidaire, duurzamere, culturelere, mensvriendelijkere maatschappij met minder kapitalisme, consumentisme en overspannenheid. De €1500 bruto variant is hiervoor prima vertrekpunt.

Het financiële overzicht, gemaakt door Harry Ebbink (lid basisteam Amsterdam, VBi), is via deze link te raadplegen (PDF).

 Amsterdam, augustus 2015

Eric Binsbergen, voorzitter basisgroep Amsterdam, landelijke Vereniging Basisinkomen

Aanzet tot schrijven dit artikel was een lezing voor de basisgroep Amsterdam door Michiel van Hasselt, oud-voorzitter VBi en zelf ook bezig met een artikel over invoering van het basisinkomen in Nederland. Dit artikel verschijnt binnenkort.

Facebooktwitterlinkedinmail