Reactie op het idee van Eline van de Boogaard voor een ZEKER INKOMEN

Eline van de Boogaard is voorstander van een soort inkomensafhankelijk basisinkomen. Haar idee biedt gelegenheid om de problemen die daaraan kleven te illustreren. Met enige verbeteringen zou op basis van dit idee wel een stap richting volwaardig basisinkomen gezet kunnen worden.

Facebooktwitterlinkedinrssyoutubeinstagram

Een voorstel van Eline van de Boogaard voor een zeker inkomen is haar poging tegemoet te komen aan het veelgehoorde bezwaar tegen basisinkomen dat dit ook gegeven wordt aan de rijkeren, die het immers niet nodig hebben. De vaak genoemde oplossing van een negatieve inkomsten belasting (NIB) heeft volgens haar als nadeel dat het veel te ingewikkelde systeem van fiscale regelingen, uitkeringen en toeslagen in stand blijft. Hetzelfde nadeel geldt voor de versimpeling van het toeslagenstelsel. Mensen hebben hierdoor geen of weinig inzicht in hun financiële situatie. De zekerheid komt voor mensen achteraf en dat is te laat.

Ze komt met haar idee vanuit vijf waarden die ze in het artikel uitwerkt: gelijkheid, zelfontplooiing, zekerheid, rechtvaardigheid en gemeenschapszin.
Waarden die ongetwijfeld door de meeste leden van de Vereniging Basisinkomen onderschreven worden.

Haar idee werkt ze uit in de volgende componenten:

  1. Er is een zeker inkomen voor iedereen. Tot 18 jaar is dat € 3.600 per jaar, daarboven € 10.000 en vanaf 70 jaar € 15.000.
  2. Er is sprake van een trapsgewijze evenredige terugbetaling, de eerste trede begint bij een inkomen van € 30.000.
  3. Er komt een soort maatschappelijke dienstplicht.
    Om de wederkerigheid tussen het individu en het collectief te bestendigen werkt iedere inwoner tussen zijn 18e en 25e een jaar lang voor het maatschappelijk nut. De opbrengsten daarvan dragen bij aan de financiering van het zekere inkomen.
  4. Er komt een belastingstelsel met een progressief schijventarief, waaraan alle inkomsten onderhevig zijn (ook de huidige boxen 2 en 3, opbrengsten uit vermogen).
    Ze presenteert cijfers die laten zien dat financiering haalbaar is, met enige speelruimte.

Onderstaand ga ik in op deze vier componenten, als laatste op de trapsgewijze terugbetaling.

De hoogte van het zekere inkomen.

De gekozen uitwerking is verassend. Een kinderinkomen van € 300 per maand voor elk kind is hoger dan de meeste vigerende voorstellen, bijvoorbeeld in Basisinkomen 2.0 is het bedrag alleen zo hoog voor de eerste twee kinderen. Maar het helpt flink in de bestrijding van kinderarmoede!

Ook verassend is het verschil in de bedragen boven en onder de 70 jaar. Dat verschil zie je zelden in voorstellen.
Het bedrag voor jonger dan 70 is overigens wel aan de krappe kant met € 833 per maand. Alleenstaanden en gehandicapten zullen het hiervan niet kunnen redden zonder ander inkomen of aanvullende voorzieningen. In haar tekst staat:
Aanvullend sociaal beleid, zoals de vergoeding van zorgkosten, de financiering van de kinderopvang en de arbeidsbegeleiding, blijft bestaan. Wanneer de ambtenaren die hun tijd besteden aan controles en bureaucratie, hun handen vrij hebben om mensen te begeleiden zijn zij zelfs beter in staat om maatwerk te bieden.

Hoe dat aanvullende beleid eruit ziet, wordt niet uitgewerkt.

In haar tekst geeft Eline niet aan wie het zekere inkomen uitbetaalt.
Mijn suggestie zou zijn daar de SVB (Sociale VerzekeringsBank) voor te kiezen. Daar is vrijwel probleemloos ervaring met het uitbetalen van AOW en kinderbijslag. Laat het niet doen door de Belastingdienst, die kan zich beter beperken tot eventuele verrekeningen achteraf.

Maatschappelijke dienstplicht.

Deze component staat los van de  discussie over basisinkomen, behalve dat je zoiets kunt gebruiken om de financiering te vergemakkelijken.
Al dan niet invoeren van maatschappelijk dienstplicht is een afzonderlijke politieke keuze. Er voor pleit dat een zekere wederkerigheid tussen burger en maatschappij wordt gerealiseerd, er tegen pleit dat zo’n plicht ongetwijfeld een aantal lastige fricties op zal roepen. De maatschappij wordt echt niet geholpen bij het verplichten van degenen die apert onwillig zijn!

Ander belastingstelsel.

Er is veel voor te zeggen de grondslag voor de belasting te vergroten en andere inkomsten dan betaalde arbeid onder hetzelfde tarief te brengen.
Ik vraag me wel af of de lage tarieven (tot 20 %) die zij hanteert bij inkomens tot € 30.000 voldoende opleveren. Ik ken geen uitgewerkte voorstellen van andere auteurs die zo laag inzetten.[1]
Het is natuurlijk niet helemaal voor niets dat de huidige marginale tarieven (rekening houden met heffingskortingen en toeslagen) voor de lage – en de midden inkomens veel hoger liggen, vaak boven de 70 %.

Maar dat lijkt me meer een zorg die bij verder uitwerking aan de orde kan komen.

Trapsgewijze evenredige terugbetaling.

Het heetste hangijzer is wat mij betreft de trapsgewijze evenredige terugbetaling door degenen met voldoende ander inkomen.

In de grafiek bij haar artikel zie je een vrij glad verloop van de te betalen belasting en de cumulatieve belastingdruk.
Uit tabel 1 in haar artikel blijkt dat er sprake is van een vrij grillig patroon voor de marginale belastingdruk als je het schijventarief aanvult met de terugbetaling en nog grilliger voor de mensen boven de 70 jaar.
Ik heb dat even in het volgende grafiekje gezet:

Heel hoge marginale totaaltarieven voor de midden inkomens, heel laag voor de minima en ook voor de toppers!
Wel 78,5 % voor AOW’ers in de middenklasse![2]

Dit is wel een verkleining van de armoedeval (vooral voor de lager inkomens), maar lijkt me geen minimalisering van de armoedeval zoals Eline in haar tekst stelt is wat sterk uitgedrukt.

Uiteraard is dit de consequentie voor het kiezen van inkomensafhankelijke regelingen. Het zou mijn keuze niet zijn….

Er zit ook een praktisch probleem aan het tamelijk grillige patroon dat uit de grafiek blijkt. De Belastingdienst zal niet willen wachten op afrekeningen helemaal achteraf, maar voorheffingen opleggen. Net als nu ook gebeurt, deels via de loonheffingen bij werkgevers en andere uitbetalende instanties, deels rechtstreeks bij betrokkene. Bij een grillig patroon van de tarieven zal het lastig zijn de goede voorheffingen te kiezen, zeker als er meerdere bronnen van inkomsten zijn. Dat kan leiden tot forse correcties bij de eindheffing en daarmee tot problemen die doen denken aan de toeslagenaffaire.

Dit kan overigens voorkomen of verminderd worden door een minder grillig patroon voor de tarieven inclusief terugbetaling te kiezen. Streef dan naar een zo vlak mogelijke opbouw van het totale marginale tarief!
Bijvoorbeeld, niet als voorstel, maar om te demonstreren dat het kan een vrij vlak oplopend tarief plus een inlevertarief van 10 % voor inkomens tussen € 15.000 en € 110.000, met voor boven de 70 jaar nog 5% er boven op.

Mijn voorkeur zou dan zijn alleen met het totaal tarief te werken en de terugbetaling van het zekere inkomen daarin impliciet te doen. Maar als men om politieke of psychologische redenen die terugbetaling wel wil, benoem dan gewoon de oranje en de grijsblauw balkjes expliciet in de tarieven als terugbetaling![3]

Conclusie

Het betoog voor een zeker inkomen van Eline van den Boogaard bevat een aantal interessante elementen, maar heeft een aantal bezwaren die niet gelden voor basisinkomen in de definitie[4] van de  Vereniging Basisinkomen.
Als de politiek het idee van een inkomensafhankelijk basisinkomen wel als een goede oplossing zou zien, kan haar idee met een paar verbeteringen daarbij een bruikbaar uitganspunt zijn.

Reyer Brons, oktober 2021

Dit is een reactie op Dit is een zeker inkomen (ingezonden artikel).

[1] Ook in het progressieve stelsel dat Michiel van Hasselt voorstelt in zijn Burgerinkomen suggereert hij 30 % voor inkomsten tot € 30.000.

[2] In het huidige stelsel zitten overigens nog hogere marginale tarieven, die vooral op de lagere inkomens drukken.

[3] Een vraag voor mij is wel of die hogere tarieven voor boven de 70 een goed plan is. Op dit moment krijgen AOW’ers juist een veel lager tarief in de onderste schijf dan anderen. Tot € 35.000 is dat circa 19 %, voor anderen circa 37 % omdat ontvangers van AOW daarvoor geen premie meer betalen. Het bestaande pensioenstelsel is natuurlijk mede daarop gebaseerd.

[4] Basisinkomen is een periodiek uitgekeerd en vrij besteedbaar bedrag voor iedere burger, dat voldoende is om volwaardig van te leven, zonder dat daar een tegenprestatie tegenover staat en ongeacht het inkomen, vermogen of de samenstelling van het huishouden.