Schenkgeld en het basisinkomen – er staat niets meer in de weg!

Facebooktwitterlinkedinmail

steinercircleIn antroposofische kringen is het basisinkomen – een vast maandinkomen voor iedere burger zonder enige tegenprestatie – een hot item. De antroposoof en self-made miljardair Götz Werner voert campagne voor de invoering daarvan en vanuit het Goetheanum werkt oud-AviN-voorzitter Paul Mackay eraan. Maar veel onderbouwingen en concrete voorstellen van de voorstanders rammelen aan alle kanten. Veel driegeleders wijzen het basisinkomen daarom af. In een Antwerpse economiewerkgroep onder leiding van dr. Jos Verhulst is echter een geheel nieuwe visie ontwikkeld waarin het basisinkomen verschijnt als een logisch en zelfs noodzakelijk onderdeel van een modern schenkgeldsysteem. In dit licht blijken veel raadselachtige uitspraken van Rudolf Steiner verrassend logisch op elkaar aan te sluiten. Deel 2 (en slot) in een serie over ‘De financiële crisis en de driegeleding’.

In deel 1 van dit artikel in Motief (juli/augustus) analyseerden we de fundamentele oorzaken van de financiële crisis met behulp van de sociale driegeleding. Hierin blijkt het schenkgeldprobleem centraal te staan. Ten eerste het probleem van het leengeldoverschot dat in onze huidige maatschappij bestaat, met andere woorden het probleem dat leengeld niet op het juiste moment overgaat in schenkgeld, maar dat het op zoek gaat naar oneigenlijk rendement en dan allerlei problemen veroorzaakt, zoals uiteenklappende financiële zeepbellen in bijvoorbeeld de onroerend-goedsector. Ten tweede het probleem dat de staat een groot deel van het geestesleven (vooral onderwijs en zorg) heeft geannexeerd, doordat ze het authentieke schenkgeld vervangen heeft door politiek gecontroleerde dwangbetalingen – onrechtmatige belastingen en overheidssubsidies – waardoor het  geestesleven onvrij wordt gemaakt en de staatsschulden torenhoog oplopen.

Volgens Steiner is het cruciaal dat het teveel aan leengeld wordt omgezet in schenkgeld voor het geestesleven: het terrein van opvoeding, onderwijs, zorg, cultuur, wetenschap en religie. De economie kan alleen maar blijven doordraaien als er continu een geldstroom aftakt naar zaken als opvoeding en onderwijs, die de kern van het geestesleven betreffen. De productie blijft immers slechts op hetzelfde niveau zolang er elk jaar weer een nieuwe lading werkers opgevoed, opgeleid en al aantreedt ter vervanging van hen die met pensioen gaan. Het geestesleven brengt typisch niet-fysieke ‘opbrengsten’ voort die niet in functie van de vraag te ‘produceren’ zijn, die niet gekocht kunnen of mogen worden, of die aan iedereen en dus niemand in het bijzonder ten goede komen, maar die wel direct of indirect nodig zijn voor de economie. Daarom is het logisch het geestesleven vanuit de economie te voorzien van schenkgeld.

Maar op welk punt in de economie gaat leengeld eigenlijk op natuurlijke wijze over in schenkgeld? Wie schenkt aan wie en hoe gaat dat in zijn werk?

Schenkgeld is leengeldoverschot

Volgens Steiner heeft de vraag naar de bron van het schenkgeld een logisch antwoord: de winsten van het bedrijfsleven. Bedrijven hebben inkomsten uit koopgeld en trekken leengeld aan om nieuwe productieprocessen op te zetten die weer meer koopgeld binnenbrengen. Nadat alle medewerkers hun vergoeding hebben ontvangen en alle kosten (inclusief belastingen, rentelasten en reserveringen voor toekomstige productieuitbreiding) zijn voldaan, dan resteert in een gezonde situatie een overschot: de ‘zuivere winst’. Deze ontstaat nadat alle koop- en leengeldprocessen financieel zijn afgewikkeld. De zuivere winst is dus letterlijk zowel een koopgeld- als een leengeldoverschot, en dat is precies wat het schenkgeld volgens Steiner moet zijn. Omdat iedereen heeft gekregen wat vrij overeengekomen was, is iedereen het feitelijk eens dat de winst hem niet toekomt. En privé-eigenaren van het kapitaal die aanspraak kunnen maken op de winst, zijn er in een driegelede samenleving niet meer – Steiner wilde het kapitaal immers onder beheer stellen van corporaties in het geestesleven.

Dus winst = schenkgeld. Maar hoe wordt het schenkgeld naar het geestesleven geleid? Gaat er een grote zak geld van ‘de bedrijven’ naar één centraal punt in het geestesleven, waar dan het geduw en getrek om de grote poet begint? Of bepalen bedrijven zelf aan wie ze schenken? Maar schaadt dat laatste het geestesleven niet evengoed omdat institutionele belangen dan een rol gaan spelen? Steiner wilde dat het individu zou schenken, niet organisaties.

Het beste antwoord op de vraag naar de precieze bestemming van het schenkgeld, wordt verkregen door de bron van de winst te bezien. Vanuit het individuele bedrijf bezien zijn er twee factoren die de bedrijfsopbrengst bepalen: het bedrijf zelf en zijn omgeving. De kwaliteit van de omgeving speelt een grote rol bij de mate van omzet en winst van het bedrijf. Tot de ‘omgeving’ van het bedrijf hoort de infrastructuur van het land van vestiging, de aanwezigheid van toeleveringsbedrijven die efficiënt en goedkoop de halffabricaten kunnen aanleveren, van banken die het bedrijf geld kunnen lenen en van  consumenten met voldoende geld in de portemonnee om de producten te kunnen kopen. Deze hele ‘omgeving’ van het bedrijf kan worden samengevat in het begrip ‘het land’. Mede dankzij de kwaliteit van ‘het land’ waarbinnen het bedrijf werkt, kan de inzet van het bedrijf z’n vruchten afwerpen.

Figuur: Steiners beeld van de economische cyclus

Maar welk deel van de opbrengst moet nu aan de bedrijfsactiviteiten worden toegeschreven en welk deel aan ‘het land’? Er is geen manier om via analyse van de economische activiteiten tot een groottebepaling te komen. Maar we kunnen wel het aandeel van ‘het land’ bepalen door het aandeel van de betrokken personen in het bedrijf mentaal af te trekken van de totale inkomsten. Winst ontstaat nu juist nadat de betrokken personen in het individuele bedrijf hun overeengekomen deel hebben ontvangen. Dus de winst moet worden toegeschreven aan ‘het land’. ‘Het land’ is tevens de productiefactor ‘natuur’ waar volgens Steiners merkwaardige tekening (zie figuur) het schenkgeld heen moet lopen, dus dat klopt ook. Het geld moet dus naar het land stromen. Maar welke mensen vormen ‘het land’? Van wie is Nederland eigenlijk en wie zou er aanspraak op kunnen maken?

Winst = landrente

Op dit punt schiet Steiners concept van de ‘landrente’ ons te hulp. Steiner hamerde erop dat elk lid van de rechtsgemeenschap ofwel alle inwoners van ‘een land’ een gelijk aandeel hebben in dat land, dat volgens Steiner tegelijk een productieve factor is. Hij spreekt nogal raadselachtig over een formule volgens welke de productieve bodemoppervlakte van het land gedeeld door het aantal inwoners een “Existenzminimum” voor die inwoners vormt. De rest verdienen ze via allerlei samenwerkingsverbanden, maar het enige wat ze volgens Steiner echt ten individuelen titel “verdienen” is wat hij de landrente noemt. Dat wij dat aandeel niet werkelijk bezitten, noemt Steiner letterlijk een bedrog.

Ieder individueel lid van de rechtsgemeenschap heeft dus in gelijke mate recht op de landrente, de landrente is de winst en de winst is het schenkgeld. Uit de combinatie van deze elementen volgt noodzakelijk dat het schenkgeld, dus de winsten van bedrijven, in gelijke mate aan elke burger moet worden uitgekeerd, als zijn ‘aandeel’ in ‘het land’. Dat is zo ongeveer de definitie van het basisinkomen, waarbij dit basisinkomen dan is bedoeld voor de financiering van het geestesleven.

Dat is ook logisch, want het is precies de geestelijke factor die de productiviteit van het ‘land’ zo radicaal heeft opgedreven. De menselijke geest heeft het land van ruige natuur getransformeerd in spoorwegen en havens, vruchtbaar landbouwareaal, bedrijventerreinen. Er kan alleen steeds nieuwe geest in ‘het land’ blijven instromen als daarvoor economische ruimte wordt gemaakt. De winst = het schenkgeld moet de productieve kracht van ‘het land’ op peil houden. Pas dan is de economische kringloop weer gesloten.

Basisinkomen en belastingen

Iedereen krijgt dus een basisinkomen dat bestaat uit de zuivere winst en dat moet worden uitgegeven aan het geestesleven. Waaruit bestaat het geestesleven? Opvoeding, onderwijs, de zorg, cultuur, wetenschap, religie. Al deze sectoren zouden dus met schenkgeld moeten worden gefinancierd.

Maar op dit moment gaat die financiering grotendeels via de staat. De staat heft allerlei belastingen, terwijl volgens Steiner alleen de uitgavenbelasting rechtmatig is, en hevelt het geld over naar het door de staat geannexeerde deel van het ‘geestesleven’ (vooral onderwijs en zorg). Dat geld moet bij het schenkgeld worden opgeteld. Het is nu al schenkgeld, alleen op een door de staat verwrongen wijze. Het zou vanuit een natuurlijk proces schenkgeld moeten worden.

Dat kan eenvoudig doordat de staat de taken afstoot die eigenlijk tot het geestesleven behoren. Onderwijs, zorg en sociale zekerheid vallen niet langer onder de staat (hoewel de staat het afsluiten van private verzekeringen wel verplicht kan stellen en private verzekeraars ook tot acceptatie kan verplichten). De staat kan de belastingen dan met hetzelfde bedrag verlagen.

Stel dat nu alle economische factoren behalve de winst gelijk blijven. Iedereen krijgt netto evenveel inkomen uit arbeid uitgekeerd, de prijzen en het bestedingspatroon blijven gelijk, bedrijven zetten evenveel om, enzovoort. Dan zouden de winsten navenant stijgen. Dat betekent dus meer schenkgeld. Kortom, voor een rekenvoorbeeld moet de afname van de belastingen bij de winsten en dus het schenkgeld worden opgeteld.

Rekenvoorbeeld Nederland

Voor de Nederlandse situatie kunnen we de volgende rekensom maken. Van de overheidsbegroting van 260 miljard euro (2012) betreft volgens een ruwe becijfering 81% van de overheidsbegroting geestesleven en dus schenkgeld. Dat is 210,6 miljard euro per jaar. Hierbij tellen we de winsten van Nederlandse bedrijven op. Volgens voorlopige statistische gegevens van het CBS en DNB (ondergetekende is nog in afwachting van definitieve cijfers) beloopt die winst gemiddeld (gemeten over het laatste decennium) 82,1 miljard euro per jaar. Samen is dat 292,7 miljard euro/jaar. Dat wordt via een basisinkomen verdeeld onder 16 miljoen Nederlanders. Het feit dat het om schenkgeld voor het geestesleven gaat, brengt echter met zich mee dat mensen een naar leeftijd onderscheiden basisinkomen krijgen. Jongeren brengen ‘ontwikkelkosten’ met zich mee en kunnen nog niet economisch productief zijn, terwijl gepensioneerden economisch gezien ‘afschrijfkosten’ vormen. Zij krijgen dus relatief meer dan volwassenen, die economisch het meest productief kunnen zijn. Als we echter een gemiddelde van alle Nederlanders zouden nemen, zou iedereen een basisinkomen krijgen van 1524 euro per maand. Het gemiddelde gezin met twee kinderen zou zeg 6000 euro per maand krijgen, plus of minus zeg 25%.

Maar voordat de lezer nu dollartekens in de ogen krijgt en denkt: “ik hoef niet meer te werken”, gelden er twee zaken. Ten eerste resulteert dit basisinkomen alleen als de winstgevendheid van het bedrijfsleven overeind blijft ná invoering van het basisinkomen. Als mensen ervoor kiezen om economisch minder productief te zijn en bedrijven als gevolg daarvan minder winsten maken, dan daalt het basisinkomen en vindt het geheel een nieuw evenwicht.

Ten tweede moeten burgers ook zelf veel meer afdragen voor het geestesleven. Voorheen financierde de staat immers een groot deel van het geestesleven, maar nu moet datzelfde geld van de schenkende burgers komen. Deze ombouw heeft echter grote voordelen: een forse toename van de keuzevrijheid voor de burger nu hij het budget voor zorg en onderwijs zelf in handen heeft, kostenbesparingen doordat het ambtenarenapparaat flink kan worden ingekort, en een waarachtiger en productiever geestesleven nu de staat de geldstromen niet meer beheerst.

Verouderend geld

Alle burgers krijgen dus een maandelijks budget, maar hoe zorgen we ervoor dat dat ook daadwerkelijk naar het geestesleven gaat? Een deel van de ‘dienstverlening’ van het geestesleven kan direct door de ‘consument’ worden afgerekend – denk aan vergoedingen voor genoten onderricht of toegangskaartjes voor concerten – maar een ander deel van het geestesleven heeft geen directe ‘afnemers’. Dit gedeelte brengt zaken voort die bestemd zijn voor iedereen en niemand in het bijzonder. Wellicht heeft Steiner deze twee delen van het geestesleven voor ogen als hij spreekt van het ‘half vrije’ versus het ‘vrije’ geestesleven. Dat laatste deel kan alleen maar van zuiver schenkgeld leven zonder dat de schenkers er ook maar iets direct voor terugkrijgen. Maar hoe zorgen we ervoor dat ook dit deel van het geestesleven een gepaste hoeveelheid geld ontvangt?

Bij Steiner duikt op dit punt het idee van het ‘verouderende geld’ op. Geld kan maar zijn koopkracht behouden naarmate de consument ook in de toekomst evenveel waar voor zijn geld krijgt. Dat is alleen het geval als de economie op minimaal hetzelfde niveau blijft produceren, en dat is op zijn beurt alleen zo wanneer er een voldoende niveau van geestesleven in een samenleving is. Als er niet voldoende geld naar het geestesleven gaat, dan verliest het geld dus geleidelijk zijn waarde. Daarom zou aan elke geldeenheid twee getallen moeten hangen, namelijk zijn waarde en zijn ouderdom. (Met bankbiljetten en munten is zo’n systeem lastig te realiseren, maar met elektronisch geld – dat inmiddels meer dan 95% van de geldhoeveelheid uitmaakt – is dat eenvoudig.) Het geld behoudt zijn volle waarde tot aan de verouderingsdatum, waarna het alleen nog maar aan instellingen van het geestesleven geschonken kan worden. Deze hebben het recht oud geld voor nieuw geld in te ruilen bij de bank en het als koopgeld uit te geven voor hun materiële behoeften. Zo’n systeem reflecteert de noodzaak van het geld om eens in de zoveel tijd naar het geestesleven te gaan, zodat voldoende geest in de samenleving stroomt om het productieproces op hetzelfde niveau te houden en zo het geld zijn waarde te laten behouden. De mate van vrij geestesleven in een samenleving is dan eenvoudig te regelen door de vervaldatum van het geld te verkorten of verlengen.

Als burgers met elkaar spontaan voldoende aan het vrije geestesleven schenken, dan kunnen de banken steeds het vervallen geld uit de geldstroom vissen en omruilen voor nieuw geld. Dan hoeven burgers niets te merken van het verouderen van het geld. Maar wordt er grosso modo onvoldoende geschonken, dan merken burgers dat doordat ze met vervallen geld blijven zitten. Dat kunnen ze vervolgens alleen nog maar schenken aan instellingen in het geestesleven. Zo’n systeem voorkomt freeriders-gedrag van burgers die wel de vruchten plukken van het vrije geestesleven maar er gezamenlijk financieel te weinig aan bijdragen.

Nieuwe visie

Diverse zaken in de bovenstaande visie op het basisinkomen zijn nieuw. Ten eerste is het basisinkomen niet bedoeld om economische luiheid voor burgers mogelijk te maken, maar om het geestesleven te bevrijden uit de greep van de economie en de staat. Ten tweede is de opzet en de financiering radicaal anders dan veel voorstanders zich voorstellen. Zij willen doorgaans het basisinkomen realiseren door de staat nóg meer onterechte belastingen te laten heffen dan ze nu al doet, met alle negatieve gevolgen van dien. Daarbij willen ze veel schadelijke kanten van onze huidige maatschappij-inrichting, zoals de politiek-economische annexatie van het geestesleven en de handel in kapitaal, ongewijzigd laten. Vanuit de sociale driegeleding moet een hele andere visie op het basisinkomen worden ontwikkeld: één waarbij het basisinkomen op een natuurlijke wijze is ingebed in een driegelede samenlevingsvorm, die volgt uit een juist begrip van de aard van de economie en het geestesleven, en die de natuurlijke rechten van de burgers niet ontkent maar juist ondersteunt.

 

arjen-nijeboerAuteur: Arjen Nijeboer  www.arjennijeboer.nl.

Arjen Nijeboer is o.a. journalist en auteur. Een uitgebreide versie van dit artikel verschijnt tevens in zijn nieuwe boek Vrijheid, gelijkheid, broederschap dat op zondag 22 september jongstleden is gepresenteerd in De Lepelaar te Jisp (NH) met een voordracht over driegeleding en de financiële crisis.

Artikel Motief september 2013 (blad van de Antroposofische Vereniging http://www.antroposofie.nl/motief/

deel 2 van de serie “De financiële crisis en de driegeleding”

Artikel overgenomen met toestemming van auteur en redactie Motief

Facebooktwitterlinkedinmail