Te gek voor woorden. 21. Theoretische onzin!

Gerard ziet dat er heel veel fout gaat in de bijstand.
Hij doet suggesties hoe het beter zou kunnen voor vijf groepen bijstandsgerechtigden:
– Jongeren
– Mensen tot 20 jaar werkervaring
– Mensen met een arbeidsbeperking
– Mensen vanaf 50 jaar
– Statushouders/vluchtelingen

Zoals vaker in mijn verhalenboek geschreven: er zit een Berlijnse Muur tussen de systeemwereld (ambtenaren/overheid) en de leefwereld van mensen. In het verhaal Wie is er nu gek? kom je tot de conclusie: wat een onzin!

In dit verhaal beschrijf ik hoe de theoretische wereld denkt om vanuit de bijstand mensen aan het werk te krijgen. Vele rapporten hebben reeds bewezen dat het resultaat zeer beperkt is en zelfs mensen langer in de bijstand houdt. De waaromvraag is voor mij simpel te beantwoorden: vanuit de bijstand naar betaald werk is een verdienmodel. Gemeenten, organisaties, bedrijven verdienen hier geld aan en dat is meestal niet in het belang van de Bijstandsgerechtigden. In het verhaal Gratis handjes wordt dit mijn inziens wel duidelijk.

Maar men heeft natuurlijk wel argumenten nodig om de werkloosheidsindustrie in stand te houden. En dat zijn vaak onzinargumenten.
Veel WSW-bedrijven (de Sociale Werkplaatsen) zijn omgebouwd tot commerciële werkbedrijven. Vaak in de vorm van een bv, waarvan gemeenten de aandeelhouders zijn. De gedachte is dat mensen hier ‘leren’ om het dagritme terug te vinden, om te gaan met gezag, arbeidsethos te vergroten, omgang met collega’s, sollicitatievaardigheden, inzicht in eigen competenties, arbeidsvaardigheden, en ga zo maar door. Dat klinkt misschien helemaal geweldig, maar het resultaat is nihil.

Illustratie van Gerd Altmann via Pixabay
Waar gaat het fout in de praktijk?

Allereerst wil ik duidelijk onderscheid maken tussen groepen mensen in de bijstand. Je kan niet iedereen over één kam scheren. Theoretisch durft men te beweren maatwerk te leveren. Maatwerk is naar mijn mening het meest misbruikte woord bij ambtenaren. Ik verdeel bijstandsgerechtigden in vijf groepen:

  • Jongeren zonder werkervaring
  • Mensen met 5-10-20 jaar werkervaring
  • Mensen met een arbeidsbeperking
  • Mensen vanaf 50 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd
  • Statushouders/vluchtelingen.
Jongeren zonder werkervaring

In principe gaat de re-integratiecoach ervan uit dat jongeren tot 27 jaar ‘gewoon’ een opleiding moeten volgen. De simpele weg, want zo komen ze dan UIT de bijstand en kunnen financieel terecht bij DUO. Vaak zijn deze jongeren niet voor hun lol in de bijstand terechtgekomen: slechte thuissituatie, verslaving, schulden, verkeerde vrienden, heftige pubertijd, dakloosheid en zo meer. Probeer deze jongeren maar eens naar school te krijgen. Ga er maar vanuit dat hun leerkrachten er alles en alles aangedaan hebben om hen binnenboord te houden. Deze jongeren hebben extra begeleiding nodig, een coach die ze bij de hand neemt en niet meer loslaat tot dat ze hun weg weer gevonden hebben. Eén coach, niet een leger hulpverleners! Daar gaat heel veel tijd, geld en energie in zitten, maar voor de maatschappij is dit een investering voor de toekomst. De problemen van vroegtijdige schoolverlaters worden vaak van kwaad tot erger. Het zou de gemeentecoach moeten zijn die voorkomt dat ze in de put terecht komen. Als ze op het randje van het ravijn staan is het de gemeentecoach degene die ze er vandaan trekt. Wel met als voorwaarde: één regisseur/begeleider. Nogmaals geen leger hulpverleners, dat heeft een averechtse uitwerking.

Mensen met 5-10-20 jaar werkervaring

Iemand mét werkervaring heeft dramatische ervaringen met het werkloos zijn. De UWV-terreur, een financiële tik, gezondheids- en/of psychische problemen, en dergelijke zaken. Het werkloos zijn hakt diep in op de eigenwaarde van een mens.  Als je dan verplicht wordt naar een werkbedrijf te gaan van de gemeente, dan krijg je vaak helemaal een negatieve eigenwaarde. Immers je krijgt ‘les’ in onzin: dagritme terug te vinden, omgaan met gezag, arbeidsethos te vergroten, omgang met collega’s, sollicitatievaardigheden, inzicht in eigen competenties, arbeidsvaardigheden, enzovoort. Dit heb je allang vanuit je werkervaring geleerd. Daarbij is het in en in deprimerend, wanneer bij een echtpaar, van wie één werkloos is geworden, beiden in principe in de bijstand terechtkomen. Mocht één van beiden een parttime baantje hebben, dan wordt het van de uitkering afgehaald. Als beiden geen werk hebben, moeten ze allebei de re-integratie in. Toen ik nog bestuurslid was van de Cliëntenraad was, kwam ik een mevrouw tegen bij de supermarkt. Met tranen in haar ogen vertelde ze: “Gerard, mijn man is werkloos geworden en moet nu dozen inpakken bij de Sociale Werkplaats. Ik ben altijd gewoon huisvrouw geweest en moet nu verplicht de schoonmaak in. Wij vinden het helemaal niet erg om te werken, maar dit is zo frustrerend, we worden nu beiden onder druk gezet, we worden bedreigd met minder geld, als we niet meewerken.”

De grootste onzin vind ik het dagritme terugvinden. Al veertig jaar kwam ik op tijd uit bed. Tuurlijk! Maar nu, zonder enige nuttige bezigheid, duurt een dag erg lang. Vooral in de herfst- en winterperiode. Dus ik ga zeer laat naar bed en kom er zeer laat uit. Inmiddels heb ik de schaamte hierover overwonnen. Ik ben opgevoegd met ‘De morgenstond heeft goud in de mond’. Mocht ik een keer een afspraak hebben, dan ben ik altijd op tijd. Hoezo dagritme terug vinden?

Daarbij is parttime werken, zowel voor de man als de vrouw, financieel bijna onmogelijk. Je gaat er vaak in geld op achteruit. Lees het verhaal Werken & Bijstand, een drama.

Mijn gedachte is dat je de regie van het vinden van betaald werk bij deze mensen zélf neer moet leggen. Vanuit ervaring en competenties weten ze zelf dondersgoed waar mogelijkheden liggen. Daarbij is hulp nodig van de re-integratiecoach. Bijvoorbeeld door parttime werken wél financieel aantrekkelijk te maken. De wettelijke activeringspremie of vrijwilligersvergoeding gebruiken. Risico’s van tijdelijke en flexcontracten beperken door bijvoorbeeld de bijstand op pauze te zetten. (Nu zijn mensen vaak bang dat ze na een tijdelijk contract de hele procedure opnieuw in moeten). Maar wat je voor deze groep zeker niet moet doen is: werken met behoud van uitkering, proefplaatsingen, loonkostensubsidies, enzovoort. Zodra je mensen met werkervaring gaat subsidiëren, gaan de werkgevers hier misbruik van maken. Een goede werkgever zoekt goede werknemers, dat is meer waard dan die paar duizend euro subsidie. Het misbruik zit ‘m in drie maanden proefplaatsing, een jaartje loonkostensubsidie en daarna is het volgende ‘slachtoffer’ weer aan de beurt. Buiten dat dit de maatschappij klauwen met geld kost, is het voor de mensen in kwestie zeer frustrerend, demotiverend en het houdt ze vast in de bijstand. Ook werkt het natuurlijk oneerlijke concurrentie in de hand.

Mensen met een arbeidsbeperking

Vanaf 2015 is er geen instroom meer in de sociale werkplaats voor mensen met een handicap. Het sluiten van de Sociale Werkplaatsen is een grote, grote fout. Met dank aan de Participatiewet! Men ging ervan uit dat deze mensen, met een vette loonkostensubsidie, óók terecht zouden kunnen komen bij het normale bedrijfsleven. Theoretische onzin, dit blijkt in de praktijk niet te werken. Gevolg: heel veel arbeidsgehandicapten zitten thuis op de bank en kunnen geen kant op. Beter is om terug te gaan naar het oude model van de sociale werkplaats, én de miljoenen aan loonkostensubsidie daarin te investeren. Een groot probleem voor gemeenten is dat de sociale werkplaatsen verliesgevend zijn. Dat is logisch, want iemand met een arbeidshandicap is minder productief en heeft meer begeleiding nodig,  terwijl ze een volledig salaris ontvangen van mimimaal het minimumloon. Dus commercieel gezien zijn het dure krachten. Ik denk dat we dit moeten accepteren. Een sociale werkplaats kan geen commercieel bedrijf zijn. Daarbij is de sociale werkplaats voor deze mensen hét doel om verbinding te maken met de maatschappij: weekritme, nuttig bezig zijn, collega’s, samen zijn.

Daarbij is er nog iets onzinnigs aan de hand. Mensen in de bijstand moeten werken met behoud van uitkering bij de sociale werkplaats. Het oneerbiedige dozen inpakken, washandjes vouwen, stickers plakken, en het beruchte papier prikken in een schone straat. De praktijk is dan dat de productie van iemand vanuit de bijstand waarschijnlijk wel tien keer zo hoog ligt dan dat van de arbeidsgehandicapte, terwijl de bijstandsgerechtigden dertig tot veertig procent minder ‘salaris’ krijgen. Ik kan het niet uitleggen.

Dit alles wil niet zeggen dat gehandicapten niet thuis horen in het gewone bedrijfsleven. Waarom zou iemand in een rolstoel niet achter de kassa kunnen zitten als caissière of kassier? Iemand achter een bureau als telefonist(e)/administratief medewerker? Toen ik nog supermarktmanager was, zo’n twintig jaar geleden, had ik wel eens met deze gedachte gespeeld. Maar dat was toen zó ingewikkeld, het kassameubel moest aangepast worden, er moest een invalidentoilet komen enzovoort. Nu, twintig jaar later begint deze gedachte praktijk te worden. Maar… ik begrijp dat deze aanpassingen betaald gaan worden door de overheid, maar ga niet strooien met loonkostensubsidies. De capaciteiten van een caissière in een rolstoel zijn dezelfde als die van een caissière die wel kan lopen.  Toch?

Mensen vanaf 50 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd

In 2017 heb ik meegewerkt aan het programma Kans op werk 3% van TROS Radar Extra in mei 2017. De arbeidsmarkt voor vijftigplussers is heel moeilijk. Je bent te oud(?). Vooral als de arbeidsmarkt moeilijk is, is het voor deze groep extra moeilijk, bijna onmogelijk. In 2017 was ruim 50% van het aantal vijftigplussers werkloos van. Ook in de bijstand is deze groep oververtegenwoordigd. We hebben al jaren discussie over leeftijdsdiscriminatie, dat is fout, maar is wel de realiteit. Zelf ben ik inmiddels een zestigplusser, na honderden sollicitaties heb ik het opgegeven. Zo frustrerend. De enige (kleine) mogelijkheid om betaald werk te vinden, is je eigen sociale netwerk. Maar dan moet je natuurlijk wel een goed sociaal netwerk hebben. In de beginjaren heb ik diverse netwerkbijeenkomsten bijgewoond. Maar ja, als je dan vraagt aan de gemeente of ze de kosten van netwerken vergoeden (reiskosten, parkeerkosten e.d.), dan is het antwoord: “Daar hebben we geen geld voor.”

De sollicitant gaat er vanuit dat zijn sollicitatiebrief en zijn motivatie gelezen wordt. Vaak is hierin alle energie, creativiteit en onderzoek in gestopt. Ik heb wel eens gelezen dat een sollicitatiebrief minder dan één minuut de tijd heeft gelezen te worden. Bij grote bedrijven gaan sollicitatiebrieven door een soort scanner. Hierin worden bepaalde kenmerken tevoren ingebracht, zoals opleiding, eigenschappen en heel waarschijnlijk ook je geboortejaar. Dan ga je zonder gezien te worden de papiervernietiger in.

Het toppunt van onzin vind ik dat wanneer bijvoorbeeld een timmerman, een tuinman, een schoonmaakster, een taxichauffeur… naar de sociale werkplaats worden gestuurd om daar dozen in te pakken, stickers te plakken… dan wordt je écht gekrenkt in je menswaardigheid.

Statushouders/vluchtelingen

Het overgrote deel van de statushouders zit in de bijstand. Een hele moeilijke groep om ‘aan het werk te krijgen’. Omdat deze groep zo moeilijk te plaatsen is, hebben gemeenten de neiging ze voorlopig met ‘rust’ te laten. Vooral in de eerste fase wordt gezegd: “Gaat u eerst maar uw arbeidsmigrantentaalopleiding doen.” Deze opleiding duurt drie jaar! Dat zijn drie halve dagen per week, dus blijven er elf halve dagen over! Ik begrijp nog steeds niet waarom taalonderwijs niet ’s avonds is. Toen ik mijn supermarktmanagersopleiding deed was dat drie jaar avondschool en overdag werken. Mijn overtuiging is; taal leer je op straat! Ik was vrijwilliger bij Vluchtelingenwerk, ben ik geschrokken van het lage taalniveau van statushouders. Diegene die wél redelijk goed Nederlands spreken, zijn per definitie de beperkte groep die wél verbinding heeft met de Nederlandse maatschappij. Hierin zou de gemeente vanaf het begin het voortouw in moeten nemen. Maar daar zit gelijk ook het probleem. De taal. Statushouders zouden bij ieder gesprek met de gemeente een vertaler mee moeten nemen. Een statushouder heeft sowieso een communicatieprobleem, daarbij voelt men zich ‘te gast’ in Nederland. Ook speelt een belangrijke rol dat zij gewend zijn aan een machtsverhouding tussen overheid en burger. In veel landen kan je maar beter je mond houden en vooral geen eigen mening uiten. Dus als de ambtenaar vraagt: “Hoe gaat het met u?” Dan is het standaardantwoord: “Goed.” Men heeft niet door dat je daarmee geen stap verder komt in Nederland.

Nederland is voor statushouders een moeilijk land. Regeltjes, regeltjes, regeltjes. Een professor heeft voor het SCP een rapport geschreven over re-integratie statushouder met de titel Nederland… regelland. Het is voor een statushouder onmogelijk om zonder hulp hier doorheen te komen. Daarbij hebben ambtenaren en de Belastingdienst snel de neiging te zeggen: “U dient de wet te kennen.” Als een statushouder in de financiële problemen komt door bijvoorbeeld een fout gemaakt te hebben in ons digitale systeem, dan is de gemeente, maar ook Vluchtelingwerk, vaak niet thuis. Ik ken een verhaal van iemand die bij de vraag “Gebruikt u uw kindertoeslag voor kinderopvang? per ongeluk ‘nee’ had ingevuld… Gevolg: een teruggave van duizenden euro’s. Probeer dat zonder hulp maar weer eens goed te krijgen.

Mijn ‘ideale’ oplossing zou zijn: buddy to buddy. Iedere statushouder vanaf het begin zijn eigen Nederlandse maatje. De gemeente betaalt de buddy een vrijwilligersvergoeding (wettelijk € 1.700) per jaar en een bepaald budget voor ‘kennismaking’. Kennismaking met Nederland, ga er samen op uit, een

armoedebestrijding
Museum van de Toekomst, Dubai

museum, de Tweede Kamer, de Keukenhof, een concert, enzovoort. De buddy is, onder afgesproken voorwaarden, mede verantwoordelijk voor de voortgang van de statushouder. Dit in het belang van de statushouder. Als de gemeente iets ‘verzint’ wat niet in het belang is van de statushouder, mag hierover discussie gevoerd worden. Dat zorgt voor een win-win-situatie. Maar ik denk dat dit vanuit de gemeenten niet gaat gebeuren. Lees het verhaal Ervaringsdeskundigheid.

Ik sprak een poosje terug twee statushouders op een parkeerterrein van de supermarkt. Eén kende ik van ruim twee jaar geleden. Nog steeds in de bijstand, vijf jaar in Nederland. vijfendertig jaar, drie kinderen en wonende in een gehucht, waarvan ik weet dat de dorpsbewoners niet zo blij zijn met ‘buutenlanders’. Hij was loodgieter/verwarmingsmonteur in Syrië. Hoe is het mogelijk… we hebben een tekort aan die soort vakmensen! Ondanks dat het gaat ‘kriebelen’ bij mij, ‘bemoei’ ik me er niet meer mee. Lees het verhaal De maatschappij zegt tegen vluchtelingen: Werken. De enige tip die ik hem kon geven was contact op te nemen met een landgenoot van hem, van wie ik wist dat hij inmiddels een baan gevonden had als verwarmingsmonteur. Dat zou hij doen. Hopen dat het lukt, maar we zijn al ruim vijf jaar te laat en de maatschappij dertig- tot vijftigduizend euro armer.

De andere meneer kende ik niet. Hij stelde zich netjes voor en woont in Rotterdam. Daar werkte hij als pakjesbezorger bij Post.nl. Dus in loondienst bij een werkgever. Hij wilde zzp’er worden. “Denk daar nog maar eens tien keer over na,” zei ik hem. Hij was enigszins verwonderd over mijn reactie. “Maar zzp’ers verdienen meer als werken bij een baas,” antwoordde hij. Ik legde hem uit wat het verschil is. “Nu is jouw baas verantwoordelijk voor alles, zoals Belastingdienst, als zzp’er ben jij verantwoordelijk. Regeltjes, regeltjes, regeltjes. In Nederland moet je geen ruzie maken, maar zeker geen ruzie met de Belastingdienst… want dat verlies je altijd.” Hij vertelde dat hij in Syrië advocaat was. Hij heeft hemel en aarde bewogen om te gaan studeren voor advocaat in Nederland.
Hier word ik zo verdrietig van… laten we nou durven eerlijk te zijn: van Syrische advocaat naar Nederlandse advocaat is een onmogelijke opgave. Mensen hoop geven, terwijl wij tevoren weten dat deze hoop ongegrond is. Er zijn beroepen die voor statushouders bijna onmogelijk zijn. Ik ben hoogopgeleiden tegengekomen zoals griffier bij een rechtbank, bibliothecaris, advocaat, maar ook sommige medische beroepen. Het standaard Nederlands (ABN) is een groot struikelblok, laat staan juridische taal, medische taal. Inmiddels was hij daar ook achter gekomen, een onmogelijke opgave. Dus was hij nu pakjesbezorger. Ik vroeg hem: “Nu moet je kiezen: wil je of nú advocaat in Syrië of pakjesbezorger in Nederland zijn?” Zijn antwoord: “Pakjesbezorger in Nederland.”

In dat ene gesprekje op het parkeerterrein had ik toch het gevoel twee statushouders, misschien, de juiste richting opgestuurd te hebben.

De titel van dit verhaal is Theoretische onzin. Statushouders die terecht komen bij de sociale werkplaats. Ik ken iemand die al twintig jaar van beroep kapper is, iemand die van beroep stukadoor is, iemand die van beroep fysiotherapeut is… en die moeten verplicht in de groenvoorziening of schoonmaak werken. Het moet toch mogelijk zijn om een Syrische kapper, kapper te laten worden in Nederland? Een Syrische stukadoor, stukadoor in Nederland? Een Syrische loodgieter, loodgieter in Nederland? En ga zo maar door. Het zal heus geen gemakkelijke weg zijn, maar gevangen zitten in de bijstand lijkt mij zowel voor de statushouder als maatschappelijk ook niet de oplossing.

Daarbij is bekend dat tachtig procent van de statushouders graag aan het werk wil, hun eigen geld wil verdienen en niet profiteren van ‘gratis geld’. Maar ja, regeltjes, regeltjes, regeltjes…

Diverse verhalen over vluchtelingen/statushouders heb ik al geschreven. Misschien in mijn 2e boek. Deze mensen zitten vaak gevangen in theoretische onzin.

Ter afsluiting van dit verhaal Theoretische onzin. De lezer merkt misschien wel enige irrigatie in dit verhaal. Het zal mijn karakter, ervaringsdeskundigheid, arbeidzaam leven, wel zijn dat ik de logica van onzin niet wil begrijpen. Het enige argument dat overblijft is dat er geld verdiend wordt aan onzin, veel geld. In dit verhalenboek staan vele voorbeelden van onzin. Zoals eerder geschreven de uitspraak van Koning Willem Alexander: “Niet normaal gaan vinden, wat niet normaal is.”

In dit verhalenboek probeer ik diverse praktijkvoorbeelden van onzin duidelijk te maken. De ‘te-gek-voor-woorden-verhalen’… De ‘hoe-verzin-je-het-verhalen’… De ‘hoe-is-het-mogelijk-verhalen’… Maar ook proberen oplossingen aan te dragen. En laten we beginnen met het stoppen van onzin!

Illustratie bovenaan van Gerd Altmann via Pixabay 

Uit het boek: MET DANK, DOOR MIJNOVERHEID BIJ DE VOEDSELBANK, Gerard Sangers.
Gerard is van mening dat basisinkomen een goede oplossing is om de problemen die hij in het boek schetst aan te pakken.
Zie hier voor meer informatie over het boek en voor de reeds gepubliceerde delen.
Zie ook de website Te gek voor woorden.

Copyright © 2021 Gerard Sangers
Niets uit deze tekst en het boek  mag worden verveelvoudigd, door middel van druk, fotokopieën, geautomatiseerde gegevensbestanden of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Het is wel toegestaan dit gehele bericht zonder wijzigingen te delen.