Vergelijking van de fiscale en verdelingseffecten van alternatieve methoden voor de invoering van het basisinkomen in de gehele EU

Facebooktwitterlinkedinmail

In een Engelstalige studie wordt gekeken naar de effecten van de invoering van een bescheiden basisinkomen in de 28 lidstaten van de EU. Johan Horeman las het rapport en vergeleek dit op een aantal aspecten met de discussie binnen de FNV over een basisinkomen in Nederland vergelijkbaar met het bestaande systeem voor de AOW.

Het betreft een studie van Martinelli en O’Neill met als titel A comparison of the fiscal and distributional effects of alternative basic income implementation modes across the EU28, in het Nederlands Vergelijking van de fiscale en verdelingseffecten van alternatieve methoden voor de invoering van het basisinkomen in de gehele EU28.
Het gaat in de  studie om “Alternatieve vormen van invoering die neutraal zijn wat betreft de belastingopbrengst.” Dat triggert meteen de aandacht. Het zou kunnen betekenen dat de sociale voorzieningen, nu beschikbaar voor de mensen die het nodig hebben, gelijk verdeeld gaan worden over iedereen.
Yve Marx van de universiteit van Antwerpen heeft een soortgelijke studie al eens gedaan, alleen voor Nederland. De zin daarvan werd door Bas Jacobs geanalyseerd; dezelfde hoeveelheid geld verdelen over meer mensen ongeacht hun behoeften betekent intensivering van de armoede.

Een andere benadering wordt ook genoemd (p 6|7). ”Er kan ook worden gesteld dat er een duidelijk (en superieur) alternatief voor het vergelijken van verschillende” Bi vormen en verschillende betalingsniveaus is dat een vruchtbaarder weg van onderzoek is.
Dit zou inderdaad een vruchtbare weg zijn voor toekomstig onderzoek.
Daarop loopt Bi FNV UG vooruit met sectorale zelforganisatie en algemene zorg.

In de internationale Bi studie is 60% van de inkomensmediaan als armoedegrens gesteld en gaat men voor een basisinkomen, net als de OECD[1], uit van:

  • Volwassen, samenwonend of niet, 0,75 * 60%,
  • kind 0,5 * 60%

 

Analytische vergelijkingen (p 6|7);

Uitvoeringsmodaliteiten worden vergeleken van minimale tot maximale wijzigingen van andere vormen van sociale steun, hier gedefinieerd als contante overdrachten:

  • Bi 1.    Geen aanpassing aan eventuele uitkeringen
  • Bi 2.    Aanpassing van inkomensafhankelijke uitkeringen; laat andere uitkeringen (WIA/WAO) en pensioenen[2] intact.
  • Bi 3.    Aanpassing van alle uitkeringen en pensioenen.
  • Bi 4.    Eliminatie van inkomensafhankelijke uitkeringen; aanpassing van andere uitkeringen en pensioenen.
  • Bi 5.    Afschaffing van alle uitkeringen en pensioenen.

“Aanpassing” verwijst hier naar de intrekking van bestaande uitkeringen (die vóór de hervorming van het basisinkomen zijn ontvangen) tot de maximumwaarde van het basisinkomen zelf.

Dit wordt hier vergeleken met de Bi FNV UG benadering. Die stelt de uitkering gelijk aan de AOW, dat is ongeveer bijstand zonder kostendelersnorm + €150, of met de kostendelersnorm tot 2 personen.

De onderzoeksvragen die in dit artikel worden behandeld zijn de volgende (p 7|8):

  • RQ1:   Hoe verhouden zich de fiscale en herverdelende effecten van het (hier geformuleerde) basisinkomen in verschillende vormen?
  • RQ2:   Hoe verhouden zich de fiscale en herverdelende effecten van het basisinkomen, en met name de specifieke uitvoeringsmodaliteiten, in de diverse socialezekerheidsstelsels van de EU-landen?
  • RQ3:   Kunnen beperkingen van de haalbaarheid betrekking hebben op de politieke vraag naar de invoering van het basisinkomen, en is het basisinkomen noodzakelijkerwijs onderworpen aan een “paradox van de vraagomvang”?

 

Politieke haalbaarheidsanalyse wordt gebruikt om de waarschijnlijke uitkomst van een voorgestelde oplossing voor een beleidsprobleem te voorspellen door actoren, gebeurtenissen en omgeving te onderzoeken die betrokken zijn bij alle stadia van het beleidsvormingsproces. Het is een veelgebruikte component van een beleidsanalyse en kan dienen als een evaluatief criterium bij het kiezen tussen beleidsalternatieven.

In de grafiek worden voor Nederland de gegevens weergegeven zoals ze worden gebruikt in het vergelijkende onderzoek. De eerste lijn van bovenaf is de mediaan van het netto inkomen. De armoedegrens ligt op 60% daarvan, het basisinkomen voor de EU test ligt op 0,75 van de armoedegrens.[3] Voor de waarden afgeleid van het Wettelijk Minimum Loon zijn de gemiddelden (avg) toegerekend naar de individuele bedragen (40% alleenstaand, 60% in stellen). Daarnaast de gemiddelde bijstand en de gemiddelde Bi FNV UG. De golf vanaf 2015 in het mediale inkomen is in de Nederlandse wettelijk voorgeschreven beloningen niet terug te vinden.

Het rapport is als volgt gestructureerd. (p 7|8)

In §2 wordt de theoretische en empirische literatuur bekeken over kwesties van de fiscale en de verdelende effecten en hun grensoverschrijdende effecten.
§3 toont het ontwerp en de methodologie van het onderzoek, met inbegrip van de vergelijkende strategie, en de specificatie van de basisinkomensschema’s die hier zijn gemodelleerd. (met het basisinkomen op driekwart van de armoedegrens.)
Bevindingen worden weergegeven in §4 waar een vergelijking van alternatieve uitvoeringswijzen wordt gepresenteerd, gevolgd door grensoverschrijdende fiscale en herverdelingsimplicaties. Ze verkennen met beschrijvende- en met correlatieanalyse, en ze onderzoeken de kenmerken die de congruentie van het basisinkomen bepalen in verschillende soorten sociale voorzieningen.
§5 wordt afgesloten met een samenvatting van de implicaties van de analyse en het verbindt die met bredere kwesties van politieke haalbaarheid.
Deze elementen worden in deze bespreking alleen naar voren gehaald als ze relevant zijn voor Nederland.

Bi debat nijgt tot focus

Het debat over een basisinkomen (UBI) heeft de neiging zich te concentreren op de economische en sociale implicaties van een voorstel. Minder duidelijk zijn echter de factoren die van invloed zijn op de steun ervoor. Met behulp van het ‘Europees sociaal onderzoek 2016’ (EUROMOD) wordt onderzocht hoe het lidmaatschap van een vakbond en een linkse politieke ideologie (centraal in de machtsbron-theorie) en de houding ten aanzien van de toegang van immigranten tot sociale voorzieningen (centraal in welvaartschauvinisme[4]) van invloed zijn op de steun van individuen voor een UBI. Onderzocht wordt ook hoe verschillen in sociale uitgaven per land de UBI-steun per individu beïnvloeden. De resultaten suggereren dat in landen waar sociale uitgaven laag zijn, welvaartschauvinisme en de theorie van machtsbronnen[5] weinig effect hebben op het begrip voor steun voor UBI. Waar de uitgaven hoog zijn, kunnen het welvaartschauvinisme en de machtsbron de steun op individueel niveau verklaren. Dit resulteert in een paradox van de vraagomvang: landen die het minst toegerust zijn om een UBI te implementeren, laten de breedste steun zien voor zo’n beleid.[6]

In Nederland moet geconstateerd worden dat de linkse partijen en de vakbonden als machtsbron niet overtuigen. De laatste decennia is de loonontwikkeling 25% bij het BBP achtergebleven[7], terwijl de uitkeringen daar nog eens 25% bij achter lopen[8]. Hoe dat heeft kunnen gebeuren is een vraag die de machtsbronnen ontlopen. Men lijkt de oplossing voor economische crises vaker in beperking van de loonkosten te vinden en bij hoogconjunctuur de lonen minder te laten meeprofiteren.

De leeftijd speelt tegenwoordig ook een belangrijke rol. De productieve leeftijd loopt van 25-55 jaar[9], van 15-64 jaar[10] en nu van 15-75 jaar[11]. Hoe dat past bij ervaringen van de werkende mensen en bij de structuren in andere EU landen wat betreft de pensioengerechtigde leeftijd is onderwerp van discussie. De verschillen zijn groot. De economische verschillen zijn evident als we de economie als sociale wetenschap bekijken, daarnaast is er de politieke economie en de reële politiek van de wetgeving (vastgelegde of bevroren politiek[12]). Hier kan Bi iets belangrijks bewegen.

Invoering van een basisinkomen terwijl alle bestaande voorzieningen blijven bestaan brengt vooral hogere kosten met zich mee. Als sociale uitkeringen en pensioenen niet worden gecompenseerd, evenals inkomensafhankelijke uitkeringen, dan zullen de belastingen sterk toenemen. (p 54|55) [De kostenbenadering van de boekhouder.]

Nederland in de toets

Nederland behoort tot de verzorgingsstaten van conservatieve signatuur, net als Duitsland, België en andere Continentaal Noordwest Europese landen. Daarnaast worden onderscheiden de Oostelijke landen, de Sociaaldemocratische landen, de Zuidelijke landen en de Liberale landen (p 21|22)[13]. Conservatief is het toepassen van een zware controle op middelen van bestaan voor sociale uitkeringen.
Nederland haalt de kosten van een basisinkomen grotendeels terug door bezuinigen op uitkeringen. Kijkt men naar het verminderen van de armoede, dan is Nederland een van de landen waar het effect van het basisinkomen minder is door de strenge controle op inkomen (p 37|38). De kosten in de eerste vorm verschillen daarom sterk van de tweede vorm.
Het terugdringen van de armoede in de overgang van vorm twee naar vorm drie is voor Nederland gematigd. [weer die controle.]
De overgang van vorm drie naar vorm vier is imposant, als alle aangepaste sociale uitkeringen, inkomensoverdrachten, veranderen in inkomensafhankelijke uitkeringen, verliezen flink wat mensen inkomen. [vraag is of hier onderscheid tussen gewone en staatspensioenen (AOW) gemaakt is.]
De overgang van vorm vier naar vorm vijf, als alle uitkeringen worden afgeschaft terwijl er eerst alleen inkomensafhankelijke uitkeringen waren, is tegengesteld, er komt armoede bij. (zie figuur 11 in het rapport, p 40|41) [weer de vraag van de staatspensioenen]

Steun voor verandering

Volgens De Wispelaere is in Nederland bij grote politieke partijen steun voor het idee basisinkomen.[14]  (p 55|56) Politieke verdeeldheid dwingt tot een akkoord tussen Bi-pleitbezorgers met een fundamenteel meningsverschil over het Bi-model.

Wat nodig is, is een duurzame politieke coalitie voor Bi met een duidelijke strategie en tactiek. In die coalitie zullen een aantal strategische zaken opgelost moeten zijn om succesvol te kunnen zijn. Snelle strategie-wisselingen uit opportunisme zijn geen goede basis voor een beweging die zich een duurzame plek op de politieke agenda wil veroveren.

Johan Horeman, augustus 2019
Afbeelding van Michael Gaida via Pixabay

Voetnoten:

[1] p 7|8, 75% * 60%. Alleenstaanden 1 * 60 % benadert de Bi FNV UG benadering. (p *|*) geeft aan de pagina in de print | de pagina in de pdf-nummering.

[2] Ik neem aan dat hier gedoeld wordt op staatspensioenen.

[3] Mean and median income by age and sex – EU-SILC survey [ilc_di03]

[4] Term die aangeeft dat men vindt dat sociale voorzieningen alleen beschikbaar moeten zijn voor bepaalde groepen in een land. Eigen volk eerst, of de 18 jaar ingroeitijd voor Bi FNV UG. Meest wordt dit argument gebruikt voor en door rechtse populistische partijen.

[5] Power resource theory is a political theory which proposes the idea that the distribution of power between major classes is to some extent accountable for the successes and failure of various political ideologies. It argues that “at its core, it asserts that working class power achieved through organisation by labor unions or left parties, produces more egalitarian distributional outcomesPower resource Theory and Inequality in the Canadian provinces. 2005

[6] Support for a Universal Basic Income: A Demand-Capacity Paradox? Working Paper, Parolin, Z., & Siöland L., Herman Deleeck Centre for Social Policy, Antwerpen, 2019. WP 19/01.

[7] Paul de Beer en Wieteke Conen, Een halve eeuw Arbeidsmarkt, Amsterdam, 2018,

[8] Paul Tang, Dijk van Europa, Amsterdam 2018, p 115.

[9] Paul Krugman in NYT verwijzend naar FRED 2018.

[10] OECD en Nederland voor 2012. Met werkweken van 20 uur voor 2000 en 12 uur tot 2012.

[11] ILO steunt deze benadering die ook in Nederland de internationale maatstaf is na 2012. Men is niet meer werkloos als men 1 uur of meer per week werkt.

[12] Hierop kan de methode van de agologische verandering worden toegepast, ontdooien, bewegen en weer vastvriezen (thaw, move, freeze). Het ligt vast maar …

[13] The classifications are as follows: Conservative: Austria, Belgium, Germany, France, Luxembourg, and the Netherlands; Eastern: Bulgaria, Czech Republic, Estonia, Croatia, Hungary, Lithuania, Latvia, Poland, Romania, Slovenia, and Slovakia; Liberal: Ireland and the UK; Social democratic: Denmark, Finland, and Sweden; and Southern: Cyprus, Greece, Spain, Italy, Malta, and Portugal. Volgens de Esping-Andersen classificatie.

[14] Er is een verwijzing naar: De Wispelaere, J.  (2016). “The struggle for strategy: On the politics of the basic income proposal.” Politics, 36(2): 131-141.

Facebooktwitterlinkedinmail