Wat doen we zolang er niet genoeg beschikbaar komt voor een toereikend basisinkomen?

Facebooktwitterlinkedinmail

Als er onvoldoende geld beschikbaar komt voor een volwaardig basisinkomen, moet je dan beknibbelen door groepen uit te sluiten, door naar huishoudens te kijken ipv naar individuen, door te kijken naar de beschikbare middelen of de bereidheid een tegenprestatie te leveren, of gewoon een lager bedrag geven?

Een zinsnede in de definitie voor basisinkomen zoals de VBi  die hanteert is dat het voldoende is om volwaardig van te leven.
Met als nadere toelichting:
Het bedrag moet zorgen voor een fatsoenlijke levensstandaard, die aan de sociale en culturele normen voldoet in het betrokken land. Het moet materiële armoede voorkomen en de mogelijkheid bieden om te participeren in de samenleving en in waardigheid te leven.

De term hoog genoeg serieus nemen betekent in elk geval dat je rond het minimumloon moet gaan zitten, circa € 1.600 per maand. Waarschijnlijk is dat overigens onvoldoende voor bepaalde groepen, denk met name aan gehandicapten. Zou € 2.000 voor iedereen toereikend zijn?

Onderstaand probeer ik te verkennen in welke richtingen een realist een compromis zou kunnen zoeken als de politieke bereidheid ontbreekt en wat daarin de voor- en de nadelen zijn.

Basisinkomen moet conform de definitie van de Vereniging Basisinkomen voldoen aan vier (eigenlijk vijf) kenmerken of criteria:

  • Universeel: voor iedereen
  • Individueel
  • Onvoorwaardelijk:
    – geen toets op inkomen of vermogen
    – geen tegenprestatie
  • Hoog genoeg

Als onze maatschappij er (tijdelijk of blijvend) niet voldoende voor over heeft om een basisinkomen  te regelen dat aan al deze criteria voldoet, kunnen we dan water bij de wijn doen en wat is daarvan het effect?

  1. Niet voor iedereen

Mensen geheel of gedeeltelijk uitsluiten kan denk ik alleen voor zeer beperkte groepen.
Een lager bedrag voor kinderen dan voor volwassenen zal waarschijnlijk breed geaccepteerd worden, met uiteraard discussie over het verschil in hoogte en over de overgangsleeftijd.
Denkbaar is dat er voor immigranten een wachttijd is en wellicht kunnen ook emigranten na verloop van tijd hun rechten verliezen. Er moet uiteraard ook duidelijkheid zijn voor specifieke groepen zoals uitgezonden militairen en diplomaten
Ook gedetineerden kan wellicht het basisinkomen geheel of gedeeltelijk onthouden worden.
De rechtvaardigheid vereist dat dit allemaal goed geregeld wordt, maar kwantitatief heeft het een vrij beperkte betekenis.

Grote besparingen op de kosten zou alleen het geval zijn als we echt grote groepen uit kunnen zonderen, bijvoorbeeld door basisinkomen pas vanaf 50 jaar te verschaffen. Dat vergt weinig extra administratie en controle en daarmee wordt tegemoet gekomen aan de problematiek van ouderen die geen baan meer kunnen vinden. Het verschaft de ouderen die juist wel door willen gaan een absurd groot voordeel op de arbeidsmarkt. Lijkt me een zeer onwenselijke verstoring van de arbeidsmarkt en het evenwicht tussen de generaties.
Dat geldt evenzeer als je alleen jongeren een basisinkomen zou geven.
Of andere groepen, bijvoorbeeld alleenstaande moeders of kunstenaars.

  1. Niet individueel

Ons huidige stelsel van sociale zekerheid is sterk gestoeld op huishoudens. Norm is een bedrag van ruim € 1.700 voor een tweepersoonshuishouden. Bijv. bij de AOW krijgt elke partner 50 % daarvan. Een alleenstaande krijgt 70 %, een driepersoonshuishouden 130 % en per persoon meer komt er weer 30 % bij.
Nadeel van deze benadering dat het individuele keuzes beïnvloedt met financiële prikkels. Dat kan een hoge prijs zijn voor het genieten van liefdesrelaties. Het kan ook beteken dat intensieve mantelzorg financieel afgestraft wordt. Zoals te verwachten valt, zijn er veel mensen die deze nadelen willen ontlopen.
Er ontstaat dan als vanzelf een stelsel met allerlei controles en sancties, met als doel fraude te voorkomen maar met vaak schrijnende gevolgen.

Een basisinkomen per individu dat hoog genoeg is, lost dit op.
Hebben we daar als maatschappij niet voldoende geld voor over, dan zijn er in elk geval twee opties:

  • We regelen een basisinkomen dat voor een alleenstaand individu te laag is, en maken daarnaast een aanvullende regeling waar een individu indien dat nodig is, een beroep kan doen.
    Dat laatste is dan natuurlijk geen basisinkomen, maar een helaas noodzakelijke aanvulling.
    In feite doen we hiermee afbreuk aan het laatst genoemde criterium, het bedrag is dan immers niet hoog genoeg.
  • We ontwerpen een stelsel waarin wel rekening gehouden wordt met een huishouden, bijvoorbeeld door een huishoudtoeslag of woontoeslag per adres toe te kennen naast een individueel basisinkomen. Deze component is strikt genomen natuurlijk geen basisinkomen, maar je kunt hiermee wel een helder stelsel ontwerpen.
    De benadering betekent wel dat expliciet vastgesteld moet worden welke huishoudens er zijn, om de bijkomende rechten te kunnen bepalen en uitvoeren. Plus de daarbij behorende controles en sancties.

De eerstgenoemde optie verschuift het probleem naar het criterium hoog genoeg.
De optie met een huishoud- of woontoeslag, betekent dat elk huishouden onder de regeling valt. Het regime zal waarschijnlijk eenvoudiger zijn dan het regime voor de alleenstaanden in de andere optie, maar het stelsel en de financiële prikkels daarin raken wel iedereen. Ook de mensen die in het huidige stelsel geen uitkering of toeslag krijgen. Het hebben van een huishouden of een adres krijgt ineens grote economische waarde voor iedereen!
De effecten daarvan op de woningmarkt zijn slecht voorspelbaar, en daarmee behoorlijk riskant.

  1. Wel toetsen op inkomen en vermogen

Motivatie voor deze concessie is dat je niets hoeft te geven aan degenen die het niet nodig hebben. In deze variant wordt het woord basisinkomen vooraf gegaan door woorden als aanvullend, voorwaardelijk, leefbaar, gegarandeerd etc.

Deze benadering is ongetwijfeld minder kostbaar dan niet toetsen op dit punt, maar er zitten in elk geval wel twee grote bezwaren aan:

  • Inkomens en vermogens van iedereen (en de mutaties daarin) moeten geregistreerd worden, uiteraard met controles en sancties. Dat hoeft niet zo heel erg te zijn voor de armsten en voor de rijksten, hun situatie is immers bekend bij bijvoorbeeld de Belastingdienst.
    Maar juist voor degenen die op het grensvlak zit, kan dit heel problematisch zijn. Exact weten wat je toestand is en goed kunnen voorzien hoe die muteert, is voor iedereen lastig, ook voor mensen die op dit punt volstrekt integer zijn.
  • Zodra je iets meer andere inkomsten krijgt dan het gegarandeerde basisinkomen, wordt dat gekort. Dat heet de armoedeval. Pas als je veel meer andere inkomsten krijgt, ga je er op vooruit. Dat is zeer ontmoedigend.
    (Op dit moment zijn de regelingen zo, dat je er soms zelfs op achteruit gaat als he iets meer verdient uit betaalde arbeid.)

In ons land kennen we twee regelingen waar een dergelijke toets ontbreekt: de kinderbijslag en de AOW. Dat zijn ook de goedkoopste regelingen qua uitvoeringsapparaat en je hoort zelden over problemen.
Alle andere regelingen hebben een zeer kostbaar uitvoeringsapparaat en leveren regelmatig schrijnende problemen op.

  1. Wel toetsen op tegenprestatie

Voor wat hoort wat. Deze populaire verwoording van het wederkerigheidsbeginsel wordt vaak gebruikt om een tegenprestatie te eisen.
Voorstanders daarvan verschillen in hun terminologie en hun strengheid.
Het huidige stelsel gaat zeer ver met eisen over beschikbaarheid (die overigens participatie als vrijwilliger flink in de weg kunnen staan) en ver doorgevoerde sollicitatieplicht.
Een bekende Nederlandse voorstander is Raymond Gradus (Participatie-inkomen is prima alternatief voor onbetaalbaar basisinkomen) die ook opleidingen als prestatie erkent. Recent is bij Our New Economy een onderzoek naar deze invalshoek gestart door Rebecca Belochi, een jonge Franse onderzoekster.
Er is ook een soort spiegelbeeld van deze benadering. Daarin wordt geen prestatie geëist, maar een aanbod gedaan in de vorm van garantiebanen, basisbanen of burgerbanen.

Toetsen of men voldoende participeert is hier natuurlijk het belangrijkste punt. Er is een instantie nodig die registreert, vaststelt of controleert of jij voldoende mee doet.
Dat kan heel soepel, maar wat is de zin ervan dan?
Of er ontstaat een flinke verzameling van acceptabele prestaties en criteria daarvoor. Dat is nog een graadje ingewikkelder dan toetsen op inkomen of vermogen, dus een prachtig onderwerp voor bureaucraten en adviseurs om flink aan te pakken. In de Engelstalige literatuur is redelijk veel geschreven over de af administratieve en bureaucratische lasten van deze aanpak.

  1. Geef een bedrag dat niet hoog genoeg is

Tenslotte de simpele methode van het vaststellen van basisinkomen op een laag bedrag, dat evident niet voldoende is voor iedereen. Dat is al gauw zo, want ik denk dat er behoorlijk veel mensen zijn die  om goede redenen niet rond kunnen komen van een bedrag in de orde van € 2.000.
Dan staan daarna twee alternatieven open:

  • Een zuinige variant: alle uitkeringen, toeslagen en aftrekposten afschaffen en er niets voor in de plaats stellen. Een keiharde neo-liberale variant die terecht veel weerstanden op zal roepen.
  • Het overeind houden van alle bestaande steunregelingen (uitkeringen, heffingskortingen, aftrekposten, toeslagen), na correctie in neerwaartse zin met maximaal het bedrag van het basisinkomen.
    Bij een laag basisinkomen blijven dus veel van de bestaande regelingen in stand, zij het op een lager niveau en/of met minder deelnemers.
    Maar voor hen blijft dan het huidige regime van kracht, met alle onaangename aspecten daarbij.

In praktijk zal er natuurlijk een middenweg zijn. Rigoureus afschaffen is onhaalbaar en onwenselijk, maar aanpassing van het bestaande stelsel is zeer voor de hand liggend als veel bestaande regelingen overbodig zijn of minder omvangrijke aantallen deelnemers en geldstromen hebben.
Dat vergt nader onderzoek en politieke besluitvorming.

Voorlopige conclusie

Uit het voorgaande wordt duidelijk dat een meest gunstige benadering tot beknibbelen op een criterium niet bestaat, als er geen geld genoeg is om iedereen een voldoende hoog basisinkomen te geven.
Je loopt altijd tegen problemen op.

In mijn ogen is het meest riskant om te tornen aan het criterium voor iedereen of het  criterium individueel. In het eerst geval kun je voor riskante verstoringen op de arbeidsmarkt zorgen, in het tweede geval voor verstoringen op de woningmarkt. Dat zijn beide ongewenste neveneffecten.

Het basisinkomen voorwaardelijk maken door te toetsen op beschikbare geldmiddelen of tegenprestatie, kan een hinderlijke bureaucratie met zich mee brengen voor degenen die een beroep willen of moeten doen op het voorwaardelijk basisinkomen. Toetsen op tegenprestatie lijkt me daarbij overigens een aanmerkelijk grilliger weg dan toetsen op beschikbare middelen, want duidelijkheid over middelen is heel wat eenvoudiger te verkrijgen dan duidelijkheid over wat  een acceptabele tegenprestatie is.

Het verschaffen van een (te) laag basisinkomen betekent dat veel van de bestaande regelingen (na aftrek va het basisinkomen als bodem) in tact zullen blijven of dat daar minstens politieke discussie over zal blijven. De vereenvoudiging van het stelsel die nagestreefd wordt met basisinkomen wordt daarmee maar ten dele bereikt.

Reyer Brons, juli 2019
Afbeelding van Dimitris Vetsikas via Pixabay

Facebooktwitterlinkedinrssyoutube